Bestuursprocesrecht

Aanvraag exploitatievergunning en drank- en horecavergunning voor een parenclub afgewezen op grond van een…

Rechtbank Oost-Brabant, 15 juni 2016

Zaakgegevens

Op 15 juni 2016 heeft de Rechtbank Oost-Brabant in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over bestuursprocesrecht.

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Zittingsplaats
's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
15 juni 2016
Datum publicatie
14 juni 2016
Zaaknummer
16_1247
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBOBR:2016:3187
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Aanvraag exploitatievergunning en drank- en horecavergunning voor een parenclub afgewezen op grond van een Bibob-advies. Conclusie van het advies: ernstig gevaar dat verzoekster de aangevraagde vergunningen mede zal gebruiken om strafbare feiten te plegen. Verweerder heeft voldaan aan de vergewisplicht en mocht het advies ten grondslag leggen aan de afwijzing. Er was sprake van een ernstig vermoeden dat strafbare feiten waren gepleegd. Daarbij is voldaan aan het criterium van samenhang tussen de vermoedelijke strafbare feiten en de aangevraagde vergunningen. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen en het beroep ongegrond verklaard.

Procesgang

  1. Rechtbank Oost-Brabant · 15 juni 2016deze uitspraak

    ECLI:NL:RBOBR:2016:3187

  2. Raad van State · 24 januari 2018

    ECLI:NL:RVS:2018:245

    Meerdere afhandelingswijzen

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: SHE 16/1247 en SHE 16/1248

uitspraak van de voorzieningenrechter van 15 juni 2016 op het verzoek om voorlopige voorziening en op het beroep in de zaak tussen

[bedrijf] , te [vestigingsplaats] NB, verzoekster

(gemachtigde: mr. W. de Vis),

en

de burgemeester van de gemeente Cuijk, verweerder

(gemachtigden: mr. F.A. Pommer).

Procesverloop

Bij besluit van 12 januari 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder geweigerd aan verzoekster een exploitatievergunning en een drank- en horecawetvergunning voor een op te richten parenclub, handelend onder naam [club] , op de locatie [adres] te verlenen.

Bij besluit van 14 maart 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van verzoekster ongegrond verklaard.

Verzoekster heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Zij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 juni 2016. Namens verzoekster zijn verschenen [persoon 1] en [persoon 2] , bijgestaan door verzoeksters gemachtigde. Namens verweerder is verschenen K. Burgman-Linssen, bijgestaan door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten.

[persoon 1] heeft namens verzoekster, in verband met het voornemen een parenclub op te richten, de daarvoor benodigde exploitatievergunning en drank- en horecavergunning bij verweerder aangevraagd.

Verweerder heeft, overeenkomstig het gemeentelijk beleid, advies gevraagd aan het Landelijk Bureau Bibob (LBB). Bij brief van 3 november 2015 heeft het LBB advies uitgebracht aan verweerder. De conclusie in dat advies luidt: "Het bureau is van oordeel dat de aangevraagde vergunningen mede zullen worden gebruikt om strafbare feiten te plegen (artikel 3, eerste lid, onderdeel b van de Wet Bibob)". Het LBB heeft in zijn advies opgemerkt dat op grond van artikel 9, eerste lid, van de Wet Bibob het LBB enkel adviseert over de mate van gevaar en over de vraag of ter verkrijging van de beschikking een strafbaar feit is gepleegd en dat het LBB daarbij in beginsel geen rekening houdt met de ernst van de strafbare feiten.

Op 8 december 2015 heeft het LBB aan verweerder een korte aanvulling op dit advies met betrekking tot de geheimhouding op grond van artikel 28 van de Wet Bibob gestuurd.

Bij brief van 18 november 2015 heeft verweerder zijn voornemen om de vergunningen te weigeren aan verzoekster kenbaar gemaakt.

Bij brief van 25 november 2015 heeft verzoekster haar zienswijze op het voornemen gegeven.

Naar aanleiding van deze zienswijze heeft verweerder bij brief van 3 december 2015 het LBB om een nader advies verzocht en daarbij een negental vragen gesteld.

Op 30 december 2015 heeft LBB in het nader advies de door verweerder gestelde vragen beantwoord en geconcludeerd dat de gevaarsconclusie uit het eerdere advies niet wordt gewijzigd.

Bij primair besluit heeft verweerder, gelet op de inhoud van beide LBB adviezen, besloten de gevraagde vergunningen te weigeren omdat er volgens verweerder voldoende aanwijzingen zijn dat sprake is van ernstig gevaar dat verzoekster de aangevraagde vergunningen mede zal gebruiken om strafbare feiten te plegen.

Gelet op de aard van de door [persoon 1] gepleegde delicten en de aard van de betrokken branche is volgens verweerder aan het samenhangcriterium (artikel 3, derde lid, sub a, van de Wet Bibob) voldaan, waarbij verweerder opmerkt dat de feitelijk context van activiteiten waarin deze (vermoedelijk) zijn gepleegd, bij het beoordelen of is voldaan aan het samenhangcriterium, ruim moet worden genomen.

Daarbij heeft verweerder aangegeven dat verzoekster in (zakelijke) relatie staat tot de strafbare feiten die [persoon 1] vermoedelijk heeft begaan, omdat [persoon 1] als middellijk enig bestuurder en middellijk enig aandeelhouder leiding geeft en zeggenschap heeft over verzoekster, in de zin van artikel 3, vierde lid, onderdeel c, van de Wet Bibob.

Naar aanleiding van het bezwaar van verzoekster heeft de onafhankelijke commissie behandeling bezwaarschriften (hierna: bezwaarcommissie) van verweerders gemeente op
15 februari 2016 een hoorzitting gehouden. Op 8 maart 2016 heeft de bezwaarcommissie een advies aan verweerder uitgebracht.

2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder zich – kort en zakelijk weergegeven – in overeenstemming met het advies van de bezwaarcommissie op het standpunt gesteld dat de gevraagde vergunningen, gelet op het advies van het LBB, terecht zijn geweigerd.

3. Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

4. Namens verzoekster is door [persoon 1] aangevoerd dat sprake is van spoedeisend belang. [persoon 1] , en daarmee verzoekster, ondervindt een groot financieel nadeel omdat hij niet in staat is voldoende inkomsten te genereren. Bovendien dient [persoon 1] de woning, die thans bij de boogde parenclub aanwezig is, te verlaten indien de vergunning niet alsnog wordt verleend. Ter onderbouwing hiervan wijst [persoon 1] op een brief van 22 maart 2016 van Barter & Trading.

5. Verzoekster heeft de voorzieningenrechter voorts verzocht om met toepassing van artikel 8:86 van de Awb uitspraak te doen in de hoofdzaak (en zelf in de zaak te voorzien), dan wel het bestreden besluit te schorsen en verweerder op te dragen het bezwaar gegrond te verklaren en een nieuw besluit te nemen.

6. In artikel 8:86, eerste lid, van de Awb is bepaald dat de voorzieningenrechter, indien hij van oordeel is dat na de zitting waarop het verzoek is behandeld nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, onmiddellijk uitspraak kan doen in de hoofdzaak.

7. Uit de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) – zie onder meer ECLI:NL:RVS:2006:AZ5484 en ECLI:NL:RVS:2015:3574 – volgt, gezien de samenhang die de wetgever in de Awb heeft gelegd tussen de artikelen 8:81 en 8:86, dat die artikelen zich niet lenen voor toepassing om uitsluitend een spoedige uitspraak in de hoofdzaak te verkrijgen. De voorzieningenrechter stelt dan ook voorop dat hij slechts onmiddellijk uitspraak kan doen in de hoofdzaak, wanneer hij oordeelt dat sprake is van een spoedeisend belang bij het treffen van de verzochte voorlopige voorziening. Verzoekster heeft ten aanzien van het spoedeisend belang in het verzoekschrift en ter zitting onderbouwd aangevoerd dat zij erg veel kosten heeft gemaakt ten behoeve van de start van parenclub [naam club] . Nu de exploitatievergunning en drank- en horecawetvergunning niet zijn verleend kan verzoekster het opzetten van de parenclub geen verdere doorgang laten vinden. Verzoekster heeft naar voren gebracht dat zij ten gevolge hiervan de mogelijkheid zal verliezen om het pand, waarin [naam club] moet worden gevestigd, aan te kopen. Een andere locatie voor de parenclub is moeilijk te vinden. Daaruit volgt dat alle gedane investeringen verloren zullen gaan en de verwachte omzet niet kan worden behaald. Gelet op het voorgaande heeft verzoekster aannemelijk gemaakt dat zij in een financiële noodsituatie dreigt te verkeren ten gevolge van het bestreden besluit. De voorzieningenrechter is dan ook van oordeel dat sprake is van een spoedeisend belang.

8. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is voorts sprake van de situatie waarin nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, als bedoeld in artikel 8:86, eerste lid, van de Awb. Om die reden zal hij onmiddellijk uitspraak doen in de beroepszaak.

9. Namens verzoekster is aangevoerd dat verweerder bij het nemen van het bestreden besluit zich er onvoldoende van heeft vergewist dat de LBB adviezen zorgvuldig tot stand zijn gekomen. Ook heeft verweerder de mogelijkheid van het advies af te wijken indien hij na afweging aanneemt dat er geen dan wel een mindere mate van gevaar is en de vergunning onder voorwaarde(n) kunnen worden verleend. Verweerder heeft deze afweging in het geheel niet gemaakt.

10. Deze beroepsgrond slaagt niet.

In de eerste plaats stelt de voorzieningenrechter vast dat verweerder volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling – zie onder meer de uitspraak van 4 mei 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1217 – in beginsel mag uitgaan van het advies van het LBB, gelet op de expertise van het bureau. Voorts is de voorzieningenrechter van oordeel dat verweerder aan zijn vergewisplicht heeft voldaan. Dat blijkt onder meer uit de aanvullende vragen die verweerder aan het LBB heeft gesteld, naar aanleiding van de zienswijze van verzoekster. Ook heeft verweerder verzoekster uitgebreid de gelegenheid gegeven te reageren op de bevindingen van het LBB. Gelet op de samenhang van de bevindingen in het LBB rapport en de aanvullingen daarop, heeft verweerder zich op het standpunt kunnen stellen dat de adviezen zorgvuldig zijn voorbereid en dat de feiten de conclusies kunnen dragen. Daarbij heeft verweerder terecht opgemerkt dat verificatie van de onderliggende broninformatie – en daarmee van de feiten – in het advies door verweerder niet mogelijk is. Verweerder mocht dan ook afgaan op de weergave van de broninformatie en de door het LBB daaraan gegeven kwalificatie. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter hoefde verweerder geen aanleiding te zien om eigen onderzoek te verrichten. Het LBB advies en de aanvulling erop bevatte voldoende informatie op grond waarvan verweerder gefundeerd kon oordelen dat sprake is van ernstig gevaar. Verweerder heeft naar het oordeel van de voorzieningenrechter dan ook voldaan aan zijn vergewisplicht.

11. Voorts is namens verzoekster de ernst van het vermoeden van de strafbare feiten weersproken. Daarbij is door verzoekster aangegeven dat de strafbare feiten in hun context moeten worden beschouwd. [persoon 1] en [persoon 2] bevonden zich ten tijde van het huiselijk geweld in een zeer moeilijke privésituatie. Zij zijn vervolgens in relatietherapie geweest en dit heeft uiteindelijk geleid tot een sepotbeslissing. Daarnaast was het door [persoon 1] ingeleverde wapen geen echt wapen, maar een luchtdrukpistool. Dit wapen is door [persoon 1] vrijwillig ingeleverd bij de politie. Volgens verzoekster zijn deze omstandigheden door het LBB ten onrechte niet meegewogen.

12. Deze beroepsgrond slaagt evenmin.

Verweerder heeft in hetgeen namens [persoon 1] en [persoon 2] is aangevoerd aanleiding gezien het LBB nader te bevragen. Nu volgens het LBB, gelet op de processen-verbaal van politie, sprake was van meerdere incidenten van huiselijk geweld mocht verweerder ook daarvan uitgaan. Uit het feitenrelaas kan volgens verweerder worden afgeleid dat er rekening mee moet worden gehouden dat [persoon 1] onder bepaalde stressvolle omstandigheden mogelijk geweld kan gebruiken en dat niet valt uit te sluiten dat zich in de toekomst opnieuw dergelijke stressvolle omstandigheden zullen voordoen, ook in verband met de exploitatie van de parenclub.

Met betrekking tot het wapenbezit heeft verweerder eveneens navraag gedaan bij het LBB. Daarbij is gebleken dat het niet om een wapen van categorie IV, maar om een wapen van categorie I – een replica die nauwelijks van echt is te onderscheiden – zou gaan. De vermelding door de politie in het proces-verbaal "gelijkend op een echt wapen" duidt daar volgens verweerder ook op. Op grond van deze informatie mocht verweerder concluderen dat sprake is van een ernstig vermoeden dat [persoon 1] zich schuldig heeft gemaakt aan verboden wapenbezit. Verweerder heeft kunnen meewegen dat het inleveren ervan de mogelijkheid van het opnieuw aanschaffen van een wapen niet in de weg staat, zodat nog steeds gevaar aanwezig is dat met een wapen strafbare feiten kunnen worden begaan.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter mocht verweerder op basis van het advies van het LBB concluderen dat sprake was van een ernstig vermoeden dat de strafbare feiten waren gepleegd. De ernst van die strafbare feiten of de mate waarin deze door de context verklaard kunnen worden, spelen bij die beoordeling geen rol.

13. Voorts is namens verzoekster aangevoerd dat de samenhang tussen de vermoedelijk gepleegde strafbare feiten en de door verzoekster aangevraagde vergunningen ontbreekt. Ook heeft verweerder volgens verzoekster ten onrechte aangenomen dat de feitelijke context bij de beoordeling ruim moet worde genomen. Het door [persoon 1] vermoedelijk gepleegde huiselijk geweld vond uitsluitend plaats in de huiselijke sfeer en vertoont geen samenhang met de (exploitatie van) enige horeca-inrichting, laat staan de parenclub.

14. Deze beroepsgrond slaagt niet.

Verweerder heeft gemotiveerd en met verwijzing naar jurisprudentie van de Afdeling aangegeven dat bij geweldsincidenten in relatie tot het aanvragen van vergunningen voor de horecasector en/of seksbranche sneller kan worden aangenomen dat aan het samenhangcriterium is voldaan, nu deze branches kwetsbaarder zijn voor geweldsdelicten.

Verweerder heeft daarbij bovendien van belang mogen achten dat het (vermoedelijk gepleegde) huiselijk geweld en het verboden wapenbezit vrij recent hebben plaatsgevonden.

15. Volgens verzoekster heeft verweerder de onschuldpresumptie als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van het Verdrag ter bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) geschonden. Verzoekster wijst daarbij op het sepot en het feit dat [persoon 2] de aanklacht tegen [persoon 1] wenste in te trekken.

16. Ook deze beroepsgrond slaagt niet.

Verweerder heeft er terecht op gewezen dat de toepassing van de in de Wet Bibob neergelegde weigeringsgronden ten doel heeft te voorkomen dat overheidsorganen door vergunningen te verlenen criminele activiteiten faciliteren. Toepassing van de Wet Bibob brengt geen bestraffing met zich is dus geen criminal charge is in de zin van artikel 6 van het EVRM. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat de weigering van vergunningen reeds daarom geen schending van de onschuldspresumptie kan opleveren.

17. Voorts voldoet volgens verzoekster het bestreden besluit niet aan de vereisten van evenredigheid. Daarbij heeft verzoekster erop gewezen dat de strafbare feiten zich niet meer voordoen, gezien het feit dat de moeilijkheden in de privésituatie van [persoon 1] en [persoon 2] ten einde zijn gekomen, het luchtdrukwapen vrijwillig is ingeleverd en de onschuldpresumptie is geschonden. Ook heeft verweerder volgens verzoekster zijn eigen discretionaire bevoegdheid niet gebruikt dan wel onjuist gehanteerd. Verweerder heeft geen eigen afweging gemaakt om aan te nemen dat geen sprake is van gevaar dan wel van minder gevaar. Verder heeft verweerder bij de afweging geen aandacht besteed aan de door verzoekster gemaakte (hoge) kosten.

18. Deze beroepsgrond slaagt niet.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder de belangen van verzoekster in voldoende mate afgewogen tegen het algemeen belang en het belang van de openbare orde. Ook heeft verweerder voldoende gemotiveerd waarom aan die laatste belangen een zwaarder gewicht is toegekend dan aan de belangen van verzoekster. De financiële gevolgen voor verzoekster heeft verweerder niet onevenredig kunnen achten. Dat een deel van die investeringen nodig waren voor de gevraagde vergunningen valt onder het normale ondernemersrisico. Verder heeft verweerder er terecht op gewezen dat verzoekster, door al grote investeringen te doen zonder zekerheid te hebben over de verlening van de aangevraagde vergunningen, een risico heeft genomen. Dit risico dient voor rekening van verzoekster te blijven.

De stelling van verzoekster dat verweerder zelf een afweging had moeten maken en moeten concluderen tot geen of minder gevaar kan niet worden gevolgd. In het advies van het LBB is geconcludeerd dat sprake is van ernstig gevaar. Nu verweerder heeft vastgesteld dat het LBB onderzoek zorgvuldig is geweest en in het onderzoek is geconcludeerd dat sprake is van een ernstige mate van gevaar, volgt daaruit dat verweerder geen ruimte heeft een minder verstrekkende maatregel te treffen dan de weigering van de aangevraagde vergunningen – zie de uitspraak van de Afdeling van 16 december 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3846.

19. De conclusie is dan ook dat verweerder na heroverweging in bezwaar in redelijkheid aan de afwijzing van de aangevraagde vergunningen heeft kunnen vasthouden. Gelet daarop zal het beroep ongegrond worden verklaard. Gegeven het oordeel in de hoofdzaak zal het verzoek om een voorlopige voorziening worden afgewezen.

20. Voor een proceskostenveroordeling of bepaling dat het griffierecht wordt vergoed bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter

  • verklaart het beroep ongegrond;

  • wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Bernsen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van B.V.H. Harperink, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 15 juni 2016.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.