Omgevingsrecht
Omgevingsvergunning voor het oprichten van een aanbouw over twee bouwlagen. Bezonning en stedenbouwkundige…
Rechtbank Oost-Brabant, 16 oktober 2026
ECLI:NL:RBOBR:2026:7357 · Rechtbank Oost-Brabant · 16 oktober 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-oost-brabant/bestuursrecht/omgevingsrecht/voorlopige-voorziening/ecli-nl-rbobr-2026-7357
Zaakgegevens
Op 16 oktober 2026 heeft de Rechtbank Oost-Brabant in een voorlopige voorziening uitspraak gedaan in een zaak over omgevingsrecht.
- Instantie
- Rechtbank Oost-BrabantRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- 's-Hertogenbosch
- Datum uitspraak
- 16 oktober 2026
- Datum publicatie
- 15 oktober 2026
- Zaaknummer
- 26/2342
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Omgevingsrecht
- Procedure
- Voorlopige voorzieningVoorlopige voorzieningEen tijdelijke maatregel van de voorzieningenrechter, bijvoorbeeld het schorsen van een besluit, zolang bezwaar of beroep loopt.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBOBR:2026:7357
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Omgevingsvergunning voor het oprichten van een aanbouw over twee bouwlagen. Bezonning en stedenbouwkundige aanvaardbaarheid.
Uitspraak
RECHTBANK OOST-BRABANT
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummer: SHE 26/2342 OWBOUW
uitspraak van de voorzieningenrechter van 16 oktober 2026 in de zaak tussen
[verzoeker] , uit [woonplaats] , verzoeker
(gemachtigde: mr. A.A.M. van Hoorn),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Valkenswaard, het college
(gemachtigden: [gemachtigde 1] en [gemachtigde 2] ).
Als derde-partij neemt aan de zaken deel: [derde belanghebbende] uit [vestigingsplaats] (vergunninghoudster)
(gemachtigde: mr. A. Bouman).
Samenvatting
1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de aan vergunninghoudster verleende omgevingsvergunning voor onder andere het oprichten van een aanbouw over twee bouwlagen aan haar woning. Verzoeker is het niet eens met de omgevingsvergunning. Hij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan. Aan de hand van deze gronden beoordeelt de voorzieningenrechter het bestreden besluit.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek toe. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Procesverloop
2. Met het besluit van 10 november 2025 (het primaire besluit) heeft het college de omgevingsvergunning verleend. Bij uitspraak van 10 december 2025 is dat besluit door de voorzieningenrechter bij wijze van ordemaatregel geschorst. Met de uitspraak van de voorzieningenrechter van 4 februari 2026 is die voorziening gewijzigd, in die zin dat het besluit van 10 november 2025 geschorst blijft tot zes weken na de beslissing op bezwaar.
Met het bestreden besluit van 26 mei 2026 op het bezwaar van verzoeker is het college, onder aanvullende motivering, bij de verlening van de omgevingsvergunning gebleven. Verzoeker heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening. Het beroep is bij de rechtbank geregistreerd onder zaaknummer SHE 26/1973. Het verzoek om een voorlopige voorziening is geregistreerd onder zaaknummer SHE 26/2342.
Het college heeft op het verzoek om een voorlopige voorziening gereageerd met een verweerschrift.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 7 oktober 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, de gemachtigde van verzoeker, de gemachtigden van het college, vergunninghoudster en de gemachtigde van vergunninghoudster.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
Vooraf
3. De voorzieningenrechter gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
Vergunninghoudster heeft op 19 oktober 2025 een omgevingsvergunning aangevraagd voor de uitbreiding van haar woning en het oprichten van een erfafscheiding op het perceel [adres 1] (de locatie).
Ter plaatse van de locatie geldt het omgevingsplan [naam 1] (het omgevingsplan). Op grond van artikel 4.6 van de Invoeringswet Omgevingswet gold ten tijde van het bestreden besluit het bestemmingsplan “ [naam 2] ” (het bestemmingsplan) als onderdeel van dat omgevingsplan. Op grond van het bestemmingsplan is aan de locatie de bestemming “Wonen” en “Tuin” toegekend.
Op grond van artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Omgevingswet is het verboden om zonder omgevingsvergunning een omgevingsplanactiviteit te verrichten. Onder een omgevingsplanactiviteit valt onder meer een activiteit die in strijd is met het omgevingsplan.
Niet in geschil dat het omgevingsplan het bouwplan voor wat betreft de dakhelling niet toelaat. Uit artikel 16.2.2, aanhef, en onder i, van de planregels volgt dat de dakhelling van bijbehorende bouwwerken maximaal 45 graden bedraagt. Het afgeronde dak dat vergunninghoudster wil bouwen heeft (deels) een hogere hellingsgraad. Vanwege deze strijdigheid met de planregels heeft het college toepassing gegeven aan artikel 16.3.2 van de planregels. In dat artikel staat dat het bevoegd gezag met een omgevingsvergunning kan afwijken van het bepaalde in artikel 16.2.2, aanhef, en onder i, van de planregels voor het realiseren van een steilere dakhelling dan 45 graden, mits dit stedenbouwkundig aanvaardbaar wordt bevonden.
Met het bestreden besluit heeft het college de stedenbouwkundige aanvaardbaarheid van het bouwplan nader gemotiveerd. Het bouwplan is volgens het college stedenbouwkundig aanvaardbaar, kortgezegd omdat de ruimtelijke invloed van het vergunde bouwplan minder groot is dan de ruimtelijke invloed van wat het omgevingsplan rechtstreeks toestaat.
Verzoeker woont naast vergunninghoudster en is het niet eens met de omgevingsvergunning. Vergunninghoudster heeft aangegeven bereid te zijn de bouwwerkzaamheden te staken totdat op het verzoek om voorlopige voorziening is beslist. Daarvan gaat de voorzieningenrechter ook uit.
Stedenbouwkundig aanvaardbaar
4. Verzoeker voert aan dat het college voor de stedenbouwkundige aanvaardbaarheid de verkeerde maatstaf hanteert. De beoordeling of een bouwplan stedenbouwkundig aanvaardbaar is in de zin van artikel 16.3.2 van de planregels, is een zelfstandige ruimtelijke afweging, en geen relatieve vergelijking met het meest nadelig toegestane alternatief. Door te volstaan met de stelling dat het vergunde plan minder erg is dan wat rechtstreeks is toegestaan, heeft het college de eigenlijke vraag, of het bouwplan op zichzelf stedenbouwkundig aanvaardbaar is, niet beantwoord. In paragraaf 7.2 van de toelichting op het bestemmingsplan wordt bovendien over bijbehorende bouwwerken expliciet opgemerkt dat een maximale dakhelling is voorgeschreven om het éénlaagse karakter te benadrukken en om de belendende (woon)percelen een bescherming in hun woon- en/of gebruiksgenot te bieden.
Het college vindt het bouwplan stedenbouwkundig aanvaardbaar. Op grond van artikel 16.2.2 van de planregels bedraagt de maximale goothoogte van een bijbehorend bouwwerk 3,5 meter, de maximale bouwhoogte 5,5 meter en de maximale dakhelling
45 graden. Artikel 16.3.2 bevat vervolgens de bevoegdheid om een steilere dakhelling dan 45 graden toe te staan, mits dit stedenbouwkundig aanvaardbaar wordt bevonden. Het bouwplan is stedenbouwkundig aanvaardbaar. Daarbij heeft het college betrokken dat het bestemmingsplan rechtstreeks een bijbehorend bouwwerk met een lessenaarsdak toestaat met een bouwhoogte van maximaal 5,5 meter. Het college vindt de ruimtelijke invloed van het vergunde plan minder groot dan die van het rechtstreeks toegestane alternatief. De bouwhoogte op de perceelsgrens is bij het vergunde bouwplan lager, waardoor het bouwplan een minder negatief effect heeft op de bezonning van het perceel van verzoeker. Ook wordt het bouwplan volgens het college vanuit het naastgelegen perceel als minder dominant ervaren dan een rechtstreeks toegestaan alternatief met een lessenaarsdak en een muur van 5,5 meter hoog op de perceelsgrens.
In het kader van de beroepsprocedure heeft het college opnieuw advies opgevraagd bij een stedenbouwkundige van de gemeente. Dit advies luidt: "Allereerste is het plan van de rond afgeronde helling voorstelbaar binnen de bestemmingsregels. Deze uitbouw heeft enkel een relatie met naastgelegen percelen (nummer [nummer 1] ), maar verder niet met het straatbeeld. Beide percelen hebben een bestaande uitbouw van 1 verdiepingshoogte. Het verhogen van de aanbouw bij nummer [nummer 2] heeft hierdoor een geringe invloed op de tuin van de buren, omdat de aanbouw van [adres 2] als buffer fungeert. Ook voorkomt de afgeronde helling dat er een blinde muur ontstaat naar de richting [adres 2] . Daarnaast laat de afgeronde daktype toe dat er bezonning mogelijk blijft op de tuin van [adres 2] . Al met al is de conclusie dat het voorgestelde plan een geringere visuele en ruimtelijke impact heeft op zijn omgeving en daarmee dus ook stedenbouwkundig aanvaardbaar is". Volgens het college zijn de planregels duidelijk, zodat geen betekenis toekomt aan de toelichting.
Volgens vaste jurisprudentie zijn de op de plankaart aangegeven bestemming en de daarbij behorende regels bepalend voor het antwoord op de vraag of een bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan. De niet bindende toelichting bij het bestemmingsplan heeft in zoverre betekenis dat deze over de bedoeling van de planwetgever meer inzicht kan geven indien de bestemming en de bijbehorende voorschriften waaraan moet worden getoetst, op zichzelf noch in samenhang duidelijk zijn.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft het college onvoldoende gemotiveerd dat het bouwplan van vergunninghoudster stedenbouwkundig aanvaardbaar is in de zin van artikel 16.3.2 van de planregels. De voorzieningenrechter kan het college op zich volgen in zijn motivering dat kan worden aangenomen dat het bouwplan van vergunninghoudster vanuit het perceel van verzoeker als minder dominant zal worden ervaren dan een rechtstreeks toegestaan alternatief met een lessenaarsdak en een muur van 5,5 meter hoog op de perceelsgrens, en ook dat het bouwplan een minder negatief effect heeft op de bezonning van het perceel van verzoeker dan indien gebruik zou worden gemaakt van de maximaal toegestane planologische mogelijkheden. Het college redeneert daarbij echter ten onrechte slechts gedacht vanuit het oogpunt en het perceel van verzoeker. Een dergelijke beperkte reikwijdte van wat ‘stedenbouwkundig aanvaardbaar’ is kan niet in artikel 16.3.2 van de planregels gelezen worden. Het college had daarom ook moeten beoordelen of het bouwplan van vergunninghoudster bezien vanuit de openbare weg stedenbouwkundig aanvaardbaar is. Dat heeft het college niet gedaan. De voorzieningenrechter acht dit wel aangewezen, nu zij er niet van overtuigd is dat het bouwplan van vergunninghoudster niet zichtbaar is vanaf de naastgelegen [straat] . Alleen al daarom slaagt deze grond.
Voor zover het college de stedenbouwkundige aanvaardbaarheid motiveert aan de hand van het hernieuwde stedenbouwkundig advies waar het college naar verwijst in zijn verweerschrift, acht de voorzieningenrechter dit advies bovendien niet geheel logisch en navolgbaar. De stedenbouwkundige legt een relatie met de bestaande aanbouwen van vergunninghoudster en verzoeker, en redeneert dat een verhoging van de aanbouw van vergunninghoudster van geringe invloed is op de tuin van verzoeker nu zijn aanbouw als buffer fungeert. Het vergunde bouwplan behelst echter geen verhoging van de bestaande aanbouw van vergunninghoudster, maar een nieuw (extra) bijbehorend bouwwerk over twee bouwlagen aan de bestaande aanbouw van vergunninghoudster. Het stedenbouwkundig advies lijkt daardoor uit te gaan van een verkeerde voorstelling van zaken, zodat ook onduidelijk is in hoeverre de bestaande aanbouw van verzoeker een bufferfunctie heeft.
De voorzieningenrechter acht tot slot, anders dan het college, de toelichting op het bestemmingsplan wel van belang. De voorzieningenrechter volgt het college erin dat de planregels en verbeelding duidelijk zijn, zodat de toelichting met daarin de bedoeling van de planwetgever niet nodig is om de planregels uit te leggen. Dat de planregels duidelijk zijn en geen uitleg behoeven laat echter onverlet dat voor de invulling van de open norm ‘stedenbouwkundig aanvaardbaar’ uit artikel 16.3.2 van de planregels in dit geval wel degelijk betekenis toekomt aan wat in de toelichting staat. In paragraaf 7.2.1 van de toelichting staat over bijbehorende bouwwerken dat in de planregels een maximale dakhelling is voorgeschreven “om het éénlaagse karakter te benadrukken, mede om de belendende (woon-)percelen een bescherming in hun woon-en/of gebruiksgenot te bieden. Uitgangspunt is te voorkomen, dat belendingen worden geconfronteerd met relatief lange wanden die hoger zijn dan drie meter. Beperkte topgevels zijn acceptabel. De dakhelling heeft bovendien de functie van regulerende factor in de zon-/lichtbelemmering.” Vervolgens staat in paragraaf 7.2.2: “Tevens is in de bouwregels voor bijbehorende bouwwerken een maximale goothoogte van 3,5 meter en een maximale dakhelling van 45 graden opgenomen. Gezien de maximaal mogelijk oppervlakte van 150 m2, is het in theorie mogelijk om een bijbehorend bouwwerk te realiseren met een zeer hoge nok. Om excessen in bouwhoogte te voorkomen, is deze gemaximaliseerd op 5,5 meter. Hiermee wordt tevens voorkomen dat boven de goothoogte van 3,5 meter nog een volwaardige bouwlaag gerealiseerd kan worden.” De toelichting kleurt daarmee de open norm ‘stedenbouwkundig aanvaardbaar’ uit artikel 16.3.2 van de planregels in. Het college dient dit in de toelichting neergeschreven stedenbouwkundig uitgangspunt te betrekken in zijn motivering, temeer nu het vergunde bouwplan uitgaat van twee bouwlagen.
Gelet op het voorgaande slaagt deze grond.
Bezonning
5. Verzoeker voert aan dat geen sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, omdat het bouwplan voor extra schaduw zorgt op de raampartij (schuifdeuren woonkamer) en het terras van verzoeker. Verzoeker verwijst naar de zonnestudie van 9 september 2026 die hij heeft laten uitvoeren. De Haagse bezonningsnorm schrijft voor dat wanneer in de bestaande situatie niet aan de norm van minimaal twee uur bezonning wordt voldaan, de nieuwe situatie niet verder mag verslechteren. Nu het meetpunt op 19 februari reeds in de bestaande situatie niet wordt bezond, en het bouwplan desondanks extra schaduw veroorzaakt, is de aanbouw volgens die norm niet toegestaan. Ook de bestemmingsplantoelichting vermeldt uitdrukkelijk dat de maximale dakhelling is opgenomen ter bescherming tegen zon- en lichtbelemmering op belendende percelen. In het bestreden besluit motiveert het college dat de lichtinval en bezonning vanwege het bouwplan minder negatief is dan bij het alternatief van een lessenaarsdak. Dat is volgens verzoeker een verkeerde maatstaf. Het college beantwoordt daarmee niet de vraag of de ruimtelijke uitstraling van het vergunde bouwplan, de afwijkende dakhelling, op zichzelf een evenwichtige toedeling van functies aan locaties oplevert.
Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat de vermindering van de bezonning zich met name voordoet in de winterperiode. In deze periode staat de zon laag en wordt er relatief minder gebruik gemaakt van buitenruimten. In de voor het woon- en leefklimaat meest relevante periode, waaronder de maand juni, treedt volgens de zonnestudie geen vermindering van de bezonning op. Het college vindt daarom dat van onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat geen sprake is. Verder staat in het bestreden besluit dat volgens het college sprake is van een evenwichtige toedeling van functies, omdat de invloed van het bouwplan op de bezonning minder groot is dan bij het alternatief met een lessenaarsdak dat overeenkomstig de planregels rechtstreeks is toegestaan.
Voor de bezonning van woningen bestaan geen wettelijke normen. Dat neemt niet weg dat het college in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties een afweging moet maken van alle bij het gebruik van de gronden betrokken belangen, waaronder het belang van omwonenden bij een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Verzoeker verwijst naar de zonnestudie, opgesteld door Zonnestudie.nl. In de zonnestudie is weergegeven welke gevolgen het bouwplan heeft voor de bezonning van zijn perceel. Daarbij is de bezonningssituatie getoetst aan de zogenoemde lichte TNO-norm, die inhoudt dat er in de periode van 19 februari tot en met 21 oktober minimaal twee bezonningsuren per dag zijn op het midden van de vensterbank aan de binnenkant van het raam.
In de zonnestudie wordt geconcludeerd dat zowel in de bestaande situatie als in de nieuwe situatie niet wordt voldaan aan de lichte TNO-norm. Zo wordt op pagina 66 van de zonnestudie geconcludeerd dat het meetpunt op 19 februari in de bestaande en in de nieuwe situatie in het geheel niet wordt bezond. Ook volgt uit de zonnestudie dat de bezonningssituatie ter plaatse van de woning van verzoeker verslechtert:
Op 19 februari valt tussen 15:45 uur en 16:30 uur extra schaduw op de raampartij, en tussen 12:15 uur en 16:00 uur valt extra schaduw op het terras. Concreet vermindert volgens de zonnestudie om 16:00 uur het bezond raamoppervlak met 8%. Het bezond terrasoppervlak vermindert tussen 13:00 uur en 15:00 uur met respectievelijk 15%, 33% en 24%.
Op 21 maart vermindert het bezond raamoppervlak niet, maar tussen 13:00 uur en 15:00 uur vermindert het bezond terrasoppervlak wel met respectievelijk 6%, 7% en 5%.
Op 21 december valt tussen 13:45 uur en 16:15 uur extra schaduw op de raampartij. Het bezond raamoppervlak vermindert tussen 14:00 uur en 16:00 uur met respectievelijk 6%, 3% en 3%. Tussen 12:30 uur en 14:15uur valt extra schaduw op het terras. Het bezond terrasoppervlak vermindert om 13:00 uur met 3%.
Op 21 juni valt geen extra schaduw op de raampartij en geen extra schaduw op het terras.
De voorzieningenrechter overweegt als volgt. Verzoeker betwist niet dat de invloed van het bouwplan op de bezonning minder groot is dan bij het alternatief met een lessenaarsdak. Evenmin betwist verzoeker dat een bouwplan met een lessenaarsdak overeenkomstig de planregels rechtstreeks is toegestaan. Alleen al daarom heeft het college in de verslechtering van de bezonning geen aanleiding hoeven te zien de omgevingsvergunning te weigeren. Bovendien acht de voorzieningenrechter de effecten van het bouwplan op de bezonning beperkt en aanvaardbaar in een stedelijke omgeving. De voorzieningenrechter acht de geringe verslechtering van de bezonning niet dusdanig dat geen sprake meer zal zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter kan deze grond daarom niet slagen.
Conclusie en gevolgen
6. Het college heeft onvoldoende gemotiveerd dat het bouwplan van vergunninghoudster stedenbouwkundig aanvaardbaar is. De voorzieningenrechter acht het aangewezen dat het college het motiveringsgebrek herstelt. Dit herstel kan plaatsvinden door een aanvulling van de motivering van het bestreden besluit of zo nodig door het nemen van een herstelbesluit.
Omdat het college aanvullend dient te motiveren is nader onderzoek nodig en kan de voorzieningenrechter niet overeenkomstig artikel 8:86 van de Awb ook op het beroep beslissen. Evenmin kan zij in een voorlopige voorzieningenprocedure een bestuurlijke lus toepassen. De voorzieningenrechter wijst daarom het verzoek toe en treft de voorlopige voorziening dat het primaire besluit en het bestreden besluit zijn geschorst tot de uitspraak op het beroep. De voorzieningenrechter begrijpt wel dat partijen gebaat zijn bij een snelle geschilbeslechting. De rechtbank zal daarom bevorderen dat de beroepszaak SHE 26/1973 zo snel als mogelijk op zitting wordt behandeld. De voorzieningenrechter gaat er daarbij van uit dat het college op korte termijn het gebrek kan herstellen.
Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst, moet het college het griffierecht aan verzoeker vergoeden. Daarom krijgt verzoeker ook een vergoeding van zijn proceskosten. Het college moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt verzoeker een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft het verzoekschrift ingediend en aan de zitting deelgenomen. Elke proceshandeling heeft een waarde van € 934,-. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.868,-.
Beslissing
De voorzieningenrechter:
- schorst het primaire besluit van 10 november 2025 en het bestreden besluit van
26 mei 2026 tot de uitspraak op het beroep;
- bepaalt dat het college het griffierecht van € 200,- aan verzoeker moet vergoeden;
- veroordeelt het college tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan verzoeker.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Heijerman, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.J.A.B. Elsman, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 16 oktober 2026.
|
griffier |
de voorzieningenrechter is verhinderd deze uitspraak te ondertekenen |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: