Personen- en familierecht
Verhuiszaak. Nadat eerst de rechtbank en vervolgens het Hof de moeder geen toestemming heeft gegeven voor een…
Rechtbank Noord-Nederland, 29 november 2022
ECLI:NL:RBNNE:2022:4451 · Rechtbank Noord-Nederland · 29 november 2022
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-noord-nederland/civiel-recht/personen-en-familierecht/beschikking/ecli-nl-rbnne-2022-4451
Zaakgegevens
Op 29 november 2022 heeft de Rechtbank Noord-Nederland uitspraak gedaan in een zaak over personen- en familierecht.
- Instantie
- Rechtbank Noord-NederlandRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Groningen
- Datum uitspraak
- 29 november 2022
- Datum publicatie
- 29 november 2022
- Zaaknummer
- C/18/216337 / FA RK 22-3813
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Personen- en familierecht
- Procedure
- BeschikkingBeschikkingEen beslissing van de rechter in een zaak die met een verzoekschrift is begonnen, zoals een echtscheiding of faillissement.Meer uitleg
- Advocaat
- mr. J Scholtens, mr. M.H.O de Haas
- ECLI
- ECLI:NL:RBNNE:2022:4451
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Verhuiszaak.
Nadat eerst de rechtbank en vervolgens het Hof de moeder geen toestemming heeft gegeven voor een verhuizing, verhuist moeder toch. Het Hof geeft moeder een termijn voor terugverhuizing die zij niet benut. Zij wacht totdat zij opnieuw vervangende toestemming verzoekt, op de grond dat de kinderen inmiddels wel zijn geworteld in de nieuwe woonplaats en zij toch geen woning kan vinden. Zijn dit relevante wijzigingen van omstandigheden die een hernieuwde beoordeling rechtvaardigt? De rechter grijpt in en plaatst de kinderen bij de vader en verklaart de moeder in haar verzoeken niet-ontvankelijk.
Uitspraak
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Afdeling Privaatrecht
Locatie Groningen
zaak-/rekestnummer: C/18/216337 / FA RK 22-3813
beschikking van 30 november 2022 in de zaak van
[de vrouw] ,
die woont in [woonplaats 1] ,
en die hierna "de vrouw" wordt genoemd,
advocaat: mr. J. Scholtens, die kantoor houdt in Stadskanaal,
en
[de man] ,
die woont in [woonplaats 2] ,
en die hierna "de man" wordt genoemd,
advocaat: mr. M.H.O. de Haas, die kantoor houdt in Bergambacht.
Het procesverloop
Deze procedure is ingeleid met een verzoekschrift met bijlagen van de vrouw, dat de rechtbank heeft ontvangen op 29 augustus 2022. Daarin verzoekt de vrouw vervangende toestemming te geven om per 1 september 2022 met de kinderen van partijen te verhuizen naar [woonplaats 1] , vervangende toestemming te geven om de kinderen van partijen in te schrijven in de basisregistratie personen van die gemeente en om toestemming te geven om de kinderen van partijen in te schrijven als leerling op een basisschool in die gemeente. De vrouw heeft bovendien verzocht om voor de duur van de procedure voorlopige voorzieningen te geven die het mogelijk maken om de kinderen van partijen in te schrijven als leerling op een basisschool in [woonplaats 1]
Op 6 september 2022 heeft de rechtbank een verweerschrift van de man ontvangen. Daarin concludeert tot niet-ontvankelijkheid of afwijzing van de verzoeken van de vrouw. Daarnaast verzoekt de man om een met dwangsommen versterkte verbod van de vrouw om zich definitief te vestigen in [woonplaats 1] en haar te gebieden terug te verhuizen naar de omgeving [woonplaats 2] en op een door hem in zijn verweerschrift nader geduide wijze de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken vast te stellen dwangsom aan de zorgregeling en, ook bij wege van voorlopige voorziening, zijn alimentatieverplichting op nihil vast te stellen, een ander met veroordeling van de vrouw in de daadwerkelijke proceskosten.
Op 6 september 2022 heeft de rechtbank een akte uitlating en nadere producties van de vrouw ontvangen.
Op 8 september 2022 heeft de rechtbank een aanvullende productie van de vrouw ontvangen.
Op 9 september 2022 heeft de rechter de verzoeken om voorlopige voorzieningen te treffen mondeling behandeld. De rechter heeft toen gesproken met de vrouw, de man, hun advocaten en mevrouw [naam 1] , namens de Raad voor de Kinderbescherming, regio Noord-Nederland, locatie Groningen (hierna "de Raad").
De rechter heeft op de voet van artikel 30p Rv direct na de behandeling mondeling uitspraak gedaan. Van die mondelinge uitspraak is een proces-verbaal van mondelinge uitspraak vastgesteld.
Op 4 oktober 2022 heeft de rechtbank een verweerschrift van de man in de bodemprocedure ontvangen. Daarin concludeert hij tot niet-ontvankelijkheid van de vrouw of tot afwijzing van haar verzoeken in de bodemprocedure. Daarnaast verzoekt de man in de bodemprocedure dezelfde met dwangsommen te versterken voorzieningen als hij eerder als provisionele verzocht.
Op 18 oktober 2022 heeft de rechtbank een aanvullend verweerschrift in de bodemprocecure ontvangen inhoudend een zelfstandig verzoek met aanvullende producties van de man ontvangen. Dit aanvullend verzoek ziet op de verdeling van de kosten voor de verzorging en opvoeding van de minderjarige kinderen van partijen (hierna "de kinderalimentatie").
Op 28 oktober 2022 heeft de rechtbank een verweerschrift zelfstandige verzoeken tevens akte indienen producties ontvangen van de vrouw. Ook heeft de rechtbank op 28 oktober 2022 een brief van [de minderjarige 1] ontvangen.
Op 31 oktober 2022 heeft de rechtbank een reactie op verweerschrift zelfstandige verzoeken tevens akte indienen producties ontvangen van de man.
Op 2 november 2022 is het verzoek mondeling behandeld. De rechter heeft toen gesproken met de vrouw, de man, hun advocaten en [naam 2] , die de Raad vertegenwoordigt.
Ten slotte is bepaald dat vandaag deze beschikking wordt gegeven.
De feiten
De rechtbank kan bij de beoordeling van het geschil uitgaan van de volgende feiten, die blijken uit de onweersproken gebleven inhoud van de stukken en de daarop tijdens de mondelinge behandeling gegeven toelichting.
Partijen zijn op [huwelijksdatum] met elkaar gehuwd. Zij zijn de ouders van de nu acht jaar oude [de minderjarige 1] , die is geboren op [geboortedatum 1] in [geboorteplaats 1] , en de nu vijf jaar oude [de minderjarige 2] , die is geboren op [geboortedatum 2] in [geboorteplaats 2] .
Partijen oefenen samen het gezag uit over [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] .
Op [datum] is het huwelijk van partijen door echtscheiding ontbonden.
De kinderen hebben hun hoofdverblijfplaats bij de vrouw.
De ouders zijn in het ouderschapsplan een regeling overeengekomen die erop neerkomt dat de kinderen één weekend in de veertien dagen van vrijdag ongeveer 17.00 uur tot en met zondag ongeveer 16.00 uur bij de man zullen zijn, dat de man de kinderen doordeweeks kan zien en dat in overleg kan worden afgesproken dat de man de kinderen naar school kan brengen of ophalen uit school.
Partijen hebben in het ouderschapsplan verder onder andere het volgende opgenomen:
"6.4 Verhuizen van één van de ouders.
-
De ouders spreken af om niet te ver vanaf het huidige adres te gaan wonen totdat het jongste kind 16 jaar is. Het zou fijn zijn wanneer de kinderen tussen beide ouders kunnen reizen.
-
De ouders informeren elkaar tenminste drie maanden van te voren wanneer één van hen gaat verhuizen.
-
Als één van de ouders door een werkgever verplicht wordt om ver weg te gaan wonen, dan spreken de ouders af om er voor te zorgen dat het contact met de kinderen zo goed mogelijk wordt gehandhaafd."
In de herfstvakantie van 2021 is de vrouw met [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] naar [woonplaats 1] verhuisd. De kinderen gingen daar naar de openbare basisschool [naam basisschool 1] , zonder dat zij op die school werden ingeschreven (zij zijn naar de school gegaan als “gasten”).
Bij beschikking van de rechtbank Den Haag van 14 april 2021 heeft de rechtbank de verzoeken van de vrouw tot vervangende toestemming voor verhuizing van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] naar [woonplaats 1] , vervangende toestemming voor inschrijving in de basisregistratie personen en op een basisschool afgewezen.
Bij vonnis van de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag van 29 november 2021 is de vrouw, op straffe van een dwangsom van € 350,- voor iedere keer dat zij deze regeling niet nakomt met een maximum van € 10.000,00 veroordeeld tot het verlenen van haar medewerking aan een voorlopige zorgregeling. De vorderingen van de man, samengevat het aan de vrouw op te leggen gebod om naar de gemeente [gemeentenaam] terug te verhuizen onder oplegging van een dwangsom, en de vordering van de vrouw, strekkende tot het verlenen van vervangende toestemming voor verhuizing naar [woonplaats 1] en de inschrijving van de kinderen in de basisadministratie personen en een basisschool, zijn afgewezen.
Bij beschikking van het gerechtshof Den Haag van 13 april 2022 heeft het hof de beschikking van de rechtbank Den Haag van 14 april 2021 bekrachtigd.
De rechter heeft tijdens de mondelinge behandeling van 9 september 2022 op de voet van artikel 30p Rv mondeling uitspraak gedaan. De rechter heeft beslist dat, voorlopig, voor de duur van de bodemprocedure:
-
de vrouw [de minderjarige 1] , die is geboren op [geboortedatum 1] in ' [geboorteplaats 1] , en [de minderjarige 2] , die is geboren op [geboortedatum 2] in [geboorteplaats 2] , één week na heden, op 16 september 2022 om 18.30 uur, bij de man brengt en dat de kinderen doordeweeks bij de man zullen verblijven, zolang de vrouw niet is terug verhuisd naar de regio [woonplaats 2] , onder verbeurte van een dwangsom van € 350,00 voor iedere dag dat de vrouw zich niet aan deze beslissing houdt, met een maximum van € 3.500,00;
-
[de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] met onmiddellijke ingang onderwijs zullen volgen op de school waar zij staan ingeschreven, zijnde basisschool [naam basisschool 2] in [plaats] , en bepaalt dat beide ouders daaraan hun medewerking verlenen;
-
[de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] , gedurende de periode waarin de vrouw woonachtig is in [woonplaats 1] en de kinderen doordeweeks bij de man verblijven, één weekend per veertien dagen van vrijdag tot en met zondag bij de vrouw zullen verblijven, waarbij de vrouw de kinderen op vrijdag uit school ophaalt en hen op zondag om 18.30 uur terugbrengt bij de man, en dat op woensdag een videobelmoment plaatsvindt, een en ander onder verbeurte van een dwangsom van € 350,00 per keer dat de vrouw deze regeling niet nakomt, met een maximum van € 3.500,00;
-
de beslissingen uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard;
-
de vrouw wordt veroordeeld in de kosten van deze procedure, tot aan deze uitspraak aan de zijde van de man begroot op € 1.440,00;
-
het meer of anders verzochte wordt afgewezen.
De vrouw heeft op 13 september 2022 de rechter schriftelijk gewraakt. Op 19 september 2022 heeft de wrakingskamer de vrouw in haar wrakingsverzoek niet-ontvankelijk verklaard. afgewezen.
Er is vervolgens uitvoering gegeven aan de door opgelegde voorlopige voorziening en [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] wonen sinds 16 september 2022 bij de man.
De beoordeling
Waar gaat het in deze zaak om?
De vrouw wil graag dat de rechter vervangende toestemming verleent voor verhuizing van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] naar [woonplaats 1] , hun inschrijving in de basisregistratie personen van die gemeente en voor hun inschrijving op een basisschool in die gemeente. De man vindt dat deze verzoeken moeten worden afgewezen. Hij vindt dat de kinderen bij hem moeten wonen, zolang de vrouw de eerder gegeven rechterlijke uitspraken niet nakomt en nog niet is terugverhuisd naar de omgeving [woonplaats 2] . Voor zolang als die situatie duurt verzoekt de man een wijziging van de zorgregeling. De man voert aan dat de vrouw zich niet houdt aan rechterlijke uitspraken en dat hij daarom wil dat de rechter bepaalt dat als de vrouw zich niet aan die regeling houdt, zij een dwangsom verbeurt. Verder verzoekt de man om de vrouw te veroordelen in de werkelijke kosten van de procedure, de door hem aan de vrouw te betalen kinderalimentatie op nihil te stellen en te bepalen dat de vrouw de reeds betaalde kinderalimentatie sinds 16 september 2022 terugbetaalt aan de man.
Kan de rechter het verzoek van de vrouw inhoudelijk behandelen?
Bij beantwoording van deze vraag gaat de rechter uit van de navolgende feiten die tussen partijen niet in geschil zijn.
De vrouw accepteert op 1 januari 2021 een baan bij het bedrijf van haar moeder in [woonplaats 1] . Op 1 februari 2021 dient de vrouw een verzoekschrift in bij de rechtbank Den Haag en verzoekt zij om haar vervangende toestemming te verlenen voor een verhuizing naar [woonplaats 1] omdat de man de benodigde toestemming voor verhuizing niet verleent. Op 14 april 2021 wijst de rechtbank het verzoek van de vrouw af en is voor de vrouw duidelijk dat zij niet mag verhuizen. De vrouw gaat op 16 juni 2021 in hoger beroep tegen de beschikking van de rechtbank Den Haag.
In oktober 2021 verhuist de vrouw met de kinderen naar [woonplaats 1] zonder toestemming van de man, na afwijzing van haar verzoek door de rechtbank en zonder de hoger beroepsprocedure af te wachten. Op 9 maart 2022 vindt de zitting bij het Hof Den Haag plaats en bij beschikking van 13 april 2022 wordt de uitspraak van de rechtbank Den Haag bekrachtigd. Wederom wordt bevestigd dat de vrouw geen toestemming heeft om te verhuizen. In de overwegingen van de beschikking van 13 april 2022 geeft het Hof de vrouw een termijn om de terugverhuizing te organiseren. Aangegeven wordt dat het Hof er van uitgaat dat de kinderen uiterlijk vóór het einde van de zomervakantie van 2022 weer naar school gaan in hun oude omgeving. Hiermee krijgt de vrouw een aantal maanden om woonruimte te vinden.
De vrouw dient op 29 augustus 2022 (wederom) een verzoekschrift vervangende toestemming verhuizing in. De vrouw heeft in deze (derde) (bodem-)procedure eveneens een voorlopige voorziening gevraagd, die erop gericht is dat voor de duur van deze procedure de kinderen worden ingeschreven op de school in de plaats waar zij woont. De rechter heeft op 9 september 2022 mondeling uitspraak gedaan in de voorlopige voorziening inhoudende dat de kinderen vanaf 16 september 2022 doordeweeks bij de man zullen verblijven zolang de vrouw niet is terugverhuisd naar de regio [woonplaats 2] . Het verzoek van de vrouw om de kinderen gedurende de duur van de procedure in [woonplaats 1] naar school te laten gaan, wijst de rechter dus af.
Op 13 september 2022 heeft de vrouw een verzoek ingediend tot wraking van de rechter. Dit verzoek is op 19 september 2022 afgewezen.
Tegen deze achtergrond staat te beoordelen of zich na het geven van deze drie rechterlijke uitspraken een relevante wijziging van omstandigheden heeft voorgedaan die een hernieuwde beoordeling rechtvaardigen van de vraag of de vrouw met de kinderen naar [woonplaats 1] mag verhuizen.
Bij die beoordeling gaat de rechter uit van wat de vrouw daarover stelt. Zij stelt, samengevat weergegeven, (i) dat de kinderen zijn geworteld in [woonplaats 1] zodat hun belang met zich brengt dat zij daar mogen blijven wonen en (ii) dat zij geen woonruimte kan vinden in de omgeving van de man zoals nodig zou zijn om uitvoering te geven aan de verdeling van zorg- en opvoedingstaken zoals eerder door partijen is overeengekomen en door de rechter is vastgesteld.
Ten aanzien van de door de vrouw aangevoerde omstandigheden wordt als volgt overwogen.
De rechter neemt in overweging dat het standpunt van de vrouw (i) dat de kinderen zijn geworteld in de woonplaats van de vrouw, voor zover dat al heeft gegolden, inmiddels is achterhaald. De kinderen verblijven immers inmiddels weer in de hen vertrouwde woon- en sociale omgeving bij hun vader. Zij zijn ook weer in hun vertrouwde omgeving naar de school waar zij altijd naar toe zijn gegaan.
In zoverre mist de stelling van de vrouw dat sprake is van gewijzigde omstandigheden doel.
De tweede feitelijke, gewijzigde omstandigheid die de vrouw stelt komt erop neer dat zij geen geschikte woonruimte in de geografische nabijheid van de man kan vinden.
Die stelling heeft de vrouw onvoldoende concreet onderbouwd. De vrouw heeft louter producties in het geding gebracht waaruit blijkt dat zij gedurende twee maanden woonruimte heeft gezocht (in een voor haar onbereikbare prijsklasse) in een geografische omgeving van de man. Uit wat de vrouw stelt volgt dat zij ook in dit verband zich niet heeft gehouden aan wat het Hof heeft overwogen en beslist. Niet kan blijken dat de vrouw binnen de door het Hof daarvoor gegeven termijn heeft gezocht naar mogelijkheden om terug te verhuizen naar een plek op een zodanige geografische afstand van de man dat, de eerder overeengekomen en eerder door de rechter vastgestelde zorgregeling, kan worden uitgevoerd. In tegendeel; de vrouw is verhuisd naar [woonplaats 1] en heeft op geen enkel moment aantoonbaar getracht terug te verhuizen.
Ware dat al anders, dan valt niet in te zien dat de door de vrouw gestelde onmogelijkheid om woonruimte te vinden, die louter het gevolg is van haar eigen beslissing om zich niet te houden aan wat rechters hebben beslist, ertoe zou moeten leiden dat de kinderen dan bij haar zouden moeten komen te wonen, in aanmerking genomen dat de man, die zich wel houdt aan rechterlijke uitspraken, dan zijn rol als verzorgende en opvoedende ouder zou kwijt raken.
De man en de Raad hebben een duidelijk standpunt ingenomen. Zij vinden niet dat sprake is van een relevante wijziging van omstandigheden en zij vinden dat het verzoek om vervangende toestemming voor verhuizing opnieuw moet worden afgewezen. De man en de Raad baseren hun standpunt op de vaststelling dat de door de vrouw gestelde omstandigheden louter het gevolg zijn van haar eigen beslissing om zich niet te houden aan rechterlijke beslissingen en toch te verhuizen en niets afdoen aan de feiten en omstandigheden die nu tot drie maal toe door de rechters zijn getoetst.
De rechter begrijpt dat standpunt en constateert dat wat de man en de raad aanvoeren feitelijk juist is.
Een en ander leidt tot de slotsom dat de vrouw niet kan worden ontvangen in haar verzoek om vervangende toestemming te verlenen tot verhuizing.
Hoe beslist de rechter op de verzoeken van de man?
Er heeft zich wel een relevante wijziging van omstandigheden voorgedaan die met zich brengt dat de man in zijn verzoeken kan worden ontvangen. Immers, de eerder overeengekomen en vastgestelde zorgregeling kan door de keuzes die de vrouw heeft gemaakt niet meer worden nagekomen als de vrouw niet terugverhuist.
De man heeft enkele zelfstandige verzoeken ingediend die er op neer komen dat de kinderen doordeweeks bij de man zullen verblijven en bij hem staan ingeschreven zolang de vrouw niet is terugverhuisd. Ook wil de man dat gedurende de periode dat de vrouw niet in de buurt van de man woont een zorgregeling heeft te gelden waarbij de kinderen twee weekenden per maand bij de vrouw verblijven waarbij de vrouw kinderen op vrijdag uit school haalt en hen op zondag om 18.30 uur terugbrengt bij de man, een en ander onder verbeurte van een dwangsom.
Daarnaast wil de man dat zodra de vrouw in de regio [woonplaats 2] woont de eerder overeengekomen en vastgestelde zorgregeling wordt gewijzigd zoals de man voorstelt in zijn verweerschrift tevens houdende zelfstandige verzoeken onder punt 75.
De man verzoekt daarnaast om nihilstelling van de door hem aan de vrouw te betalen kinderenalimentatie met ingang van 16 september 2022 tot aan de datum waarop de kinderen weer (doordeweeks) bij de vrouw zullen verblijven op nihil te stellen en te bepalen dat de vrouw de kinderalimentatie die de man in deze periode reeds aan de vrouw heeft voldaan zijnde € 567,- aan hem terugbetaald. Tot slot verzoekt de man de vrouw in de werkelijke kosten van deze procedure te veroordelen.
De vrouw heeft verweer ingediend tegen de zelfstandige verzoeken van man. Zij vindt dat de verzoeken van de man moeten worden afgewezen omdat, samengevat weergegeven, deze niet in het belang van de kinderen zijn. De vrouw verwijst telkens naar het welzijn van de kinderen in die zin dat de man de zorg- en opvoedingstaken niet goed uitvoert en het met de kinderen niet goed gaat als zij bij de man verblijven.
In de eerste plaats overweegt de rechter dat voor zover er een geschil bestaat over de hoofdverblijfplaats van de kinderen, de hoofdverblijfplaats van een kind alleen kan en behoort te worden vastgesteld bij de ouder waar het kind het grootste deel van de tijd doorbrengt. Bij die ouder wordt een kind ingeschreven bij de gemeente. Door die inschrijving is de hoofdverblijfplaats belangrijk voor de Belastingdienst (toeslagen, alleenstaande ouderkop, kindgebonden budget) en de Sociale Verzekeringsbank (kinderbijslag). De overheid maar ook bijvoorbeeld een ziekenhuis, huisarts of tandarts stuurt brieven die betrekking hebben op een kind bovendien naar het adres van de ouder waar het kind staat ingeschreven.
Op grond van de feitelijke situatie verblijven beide kinderen het grootste deel van de tijd bij hun vader, zodat zij op zijn adres behoren te worden ingeschreven. De rechter wijst in dit verband op de Wet Basisregistratie Personen die aan ouders in artikel 2.48 de bestuursrechtelijke verplichting oplegt om hun minderjarige kind bij hen in te schrijven indien dat kind daar feitelijk het woonadres heeft. Het is op grond van deze wet en dit artikel dat wanneer een kind overwegend bij één ouder verblijft, het kind bij die ouder moet worden ingeschreven.
Voor het overige wordt als volgt overwogen.
De rechter is van oordeel dat een logisch gevolg van alle rechterlijke beslissingen is, dat zolang de vrouw niet is terugverhuisd naar de omgeving van de man, de kinderen doordeweeks bij de man zullen verblijven. De vrouw voert weliswaar veel omstandigheden aan waaruit zou moeten blijken dat de man niet goed voor de kinderen zorgt maar deze omstandigheden worden gemotiveerd betwist door de man. Daar komt bij dat naar het oordeel van de rechter uit niets blijkt dat het niet goed gaat met de kinderen als zij bij de man zijn. De rechter wijst de ouders erop dat mocht al sprake zijn van gedragsproblemen bij kinderen, hetgeen niet is komen vast te staan, dit in veel gevallen terug te voeren is op ouderlijke strijd en dat op het moment dat de strijd verdwijnt en ouders gaan samenwerken op ouderniveau eventuele gedragsproblemen verdwijnen. De rechter zal het verzoek van de man dan ook toewijzen.
De rechter ziet aanleiding om het halen en brengen thans zo te verdelen dat de vrouw de kinderen op vrijdag uit school haalt en de man de kinderen op zondag terugbrengt naar de vrouw. Redengevend hiervoor is dat de rechter het in het belang van beide kinderen wenselijk vindt dat beide ouders een rol spelen in het halen en brengen en daarmee laten zien dat zij het belangrijk vinden dat beide kinderen contact hebben met hun beide ouders.
De rechter zal daarom de voorzieningen geven waarom de man verzoekt. Hij zal die voorzieningen versterken met een dwangsom, omdat de vrouw zich in de afgelopen jaren heeft laten zien dat zij rechterlijke uitspraken naast zich neerlegt. De dwangsommen worden ambtshalve gemaximeerd op de hierna te bepalen wijze.
Een logisch gevolg is eveneens dat de kinderalimentatie op nihil wordt gesteld gedurende de periode dat de vrouw niet is terugverhuisd naar een plaats in de omgeving van [woonplaats 2] . De rechter zal het verzoek van de man om terugbetaling van € 567,- afwijzen nu de vrouw dit verzoek heeft bestreden en de man zijn verzoek niet met stukken heeft onderbouwd.
De proceskosten
De rechter vindt dat de vrouw haar verzoeken tegen beter weten heeft ingesteld en daarin ook heeft volhard en daarmee de man bij herhaling in de positie heeft gebracht dat hij moet blijven procederen om zijn door rechters vastgestelde rechten ten aanzien van zijn rol in de opvoeding en verzorging verwezenlijk te krijgen. De wijze waarop en het moment waarop de vrouw deze procedure is begonnen levert naar het oordeel van de rechtbank misbruik van recht op. Hij zal de vrouw daarom veroordelen in de daadwerkelijke proceskosten van de man die onweersproken gebleven aan de rechtbank zijn voorgerekend op € 3.705,63.
De beslissing
De rechter:
verklaart de vrouw niet-ontvankelijk in haar verzoeken;
zelfstandige verzoeken van de man
bepaalt dat de kinderen doordeweeks bij de man zullen verblijven, zolang de vrouw niet is terugverhuisd naar een plaats in de omgeving van [woonplaats 2] met een reisduur in normale omstandigheden van niet meer dat dertig minuten van [woonplaats 2] vandaan en te bepalen dat de kinderen gedurende deze periode, met ingang van 16 september 2022, bij de man zullen worden ingeschreven;
bepaalt dat gedurende de periode waarin de vrouw niet woonachtig is in een plaats in de omgeving van [woonplaats 2] en de kinderen doordeweeks bij de man verblijven, de kinderen gedurende twee weekenden per maand bij de vrouw verblijven; waarbij de vrouw de kinderen op vrijdag uit school ophaalt en de man de kinderen op zondagavond om 18.30 uur weer terugbrengt, een en ander onder verbeurte van een dwangsom van € 350,- per keer dat de vrouw de zorgregeling niet nakomt, met een maximum van € 3.500,--
bepaalt de bijdrage die de man aan de vrouw moet voldoen in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen op nihil zolang de vrouw niet is terugverhuisd naar een plaats in de omgeving van [woonplaats 2] ;
bepaalt dat zodra de vrouw weer woonachtig is in de regio [woonplaats 2] de zorgregeling zoals deze is opgenomen in het door partijen ondertekende ouderschapsplan wordt aangevuld en gewijzigd, op de navolgende wijze:
1. de kinderen verblijven gedurende de ene maand twee weekenden en de andere maand gedurende drie weekenden bij de man, van vrijdag uit school tot zondagavond 18.30 uur, waarbij de ouder bij wie de kinderen verblijven de kinderen bij de andere ouder brengt op het moment dat er gewisseld wordt;
2. op iedere 28e van de maand maken partijen afspraken over het wekelijkse, doordeweekse omgangsmoment, waarbij de man de kinderen uit school haalt en hij hen de volgende ochtend naar school brengt;
3. Iedere week, te weten op iedere woensdag (of in overleg op een andere doordeweekse dag), vindt een videobelmoment plaats;
4. het verblijf gedurende de vakanties, feestdagen en bijzondere dagen wordt bij helfte verdeeld, en wel als volgt:
zomervakantie: 50/50 verdelen, in de oneven jaren heeft de man de eerste keus, uiterlijk in februari van dat jaar communiceert de man dit aan de vrouw, in de even jaren heeft de vrouw de eerste keus, uiterlijk in februari van dat jaar communiceert de vrouw dit aan de man;
herfstvakantie: in de even jaren bij de man, in de oneven jaren bij de vrouw;
kerstvakantie: 50/50 verdelen, in de oneven jaren heeft de man de eerste keus tussen 1e of 2e kerstdag (10.00 uur 's ochtends tot de volgende 10.00 uur), en: in de oneven jaren 1e keus tussen 1e week vakantie en oud- en nieuwjaarsdag tot 12.00 uur of 2e vakantie vanaf nieuwjaarsdag 12.00 uur, in de even jaren heeft de vrouw de eerste keus tussen 1e of 2e kerstdag (10.00 uur 's ochtends tot de volgende 10.00 uur), en: in de oneven jaren 1e keus tussen 1e week vakantie en oud- en nieuwjaarsdag tot 12.00 uur of 2e vakantie vanaf nieuwjaarsdag 12.00 uur
voorjaarsvakantie: in de oneven jaren heeft de man de eerste keus, in de even jaren heeft de vrouw de eerste keus
meivakantie: in de even jaren heeft de man de eerste keus, in de oneven jaren heeft de vrouw de eerste keus
veroordeelt de vrouw in de proceskosten die aan de zijde van de man tot op heden worden begroot op € 3.705,63.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af wat meer of anders is verzocht.
|
Deze beschikking is gegeven door mr. B.R. Tromp, (kinder)rechter, en in het openbaar uitgesproken op 30 november 2022. |
||
|
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld: - door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak, - door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden. Het hoger beroep moet door een advocaat worden ingesteld bij het gerechtshof |
||
fn: MFdV