Omgevingsrecht
Afwijzen voorlopige voorziening wegens ontbreken spoedeisend belang.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 14 oktober 2026
ECLI:NL:RBZWB:2026:9980 · Rechtbank Zeeland-West-Brabant · 14 oktober 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-zeeland-west-brabant/bestuursrecht/omgevingsrecht/voorlopige-voorziening/ecli-nl-rbzwb-2026-9980
Zaakgegevens
Op 14 oktober 2026 heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant in een voorlopige voorziening uitspraak gedaan in een zaak over omgevingsrecht.
- Instantie
- Rechtbank Zeeland-West-BrabantRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Breda
- Datum uitspraak
- 14 oktober 2026
- Datum publicatie
- 14 oktober 2026
- Zaaknummer
- BRE 26/5376
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Omgevingsrecht
- Procedure
- Voorlopige voorzieningVoorlopige voorzieningEen tijdelijke maatregel van de voorzieningenrechter, bijvoorbeeld het schorsen van een besluit, zolang bezwaar of beroep loopt.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBZWB:2026:9980
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Afwijzen voorlopige voorziening wegens ontbreken spoedeisend belang.
Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 26/5376
uitspraak van de voorzieningenrechter van 14 oktober 2026 in de zaak tussen
[verzoekster] , uit [plaats] , verzoekster
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Veere.
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [vergunninghouder] uit [plaats] (de vergunninghouder).
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekster tegen de omgevingsvergunning voor het plaatsen van twee dakkapellen op het [adres] te [plaats] die is verleend aan de vergunninghouder. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is.
Het college heeft de omgevingsvergunning met het besluit van 10 september 2026 verleend. Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
2. De voorzieningenrechter is in het kader van deze procedure uitsluitend bevoegd tot het schorsen van het besluit dat in geschil is. In deze zaak gaat het om een omgevingsvergunning voor twee dakkapellen. Uitsluitend daartegen is, in samenhang met deze procedure, bezwaar gemaakt. Verzoekster heeft aangegeven nog veel meer problemen te hebben met de bouwplannen van de buren en de handelswijzen van de gemeente. De voorzieningenrechter is in deze zaak niet bevoegd om zich uit te spreken over andere geschillen tussen verzoekster en de gemeente en de vergunninghouder dan het geschil over de dakkapellen. Die andere geschillen moet de voorzieningenrechter dus in deze zaak buiten beschouwing laten.
3. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als "onverwijlde spoed" dat vereist.
Vergunninghouder heeft schriftelijk verklaard dat zij in afwachting van de bodemzaak geen gebruik zal maken van de vergunning. Verzoekster is naar aanleiding hiervan in de gelegenheid gesteld het verzoek in te trekken of te motiveren waarom er toch een spoedeisend belang is. Zij heeft op dit verzoek gereageerd met een uitgebreid en met stukken onderbouwd betoog over allerlei geschillen met de gemeente en de vergunninghouder. Een uitleg waarom er toch spoedeisend belang is bij het schorsen van de omgevingsvergunning voor twee dakkapellen, terwijl de vergunninghouder al heeft toegezegd dat zij wacht met bouwen van de dakkapellen totdat op het bezwaarschrift van verzoekster is beslist, ontbreekt. Het schorsen van de omgevingsvergunning voor de twee dakkapellen verandert niets aan het feit dat niet gebouwd wordt totdat op het bezwaarschrift is beslist.
De conclusie is dat er geen enkel spoedeisend belang is.
Conclusie en gevolgen
4. Het verzoek is daarom kennelijk ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dus af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J. Schouw, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. drs. R.J. Wesel, griffier, op 14 oktober 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
|
griffier |
voorzieningenrechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: