Omgevingsrecht

Kennelijk ongegrond wegens ontbreken belanghebbendheid.

Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 21 oktober 2026

Zaakgegevens

Op 21 oktober 2026 heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant in een voorlopige voorziening uitspraak gedaan in een zaak over omgevingsrecht.

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Zittingsplaats
Breda
Datum uitspraak
21 oktober 2026
Datum publicatie
21 oktober 2026
Zaaknummer
BRE 26/5489
Procedure
Voorlopige voorziening
ECLI
ECLI:NL:RBZWB:2026:10213
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Kennelijk ongegrond wegens ontbreken belanghebbendheid.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 26/5489


uitspraak van de voorzieningenrechter van 21 oktober 2026 in de zaak tussen


[verzoeker] , uit [plaats 1] , verzoeker

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Breda, het college.

Als derde-partij neemt aan de zaak deel: Staatsbosbeheer uit 's-Gravenhage.

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen het verlenen van een omgevingsvergunning aan Staatsbosbeheer voor het (tijdelijk) plaatsen van vraatbescherming in het [bos] in [plaats 3] . Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

1.1.

Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek wordt afgewezen.

1.2.

Het college heeft het verlenen van de omgevingsvergunning op 15 september 2026 bekend gemaakt in het gemeenteblad (het bestreden besluit). Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. Verzoeker woont momenteel hemelsbreed zo’n 5 kilometer van het [bos] en heeft vanuit zijn woning geen zicht op het bos of de vraatbescherming. Deze afstand is naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter te groot om een rechtstreeks bij het bestreden besluit betrokken belang aan te nemen. De rechtbank heeft verzoeker bij brief van 12 oktober 2026 de gelegenheid gegeven om binnen twee weken uit te leggen waarom hij vindt dat hij wel belanghebbend is.

2.1.

Verzoeker heeft aangegeven dat hij sinds 1 maart 2026 niet meer direct aan het [bos] in [plaats 2] woont. Desondanks is hij aan te merken als belanghebbende. Hij is een regelmatige bezoeker van het [bos] en maakt al lang intensief gebruik van de routes langs de Broekloop en onder andere de parkeerplaats aan de Huisdreef. Hij heeft in de gemeenteraad van Breda gepleit voor het behoud van het [bos] als hondenlosloopbos en is tweemaal met Staatsbosbeheer naar een deel van het bos geweest dat is aangetast. Vanwege zijn medische situatie en noodzakelijke beweging is verzoeker specifiek aangewezen op dit bosgebied waar hij sociale contacten kan ontmoeten en onderhouden, maar ook de wandeling indien nodig eenvoudig kan verkorten. De betwiste afsluiting door het gaaswerk tast zijn leefpatroon rechtstreeks en persoonlijk aan. Hij vindt dat hij daardoor een objectief bepaalbaar en individualiseerbaar belang heeft.

2.2.

In artikel 1:2, eerste lid, van de Awb wordt onder belanghebbende verstaan degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. Alleen wie een voldoende objectief en actueel, eigen en persoonlijk belang heeft dat rechtstreeks betrokken is bij het bestreden besluit, is belanghebbende als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb. Wie rechtstreeks feitelijke gevolgen ondervindt van een activiteit die het besluit - zoals een bestemmingsplan of een vergunning - toestaat, is in beginsel belanghebbende bij dat besluit. Het criterium ‘gevolgen van enige betekenis’ van de activiteit is een correctie op dit uitgangspunt. Zonder gevolgen van enige betekenis heeft iemand geen persoonlijk belang bij het besluit. Hij onderscheidt zich dan onvoldoende van anderen. Om te bepalen of er gevolgen van enige betekenis voor de woon-, leef- of bedrijfssituatie van iemand zijn, kijkt de Afdeling naar de factoren afstand tot, zicht op, planologische uitstraling van en milieugevolgen (o.a. geur, geluid, licht, trilling, emissie, risico) van de activiteit die het besluit toestaat. Zij bekijkt die factoren zo nodig in onderlinge samenhang. Ook de aard, intensiteit en frequentie van de feitelijke gevolgen kunnen van belang zijn.

2.3.

In wat verzoeker heeft aangevoerd ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding voor het oordeel dat verzoeker ondanks de grote afstand toch belanghebbende is. Het feit dat verzoeker in het verleden nabij het gebied woonde en zich heeft ingezet voor dat gebied maakt dit niet anders. Ook met de omstandigheid dat hij om medische en sociale redenen het gebied regelmatig bezoekt, onderscheidt hem niet in voldoende mate van anderen die het gebied bezoeken. Tot slot is een gevoel van betrokkenheid bij een besluit, hoe sterk dat gevoel ook is, onvoldoende voor het aannemen van een persoonlijk en objectief bepaalbaar belang.

3. Op grond van artikel 8:1 van de Awb kan alleen een belanghebbende beroep instellen bij de rechtbank. Op grond van artikel 7:1 van de Awb kunnen alleen mensen aan wie het recht is toegekend om beroep in te stellen bij de bestuursrechter, bezwaar maken. Verzoeker heeft bezwaar gemaakt. Naar verwachting van de voorzieningenrechter zal het bezwaar niet ontvankelijk worden verklaard omdat verzoeker geen belanghebbende is. Dat betekent dat er geen aanleiding is om een voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter zal het verzoek daarom afwijzen.

Conclusie en gevolgen

4. Het verzoek wordt afgewezen omdat het bezwaar naar verwachting niet-ontvankelijk zal worden verklaard. Dat betekent dat de voorzieningenrechter het verzoek niet inhoudelijk beoordeelt. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M.L.E. Ides Peeters, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. drs. R.J. Wesel, griffier, op 21 oktober 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

griffier

voorzieningenrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.