Burgerlijk procesrecht

Afwijzing vordering tot betaling van cursusgeld vanwege het ontbreken van een wettelijke grondslag. Cursist…

Rechtbank Noord-Nederland, 16 juni 2026

Zaakgegevens

Op 16 juni 2026 heeft de Rechtbank Noord-Nederland in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over burgerlijk procesrecht.

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Zittingsplaats
Leeuwarden
Datum uitspraak
16 juni 2026
Datum publicatie
18 juni 2026
Zaaknummer
11999737 \ CV EXPL 25-6607
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBNNE:2026:2410
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Afwijzing vordering tot betaling van cursusgeld vanwege het ontbreken van een wettelijke grondslag. Cursist heeft zich voor een opleiding aangemeld, maar onderwijsinstelling had geen (zekerheid tot) betaling van het cursusgeld van de cursist ontvangen

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Civiel recht

Kantonrechter

Zittingsplaats Leeuwarden

Zaaknummer: 11999737 \ CV EXPL 25-6607

Vonnis van 16 juni 2026

in de zaak van

STICHTING VOOR BEROEPSONDERWIJS, VOLWASSENENEDUCATIE EN ALGEMEEN VOORTGEZET ONDERWIJS IN FRIESLAND EN FLEVOLAND, voorheen handelend onder de naam ROC Friese Poort, thans handelend onder de naam Firda,

te Leeuwarden,

eisende partij,

hierna te noemen: Firda,

gemachtigde: Landelijke Associatie Van Gerechtsdeurwaarders B.V.,

tegen

[gedaagde] ,

te [woonplaats] ,

gedaagde partij,

hierna te noemen: [gedaagde] ,

procederend in persoon.

1 De zaak in het kort

Het gaat in deze zaak om de vraag of [gedaagde] cursusgeld ter hoogte van € 595,83 aan Firda verschuldigd is. De kantonrechter is van oordeel dat [gedaagde] dit bedrag niet hoeft te betalen omdat daarvoor geen wettelijke grondslag bestaat. De vorderingen van Firda worden afgewezen. In het onderdeel 'De beoordeling' legt de kantonrechter dat oordeel uit.

2 De procedure

2.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding,
- de conclusie van antwoord,
- de conclusie van repliek,
- de conclusie van dupliek.

2.2.

Ten slotte is bepaald dat er vandaag een vonnis wordt uitgesproken.

3 De beoordeling

3.1.

Het gaat in deze zaak om de vraag of [gedaagde] cursusgeld moet betalen aan Firda.

3.2.

[gedaagde] heeft zich online op 3 september 2024 voor de opleiding Bediening (Leidinggevende bediening) in de beroepsbegeleidende leerweg (BBL) aangemeld en een voorlopig inschrijfbewijs per e-mail ontvangen. Firda heeft [gedaagde] definitief voor de BBL-opleiding ingeschreven en heeft bij hem op 7 november 2024 een factuurbedrag van € 595,83 met de omschrijving 'Cursusgeld 2024-2025' in rekening gebracht. [gedaagde] betaalde de factuur niet en uiteindelijk verwijderde Firda hem van de opleiding. Firda meent dat het verwijderen van [gedaagde] geen invloed heeft op zijn betalingsverplichting. Firda beroept zich daarvoor op de Les- en cursusgeldwet (LCW) en het daarbij horende Uitvoeringsbesluit Les- en cursusgeldwet 2000 (Uitvoeringsbesluit LCW).

Firda had [gedaagde] niet mogen inschrijven voor de BBL-opleiding

3.3.

Een BBL-opleiding wordt in de LCW aangemerkt als cursus waarvoor cursusgeld (en geen lesgeld) betaald moet worden. Op grond van artikel 2 van de LCW moet cursusgeld betaald worden met inachtneming van artikel 6 van de LCW. Daaruit volgt dat er onderscheid moet worden gemaakt tussen ‘toelating tot de cursus’ en ‘inschrijving voor de cursus’. Het tweede lid van artikel 6 van de LCW zegt dat degene die tot het onderwijs aan een cursus is toegelaten, zich om in een bepaald studiejaar onderwijs te kunnen volgen moet laten inschrijven. Tegelijkertijd bepaalt het derde lid dat tot de inschrijving niet wordt overgegaan dan nadat het bewijs is overgelegd dat het verschuldigde cursusgeld is of zal worden voldaan.

3.4.

Dit is anders als sprake is van een opleiding waarvoor lesgeld betaald moet worden, want daarbij ontstaat de verplichting tot betaling van lesgeld van rechtswege zodra de student zich heeft ingeschreven. De wet kent voor een cursist (voor een BBL-opleiding) dus niet de plicht zich te laten inschrijven tot de opleiding.

3.5.

Uit de stukken blijkt niet dat Firda voorafgaand aan de inschrijving van [gedaagde] (zekerheid tot) betaling van het cursusgeld van hem heeft ontvangen. Zodoende had Firda [gedaagde] niet mogen inschrijven voor de BBL-opleiding.

Conclusie: de vorderingen van Firda worden afgewezen

3.6.

Het recht op onderwijs voor de BBL-opleiding ontstaat voor [gedaagde] pas na betaling – of zekerheidsstelling tot betaling – van het cursusgeld aan Firda. [gedaagde] heeft de factuur van 7 november 2024 niet betaald. Het enige rechtsgevolg van die niet-betaling is dat hij geen onderwijs (en dus geen lessen) mocht volgen. Er is niet gesteld of gebleken dat [gedaagde] ook maar één les van de BBL-opleiding heeft gevolgd (of wenste te volgen), zodat er ook geen wettelijk aanknopingspunt bestaat om [gedaagde] tot betaling van enig cursusgeld aan Firda te verplichten. Nu voor de vordering van Firda tot betaling van de factuur van € 595,83 door [gedaagde] geen (wettelijke) grondslag bestaat, zal de kantonrechter deze vordering afwijzen. De vordering tot betaling van wettelijke rente en tot vergoeding van de buitengerechtelijke incassokosten zullen eveneens worden afgewezen.

Firda wordt veroordeeld in de proceskosten

3.7.

Firda is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten betalen. De kantonrechter ziet in dat verband aanleiding om aan [gedaagde] ten laste van Firda ambtshalve een forfaitair bedrag van € 100,00 (2 x € 50,00) toe te kennen, nu [gedaagde] in persoon tweemaal ter zitting is verschenen om mondeling verweer te voeren.

4 De beslissing

De kantonrechter:

4.1.

wijst de vordering van Firda af;

4.2.

veroordeelt Firda in de proceskosten van € 100,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als Firda niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend.

Dit vonnis is gewezen door mr. T.K. Hoogslag en in het openbaar uitgesproken op
16 juni 2026.

57991

Artikel 5 lid 1 van de Les- en cursusgeldwet 2000.