Personen- en familierecht

De minderjarige is met spoed door de GVI bij de pleegouders weggehaald, waar hij al 6 jaar verblijft, en in…

Rechtbank Noord-Nederland, 31 december 2014

Zaakgegevens

Op 31 december 2014 heeft de Rechtbank Noord-Nederland in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over personen- en familierecht.

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Zittingsplaats
Groningen
Datum uitspraak
31 december 2014
Datum publicatie
27 oktober 2015
Zaaknummer
C/18/147872 / JE RK 14-245
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBNNE:2014:6866
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

De minderjarige is met spoed door de GVI bij de pleegouders weggehaald, waar hij al 6 jaar verblijft, en in een crisispleeggezin geplaatst.

De rechtbank is verzocht op grond van artikel 1:336a BW hiervoor vervangende toestemming te verlenen in de plaats van de toestemming van de pleegouders. De pleegouders hebben zich beroepen op het blokkaderecht.

Er heeft een uitgebreid deskundigenonderzoek plaatsgevonden.

De conclusie van dit onderzoek is dat er bij pleegouders geen sprake is van contra-indicatie om de minderjarige te verzorgen en op te voeden.

De bijzondere curator en de Raad staan achter een terugplaatsing van de minderjarige bij de pleegouders.

Sinds de minderjarige in het crisispleeggezin verblijft gaat het bergafwaarts met hem.

De organisatorische problemen, er is geen sprake meer van een pleegzorgcontract, wegen niet op tegen het belang van de minderjarige tot onmiddellijke terugplaatsing bij de pleegouders.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Privaatrecht

Locatie: Groningen

zaaknr.: C/18/147872 / JE RK 14-245

beschikking d.d. 31 december 2014

in de zaak van

De William Schrikker Groep, Jeugdbescherming en Jeugdreclassering,

gevestigd te 1100 AR Amsterdam, Postbus 12685

verzoeker

hierna te noemen de WSG,

vertegenwoordigd door de heer [naam] en mevrouw [naam] .

met betrekking tot de minderjarige

[naam] (roepnaam [naam] ), geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

bijzondere curator mr. P.B. Rietberg.

De rechtbank heeft als belanghebbenden aangemerkt:

Mevrouw [belanghebbende] en de heer [belanghebbende] , de pleegouders van voornoemde minderjarige,

advocaat mr. M.B.A. de Bruijn;

mevrouw [naam] , de moeder van voornoemde minderjarige;

de heer [naam] de vader van voornoemde minderjarige, advocaat mr. C. Kamp-Wiggers.

PROCESGANG

De rechtbank heeft op 20 mei 2014, op 9 juli 2014 en op 19 augustus 2014 beschikkingen gegeven.

Op verzoek van de kinderrechter heeft mevrouw drs. A. de Jong, GZ-psycholoog, domicilie kiezend bij het NIFP Groningen, onderzoek ingesteld en hierover op 16 december 2014 rapport uitgebracht met betrekking tot de minderjarige en de pleegmoeder. Voorts is op verzoek van de rechtbank door mevrouw drs. J. Hamel, GZ-psycholoog, domicilie kiezend bij het NIFP Groningen, onderzoek ingesteld en op 16 december 2014 rapport en advies uitgebracht onder meer betrekking hebbend op de pleegvader en [naam] , de pleegbroer van [de minderjarige].

Op 9 december 2014 is ter griffie van de rechtbank een faxbericht binnengekomen van de WSG.

Op 23 december 2014 is ter griffie van de rechtbank een faxbericht ontvangen van de bijzondere curator van de minderjarige.

Op 23 december 2014 is ter griffie van de rechtbank een faxbericht, met bijlagen, ontvangen van de advocaat van de pleegouders.

De minderjarige [naam] is op 31 december 2014 door de kinderrechter gehoord.

De rechtbank heeft de behandeling van de zaak voortgezet ter zitting met gesloten deuren op 31 december 2014. Verschenen en gehoord zijn mevrouw [naam] en de heer [naam] namens de WSG, de advocaat van de vader, mr. U. van Ophoven namens mr. C. Kamp-Wiggers, de moeder van de minderjarige, de pleegouders, bijgestaan door hun advocaat en de heer [naam], namens de Raad voor de Kinderbescherming (de Raad) te Groningen.

De bijzondere curator is, met bericht van verhindering, niet verschenen.

OVERWEGINGEN

Vaststaande feiten

  • de biologische ouders van [de minderjarige] (roepnaam [naam] ), geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] zijn:

  • [naam] en [naam] ;

  • de ouders zijn bij beschikking van de meervoudige kamer van deze rechtbank d.d. 9 augustus 2011 als gezag dragende ouders ontheven van het gezag over voornoemde minderjarige;

  • de WSG is belast met de uitvoering van de voogdij;

  • de minderjarige verbleef van 16 mei 2006 tot 17 april 2014 in het pleeggezin van [naam] en [naam] hierna te noemen de pleegouders;

  • van 17 april 2014 tot heden verblijft [de minderjarige] in een crisispleeggezin.

De rechtbank neemt hier over hetgeen is overwogen en beslist bij beschikkingen d.d. 20 mei 2014, 9 juli 2014 en 19 augustus 2014.

In laatstgenoemde beschikking is mevrouw drs. A. de Jong, GZ-psycholoog, verzocht onderzoek in te stellen naar [de minderjarige] en naar de pleegmoeder op grond van de in die beschikking gestelde onderzoeksvragen en hierover rapport en advies uit te brengen aan de rechtbank.

Voorts is mevrouw drs. J. Hamel, GZ-psycholoog, bij beschikking d.d. 19 augustus 2014 verzocht onderzoek in te stellen naar onder meer de pleegvader en Nelis Balk, het pleegbroertje van [de minderjarige], op grond van de in die beschikking gestelde onderzoeksvragen.

beoordeling door de rechtbank

De WSG heeft, omdat [de minderjarige] ten minste een jaar bij de pleegouders heeft verbleven, de instemming van de pleegouders nodig om zijn verblijfplaats te wijzigen. De pleegouders hebben hun instemming daartoe geweigerd.

Gelet op de door Elker Pleegzorg ingeschatte onveilige situatie bij de pleegouders heeft Elker Pleegzorg op 17 april 2014 het pleegzorgcontract met onmiddellijk ingang eenzijdig opgezegd.

Op grond hiervan voelde de WSG zich genoodzaakt om [de minderjarige] op 17 april 2014 uit huis te plaatsen in een crisispleeggezin. Vervolgens heeft de WSG de rechtbank verzocht om vervangende toestemming te verlenen, in de plaats van de toestemming van de pleegouders, voor wijziging van het verblijf van [de minderjarige].

De rechtbank overweegt het volgende.

[de minderjarige] heeft gedurende 8 aaneengesloten jaren bij de pleegouders gewoond, waarvan 6 jaar samen met zijn pleegbroer [naam].

Gelet op het uitvoerige onderzoek dat door twee onafhankelijke GZ-psychologen, mevrouw drs. A. de Jong en mevrouw drs. J. Hamel, is uitgevoerd en de daarover uitgebrachte rapportage is de rechtbank van oordeel dat er geen gronden zijn om op de voet van artikel 1:336a, lid 2 Burgerlijk Wetboek, vervangende toestemming te verlenen tot wijziging van de verblijfplaats van de minderjarige, omdat dit niet in het belang van de minderjarige is.

Uit de overgelegde rapportage is onder meer gebleken dat er geen aanwijzingen zijn voor een vermoeden van seksueel misbruik van [de minderjarige] door de pleegmoeder en dat noch bij de pleegouders noch bij de twee kinderen sprake is van een verstoorde seksualiteit. Voorts is niet gebleken van mishandeling van de kinderen door de pleegouders.

Voorts is uit de rapportage gebleken dat door de plotselinge uithuisplaatsing van [de minderjarige] van de pleegouders Bijl naar een crisis pleeggezin hem een veilige en vertrouwde plek is ontnomen.

Binnen dit pleeggezin heeft [de minderjarige] consequent aangegeven dat hij teruggeplaatst wil worden bij de pleegouders Bijl. Hij gaat het contact met de huidige pleegouders uit de weg. Hij is bang voor alles en iedereen.

Er is bij [de minderjarige] sprake van ernstige gedragsproblematiek zowel internaliserend als externaliserend; dit blijkt o.a. uit het gegeven dat hij 15 kilo is afgevallen in de periode dat [de minderjarige] verblijft in het crisis pleeggezin. Er is sprake van een achterstand in de sociale en emotionele ontwikkeling. Voorts is er sprake van een gevoel van onveiligheid en een sterke afhankelijkheid. [de minderjarige] heeft een laag zelfbeeld en een zwakke realiteitstoetsing.

Mevrouw mr. P.B. Rietberg, de bijzondere curator van de minderjarige, heeft naar aanleiding van de uitgebrachte rapportage aangegeven dat nu de pleegouders niets op strafrechtelijk gebied te verwijten valt en ook niet in de normale omgang met de kinderen, zij het in het belang van de minderjarige (alsmede diens pleegbroer) acht dat hij, samen met zijn pleegbroer, wordt teruggeplaatst bij zijn pleegouders en dat hij in dit gezin op een stabiele manier kan opgroeien zodat hij niet langer in zijn ontwikkeling wordt bedreigd.

De pleegouders hebben ter zitting desgevraagd medegedeeld dat zij de onderzoeken als erg intensief hebben ervaren en dat zij verdrietig en boos zijn over de gang van zaken. De pleegouders hebben steeds het belang van de kinderen voor ogen gehad. De pleegouders zijn reeds geruime tijd op de hoogte van de uitlatingen van Y, een voormalig pleegkind. De door Y geuite beschuldigingen van seksueel misbruik door met name de pleegmoeder hebben nimmer plaatsgevonden. Y was voor de plaatsing bij de pleegouders ernstig seksueel misbruikt. De pleegouders waren hiervan op de hoogte en hebben diverse malen tevergeefs om hulp gevraagd bij bjz.

De pleegouders kunnen zich volledig vinden in de uitkomsten van de onderzoeken van de GZ-psychologen.

Namens de vader is ter zitting medegedeeld dat zijn standpunt niet is gewijzigd. Hij vindt dat [de minderjarige] bij de familie Bijl hoort en zo snel mogelijk moet worden teruggeplaatst. De vader staat volledig achter de inhoud van de rapportage van de beide deskundigen.

De moeder is dezelfde mening toegedaan. Ook zij vindt dat [de minderjarige] teruggeplaatst moet worden bij de pleegouders.

De raadsvertegenwoordiger heeft gesteld dat sprake is geweest van een gedegen onderzoek door de GZ-psychologen en adviseert om de uitslag van het onderzoek te volgen. De uithuisplaatsing van [de minderjarige] is niet goed voor hem geweest. [de minderjarige] heeft kenbaar gemaakt dat hij terug wil naar de pleegouders. Er moet duidelijkheid en zekerheid komen voor de minderjarige. De afgelopen periode heeft er toe geleid dat er een vertraging is ontstaan in de sociaal emotionele ontwikkeling van [de minderjarige]. [de minderjarige] en zijn pleegbroertje moeten samen worden teruggeplaatst. Dat is in hun beider belang.

Er is voor de rechtbank geen reden om te twijfelen aan de uitkomst van de onderzoeken.

De voornoemde deskundigen hebben geen enkele aanwijzingen gevonden, noch bij de minderjarige, noch bij de pleegouders, dat er sprake zou zijn geweest van seksueel misbruik door de pleegmoeder of van mishandeling.

Dat recentelijk zou zijn gebleken (volgens bjz) van betrouwbare verklaringen van het voormalige pleegkind Y omtrent het vermoeden van seksueel misbruik van dit voormalige pleegkind, maar vermoedelijk ook van [de minderjarige], door de pleegmoeder, leidt niet tot een ander oordeel, nu, zoals reeds eerder is overwogen, daartoe geen aanwijzingen zijn gevonden.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat er geen contra-indicaties zijn om [de minderjarige] op zo kort mogelijke termijn terug te plaatsen bij de pleegouders.

Van de zijde van de WSG is ter zitting gesteld dat zij het verzoek willen intrekken maar dat zij daarbij op organisatorische problemen stuiten omdat Elker Pleegzorg het pleegzorgcontract heeft opgezegd en omdat het contact tussen [de minderjarige] en zijn biologische ouders gewaarborgd dient te blijven.

De door de WSG aangevoerde organisatorische problemen bij terugplaatsing van [de minderjarige] bij de pleegouders - er is immers geen sprake meer van een pleegzorgcontract - wegen naar het oordeel van de rechtbank niet op tegen het belang van de minderjarige op een onmiddellijke terugplaatsing bij de pleegouders.

[de minderjarige] is een ernstig beschadigde jongen die in het crisispleeggezin rand-psychotische problemen heeft laten zien. Voorts is hij de afgelopen periode sterk in gewicht afgenomen, waardoor toediening van sondevoeding is overwogen.

Overigens is de rechtbank van oordeel dat de pleegouders in staat zijn [de minderjarige] in de huidige situatie op te vangen en te begeleiden zonder bemoeienis van een pleegzorgwerker. Daarbij overweegt de rechtbank dat er van zijde van de pleegouders een groot wantrouwen is ontstaan ten opzichte van Pleegzorg Elker en ten opzichte van de WSG. Wel is het noodzakelijk dat de aangestelde jeugdcoach voor [de minderjarige] gehandhaafd blijft.

De pleegouders hebben overigens reeds een verzoek ingediend om de voogdij aan hen op te dragen.

Voorts hebben de pleegouders ter zitting gesteld weinig problemen meer te hebben met het contact tussen [de minderjarige] en zijn biologische ouders en met name de biologische vader.

Het verzoek van de WSG om vervangende toestemming tot plaatsing van [de minderjarige] elders te verlenen, zal worden afgewezen.

Deze beschikking zal gedurende 6 maanden van kracht zijn. Indien voor ommekomst van deze termijn een verzoek als bedoeld in artikel 299a BW (een verzoek van de pleegouders om hen met de voogdij over [de minderjarige] te belasten) aanhangig is gemaakt, hetgeen inmiddels is gebeurd, dan blijft de beschikking gelden, totdat op dat verzoek bij kracht van gewijsde is beslist.

De rechtbank bepaalt dat de definitieve kosten van het onderzoek ten laste van de Staat, 's Rijks Kas, dienen te komen.

BESLISSING

wijst het verzoek af;

bepaalt de termijn gedurende welke deze beschikking van kracht is op zes maanden met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen;

bepaalt dat de definitieve kosten van het deskundigenonderzoek ten laste van 's Rijks Kas komen.

Deze beslissing is gegeven door mr. K.R. Bosker, in tegenwoordigheid van H.M. Kamphuis-van der Veer, griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 31 december 2014.

Tegen deze beschikking staat uitsluitend het rechtsmiddel cassatie in het belang der wet, open.