Insolventierecht
Afwijzing WSNP-verzoek. Verzoekster is niet opgehouden te betalen (art.288, lid 1, aanhef en onder a. Fw.)
Rechtbank Noord-Nederland, 20 augustus 2026
ECLI:NL:RBNNE:2026:3575 · Rechtbank Noord-Nederland · 20 augustus 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-noord-nederland/civiel-recht/insolventierecht/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbnne-2026-3575
Zaakgegevens
Op 20 augustus 2026 heeft de Rechtbank Noord-Nederland in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over insolventierecht.
- Instantie
- Rechtbank Noord-NederlandRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Leeuwarden
- Datum uitspraak
- 20 augustus 2026
- Datum publicatie
- 21 augustus 2026
- Zaaknummer
- NL:TZ:2614465:R-RK
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Insolventierecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBNNE:2026:3575
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Afwijzing WSNP-verzoek. Verzoekster is niet opgehouden te betalen (art.288, lid 1, aanhef en onder a. Fw.)
Uitspraak
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Afdeling Privaatrecht
Locatie: Leeuwarden
zaaknummer: NL:TZ:2614465:R-RK
vonnis d.d. 20 augustus 2026
in de zaak van:
[verzoekster] , geboren op [geboortedatum] 1954 te [geboorteplaats],
wonende aan [adres],
hierna te noemen [verzoekster].
1 Procesgang
[verzoekster] heeft op 5 juni 2026 een verzoekschrift met bijlagen ingediend tot toepassing van de wettelijke schuldsanering (hierna te noemen WSNP).
Het verzoekschrift is behandeld ter terechtzitting van 5 augustus 2026. Daarbij is [verzoekster] verschenen, tezamen met haar schuldhulpverlener de heer [schuldhulpverlener], werkzaam bij [schuldhulpbedrijf], en met de heer [naam 1], werkzaam bij de gemeente [gemeente].
2 Wettelijk kader
Op grond van artikel 284, eerste lid, van de Faillissementswet (Fw) kan een natuurlijk persoon, indien redelijkerwijs is te voorzien dat hij niet zal kunnen voortgaan met het betalen van zijn schulden of indien hij in de toestand verkeert dat hij heeft opgehouden te betalen, verzoeken de toepassing van de schuldsaneringsregeling uit te spreken.
Op grond van artikel 288, eerste lid, aanhef en onder a, Fw wordt een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling slechts toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat de schuldenaar niet zal kunnen voortgaan met het betalen van zijn schulden.
3 Feiten
[verzoekster] had samen met haar (in juni 2025 overleden) echtgenoot een eigen woning aan [adres]. Deze woning was door [verzoekster] en haar echtgenoot in eigen beheer gebouwd. In augustus 2019 is de woning door [verzoekster] en haar echtgenoot verkocht aan mevrouw [naam 2], hierna verder te noemen [naam 2]. In november 2019 is de woning aan [naam 2] geleverd.
[naam 2] heeft een procedure gestart tegen [verzoekster] en haar echtgenoot omdat er sprake was van diverse (verborgen) gebreken. Bij vonnis van 15 november 2023 heeft de rechtbank Noord-Nederland het verzoek van [naam 2] toegewezen en zijn [verzoekster] en haar echtgenoot veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 48.147,00 aan [naam 2]. Dit bedrag is door [verzoekster] aan [naam 2] voldaan.
[naam 2] heeft tegen het vonnis van de rechtbank hoger beroep ingesteld. Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft bij arrest van 5 augustus 2025 het vonnis van de rechtbank vernietigd en heeft [verzoekster] veroordeeld tot betaling van een totaalbedrag van
€ 311.704,41.
Met betrekking tot de juridische kosten voor het voeren van verweer zijn [verzoekster] en haar echtgenoot een tweetal leningen aangegaan, ten bedrage van € 3.450,47 respectievelijk € 11.500,00. Deze leningen staan op de schuldenlijst van [verzoekster] vermeld.
De eigen woning van [verzoekster] aan [adres] is vervolgens verkocht en overgedragen aan de koper in februari 2026. [naam 2] heeft daarbij uit hoofde van beslag een bedrag van € 216.940,00 ontvangen. De nu nog resterende schuld van [verzoekster] aan [naam 2] bedraagt ongeveer € 100.000,00.
De totale schulden van [verzoekster] bestaan uit de schuld aan [naam 2] en de twee leningen, tezamen € 114.950,47.
Namens [verzoekster] heeft [schuldhulpbedrijf] in maart 2026 aan [naam 2] een schuldregeling aangeboden in de vorm van een spaarakkoord. [naam 2] is daarmee niet akkoord gegaan, maar heeft daarbij aangegeven wel bereid te zijn om een aanzienlijk deel van haar vordering op [verzoekster] kwijt te schelden, onder de voorwaarde dat [verzoekster] maandelijks een bedrag van € 500,00 gaat aflossen voor een periode van 12,5 jaar, ingaande op 1 juni 2026 (totaal € 75.000). [verzoekster] heeft verklaard met dit voorstel niet akkoord te kunnen gaan, onder meer omdat zij moegestreden is en de termijn van 12,5 jaar te lang is omdat er, in combinatie het haar leeftijd van 71 jaar, geen reëel uitzicht bestaat op een schuldenvrije toekomst.
Door [naam 2] is vervolgens een nieuw voorstel gedaan, namelijk een aflossing door [verzoekster] van € 750,00 per maand voor een periode van 6 jaar, ingaande op 1 juli 2026 (totaal € 54.000). Ook met dit voorstel is [verzoekster] niet akkoord gegaan, waarbij zij heeft aangegeven een verzoekschrift WSNP te gaan indienen bij de rechtbank.
Bij e-mailbericht van 5 mei 2026 heeft [naam 2] bij de rechtbank bezwaar gemaakt tegen toelating van [verzoekster] tot de WSNP.
4 Standpunt verzoekster
[verzoekster] heeft ter zitting desgevraagd verklaard het voorstel van [naam 2] te hebben afgewezen omdat zij dan nog 6 jaar aan aflossing van de schuld zou vastzitten, wat haar fysiek en mentaal gezien te zwaar is. [verzoekster] heeft desgevraagd verklaard geen andere schulden te hebben dan de schulden die op de schuldenlijst staan, welke voortvloeien uit de eerdergenoemde gerechtelijke procedures. Vóór het ontstaan van deze schulden heeft [verzoekster] nimmer schulden gemaakt. [verzoekster] heeft tenslotte verklaard dat het haar net lukt om rond te komen, ondanks het beslag dat er sinds oktober 2025 op haar uitkering ligt.
Door de heer [schuldhulpverlener] is ter zitting aangevoerd dat [verzoekster], mede door haar eigen inspanningen, toch zo’n € 200.000,00 afbetaald heeft op de vordering van [naam 2]. Er is aan de crediteuren een spaarregeling aangeboden, waarbij toen nog niet te voorzien was dat de spaarcapaciteit van [verzoekster] zou gaan toenemen omdat haar woonlasten zijn gedaald. Dit heeft ermee te maken dat zij sinds de betrekking van het appartement in Burgum in mei van dit jaar in aanmerking komt voor huurtoeslag. De heer [schuldhulpverlener] heeft desgevraagd verklaard van mening te zijn dat [verzoekster] is opgehouden te betalen, omdat de enige reden dat er nog betaald wordt het beslag is dat er op de uitkering van [verzoekster] ligt. De heer [schuldhulpverlener] heeft tenslotte verklaard dat het een weloverwogen keuze is geweest om niet om een eerdere toegangsdatum te verzoeken. Een schone lei is wat dat betreft voor [verzoekster] de stip aan de horizon, welke stip ontbreekt bij de door [naam 2] gedane voorstellen.
5 Beoordeling
De rechtbank is op basis van de gestelde feiten en omstandigheden van oordeel dat onvoldoende is gebleken dat [verzoekster] thans verkeert in een toestand van opgehouden zijn te betalen. Alle gemaakte kosten worden voldaan, ondanks het beslag dat er ligt op haar uitkering. Gelet op de toename van de spaarcapaciteit vanwege de huurtoeslag die zij sinds mei 2026 ontvang van € 658 in maart 2025 tot € 961 in juni 2026, is naar het oordeel van de rechtbank op dit moment evenmin te voorzien dat [verzoekster] niet zal kunnen voortgaan met het betalen van haar schulden. De enkele omstandigheid dat er beslag ligt op de uitkering van [verzoekster] is onvoldoende om het bestaan van die toestand op dit moment aan te kunnen nemen dan wel het oordeel te rechtvaardigen dat die toestand zich binnenkort zal voordoen.
De verklaring van [verzoekster] dat het haar fysiek en mentaal gezien allemaal te zwaar wordt en dat zij behoefte heeft aan een stip aan de horizon, is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende voor het aannemen van deze situatie. De rechtbank betrekt ook hierbij dat de spaarcapaciteit van [verzoekster] is toegenomen en dat er door [verzoekster] geen feiten of omstandigheden zijn gesteld waaruit kan worden afgeleid dat er binnen afzienbare tijd relevante wijzigingen zullen optreden in haar inkomsten of uitgaven, waardoor zij alsnog haar verplichtingen niet meer zou kunnen nakomen. Bovendien is de rechtbank van oordeel dat met het laatste aanbod van [naam 2] om gedurende 6 jaar ongeveer de helft (€ 54.000) van het verschuldigde bedrag af te lossen, er voor [verzoekster] wel de gewenste stip aan de horizon aanwezig zou zijn, maar dat zij er zelf voor heeft gekozen hiermee niet akkoord te gaan.
Nu onvoldoende is gebleken dat [verzoekster] verkeert in een toestand van opgehouden te zijn te betalen en evenmin te voorzien is dat zij niet zal kunnen voortgaan met het betalen van haar schulden, voldoet het verzoek van [verzoekster] niet aan het hiervoor genoemde wettelijke vereisten voor toelating tot de WSNP. De rechtbank zal het verzoek om die reden dan ook afwijzen.
6 Beslissing
De rechtbank:
wijst het verzoek af.
Dit vonnis is gewezen door mr. C.H. Beuker en in het openbaar uitgesproken op 20 augustus 2026, in tegenwoordigheid van de griffier.
Tegen deze uitspraak kan degene, aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, uitsluitend via een advocaat binnen acht dagen na de dag van deze uitspraak hoger beroep instellen bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Leeuwarden.