Bestuursprocesrecht

De minister van Defensie heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat de in de primaire besluiten…

Rechtbank Oost-Brabant, 6 oktober 2023

Zaakgegevens

Op 6 oktober 2023 heeft de Rechtbank Oost-Brabant uitspraak gedaan in een zaak over bestuursprocesrecht.

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Zittingsplaats
's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
6 oktober 2023
Datum publicatie
20 oktober 2023
Zaaknummer
22/610 en 23/1729
Procedure
Mondelinge uitspraak
ECLI
ECLI:NL:RBOBR:2023:5041
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

De minister van Defensie heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat de in de primaire besluiten verleende ontheffingen van de minimumvlieghoogte ten behoeve van militaire oefeningen met militaire transportvliegtuigen geen betrekking hebben op de (uitvoering van) zogeheten tactische beam-naderingen, waartegen eisers bezwaren zijn gericht, en dat die tactische beam-naderingen daarom geen onderdeel uitmaken van die besluiten. De rechtbank komt daarom niet toe aan de overige beroepsgronden van eiser.

Procesgang

  1. Rechtbank Oost-Brabant · 6 oktober 2023deze uitspraak

    ECLI:NL:RBOBR:2023:5041

  2. Raad van State · 31 december 2025

    ECLI:NL:RVS:2025:6427

    Bekrachtiging/bevestiging

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummers: SHE 22/610 en SHE 23/1729


proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 oktober 2023 in de zaken tussen


[eiser], uit [woonplaats], eiser

en

de minister van Defensie, de minister

(gemachtigde: mr. F.D. Eftekhari).

Zitting

De rechtbank heeft de beroepen van eiser tegen de bestreden besluiten van de minister van 4 februari 2022 en 19 juni 2023 (bestreden besluiten) op 6 oktober 2023 gelijktijdig op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, vergezeld door [naam] en [naam] en namens de minister de gemachtigde en commodore [naam].

Na afloop van de behandeling van de zaken ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk ter zitting uitspraak gedaan. De motivering van die uitspraak vermeldt de rechtbank hierna onder de beslissing.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart de beroepen gegrond;

- vernietigt de bestreden besluiten van 4 februari 2022 en 19 juni 2023, voor zover de minister het standpunt heeft ingenomen dat eisers bezwaren niet-ontvankelijk zijn;

- bepaalt dat de bezwaren van eiser tegen de besluiten van 18 oktober 2021 en 31 januari 2023 ongegrond zijn;

- bepaalt dat de bestreden besluiten van 4 februari 2022 en 19 juni 2023 voor het overige in stand blijven;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van het vernietigde gedeelte van de bestreden besluiten van 4 februari 2022 en 19 juni 2023;

- bepaalt dat de minister het griffierecht van € 368,- (tweemaal € 184,-) aan eiser moet vergoeden;

- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser, te weten de reiskosten, tot een bedrag van € 19,98.

Inleiding

1. Bij de besluiten van 18 oktober 2021 en 31 januari 2023 (primaire besluiten) heeft de minister ontheffing heeft verleend van de minimumvlieghoogte ten behoeve van de oefeningen ‘Tech Bull’ en ‘Orange Bull’ voor de periode van 29 november tot 18 december 2021, respectievelijk van 13 maart tot 25 maart 2023.

2. Met de bestreden besluiten op het bezwaar van eiser is de minister bij die besluiten gebleven.

3. De minister heeft op de beroepen van eiser gereageerd met een verweerschrift.

Totstandkoming van de bestreden besluiten

4. Bij zijn bezwaren tegen de primaire besluiten heeft eiser gesteld dat tijdens de oefeningen ‘Tech Bull’ en ‘Orange Bull’ onder meer gevaarlijke manoeuvres met het militaire transportvliegtuig de C130 worden uitgevoerd doordat de C130 de Vliegbasis Eindhoven vanuit het westen benadert, dwars over de landingsbaan vliegt en vervolgens een scherpe bocht naar rechts of links maakt om vervolgens te landen. Volgens eiser worden de door hem gestelde gevaren bij de uitoefening van deze zogenoemde beam03 en beam21 naderingen niet weggenomen met de voorschriften en beperkingen die de minister in de primaire besluiten aan de ontheffingen heeft verbonden. Eiser heeft de minister daarom gevraagd om de primaire besluiten aan te passen door daarin op te nemen dat de beam03 en beam21 naderingen verboden worden.

5. Op 5 januari 2022 en 19 april 2023 heeft een hoorzitting plaatsgevonden.

6. Op 26 januari 2022 en 25 mei 2023 heeft de commissie advisering bezwaarschriften defensie (commissie) een advies aan de minister uitgebracht. Ten aanzien van de beam21 nadering merkt de commissie op dat eiser geen belanghebbende is omdat die niet over de woning van eiser gaat. Ten aanzien van de beam03 nadering merkt de commissie – kortgezegd – op dat de primaire besluiten geen betrekking hebben op de beam03 nadering omdat voor deze tactische nadering geen specifieke ontheffing van de minimum VFR-hoogte hoeft te worden verleend. In paragraaf SERA.3105 van Verordening (EU) nr. 932/2012 staat namelijk dat de minimum vlieghoogten uit de SERA.5005, waarvoor de minister in de primaire besluiten (op grond van het bepaalde in artikel 2, tweede lid en 19, derde lid, van het Besluit luchtverkeer 2014) ontheffingen heeft verleend, moeten worden aangehouden, behalve wanneer dit nodig is voor het opstijgen of landen van een vliegtuig. Omdat de beam03 een landingsprocedure is, hebben de verleende ontheffingen daar volgens de minister geen betrekking op. De beam03 nadering is opgenomen in het Handboek van het Luchtverkeersvoorschrift (Handboek) waardoor die, na toestemming van de plaatselijke luchtverkeersleiding, altijd is toegestaan op grond van het Luchtverkeersvoorschrift (K1, punt 38). Dit betekent dat de door eiser ingediende bezwaargronden zien op punten die geen onderdeel uitmaken van de primaire besluiten, waarin de minister ontheffingen heeft verleend van de minimum vlieghoogten. De commissie concludeert dat geen sprake is van een procesbelang waardoor het bezwaar niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

7. Met de bestreden besluiten heeft de minister de bezwaren van eiser ongegrond verklaard. Hij verwijst voor de verdere motivering naar de adviezen van de commissie van 26 januari 2022 en 25 mei 2023

8. De rechtbank beoordeelt de besluiten van de minister om de bezwaren van eiser niet inhoudelijk te behandelen omdat die geen onderdeel uitmaken van de besluiten.

9. In navolging van de minister oordeelt de rechtbank dat eiser procesbelang heeft bij de door hem ingestelde bezwaren tegen de primaire besluiten omdat vergelijkbare oefeningen als ‘Tech Bull’ in 2021 en ‘Orange Bull’ in 2023 in de toekomst opnieuw zullen plaatsvinden, zoals de minister heeft bevestigd. Daarom komt eiser ook een procesbelang toe bij zijn beroepen tegen de bestreden besluiten.

10. Uit artikel 8:1 van de Algemene wet bestuursrecht volgt dat een beroep bij de bestuursrechter betrekking heeft op een besluit. Dit brengt ook met zich dat de bestuursrechter wat betreft de omvang van het geding en de beoordeling daarvan niet kan treden buiten de reikwijdte en de strekking die het besluit heeft.

11. In de bestreden besluiten heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat de in de primaire besluiten verleende ontheffingen geen betrekking hebben op de (uitvoering van) zogeheten tactische beamnaderingen, waartegen eisers bezwaren zijn gericht, en dat die tactische beamnaderingen daarom geen onderdeel uitmaken van die besluiten. Met inachtneming van het hiervoor gegeven beoordelingskader ziet de rechtbank zich gesteld voor de vraag of het door de minister bij de bestreden besluiten ingenomen standpunt juist is.

12. De rechtbank beantwoordt die vraag bevestigend en oordeelt dat de minister terecht heeft vastgesteld dat de bij de primaire besluiten verleende ontheffingen geen betrekking hebben op de door eiser gewraakte beamnaderingen en dat deze in deze procedures daarom niet aan de orde kunnen zijn. De minister heeft toegelicht dat de beam03 en beam21 tactische naderingsprocedures zijn die als doel hebben om te komen tot een landing, stijging of doorstart in situaties waarin het op de gebruikelijke ‘rechtstreekse’ wijze aanvliegen van de betreffende landingsplaats niet mogelijk is. De beamnaderingen zijn in het Handboek als landingsprocedures beschreven. Zij zijn daarom op grond van het Luchtverkeersvoorschrift altijd toegestaan, mits met toestemming van de plaatselijke luchtverkeersleiding. De minister heeft er op gewezen dat de beamnaderingen ook plaatsvinden buiten de oefeningen van Defensie.

13. De rechtbank oordeelt dat de tijdens de zitting door de minister gegeven toelichting, bezien in samenhang met de overige in de gedingstukken door hem verstrekte gegevens, een voldoende overtuigende motivering is voor het standpunt dat de ontheffingen, die in de primaire besluiten zijn verleend, niet zijn voorgeschreven voor de uitoefening van de beamnaderingen en daar dus geen betrekking op hebben.

14. Eiser heeft mede onder verwijzing naar publicaties en tabellen betoogd dat een beamnadering geen landingsoefening is en dat deze daarom, anders dan de minister heeft aangenomen, wel onderdeel uitmaakt van de primaire besluiten en de daarbij gegeven ontheffingen. Deze stelling vindt echter geen bevestiging in objectieve, verifieerbare gegevens. Het betoog slaagt daarom niet.

15. In de gegeven overwegingen over het beoordelingskader en de bestreden besluiten ligt besloten dat de rechtbank niet toekomt aan bespreking van de overige door eiser aangevoerde beroepsgronden, waaronder de beroepsgrond dat sprake is van strijd met de voorschriften die in de primaire besluiten zijn vermeld. Ook volgt hieruit dat eisers vordering om aan de minister met toepassing van een dwangsom de verplichting op te leggen het gehele Handboek te verstrekken, niet kan worden betrokken bij nu voorliggende beroepen. Dat geldt ook voor eisers vordering om aan de minister de verplichting op te leggen om een opgave te geven van de aantallen beammanoeuvres die in 2021 op alle vliegvelden in Nederland zijn geoefend en die tijdens de uitzending in Mali en tijdens de oefening in de Verenigde Staten zijn uitgevoerd.

16. De rechtbank oordeelt dat de bestreden besluiten niettemin voor vernietiging in aanmerking komen, voorzover de minister zich op het standpunt heeft gesteld dat eisers bezwaren niet-ontvankelijk zijn. Dit standpunt heeft de minister in het verweerschrift ingenomen en tijdens de zitting desgevraagd bevestigd. Een bezwaar kan immers slechts niet-ontvankelijk worden verklaard als sprake is van procedurele gebreken. Die situatie doet zich echter in deze beroepen niet voor. Als de door een bezwaarmaker aangevoerde bezwaren niet tot een ander oordeel leiden dan bij het primaire besluit is ingenomen, dan wordt een bezwaar ongegrond verklaard.

Conclusie en gevolgen

17. De beroepen zijn gegrond gelet op wat onder 16 is geoordeeld. De bestreden besluiten worden vernietigd voor zover daarbij door de minister is geoordeeld dat eisers bezwaren niet-ontvankelijk zijn.

18. De rechtbank ziet aanleiding om zelf in de zaken te voorzien door te bepalen dat de bezwaren van eiser tegen de primaire besluiten ongegrond zijn. De rechtbank bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van het vernietigde gedeelte van de bestreden besluiten. De bestreden besluiten blijven voor het overige in stand.

19. Omdat de beroepen gegrond zijn, moet de minister het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten, die bestaan uit de door eiser gemaakte reiskosten, gebaseerd op kosten van openbaar vervoer 2e klas, tot een bedrag van € 19,98. Verder zijn er geen kosten gemaakt die op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking komen.

20. Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid om tegen de mondelinge uitspraak in hoger beroep te gaan op de hieronder omschreven wijze.

Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 6 oktober 2023 door mr. H.M.H. de Koning, rechter, in aanwezigheid van mr. T.N.H. Tran, griffier.

Griffier

rechter

Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Uitvoeringsverordening (EU) nr. 923/2012 van de Commissie van 26 september 2012 tot vaststelling van gemeenschappelijke luchtverkeersregels en operationele bepalingen betreffende luchtvaartnavigatiediensten en -procedures en tot wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 1035/2011 en Verordeningen (EG) nr. 1265/2007, (EG) nr. 1794/2006, (EG) nr. 730/2006, (EG) nr. 1033/2006 en (EU) nr. 255/2010.