Socialezekerheidsrecht

Werkgever verzoekt de arbeidsovereenkomst met werknemer te ontbinden op grond van artikel 7:671b lid 1…

Rechtbank Oost-Brabant, 10 september 2020

Zaakgegevens

Op 10 september 2020 heeft de Rechtbank Oost-Brabant in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Zittingsplaats
's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
10 september 2020
Datum publicatie
10 september 2020
Zaaknummer
19/1236
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBOBR:2020:4338
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Werkgever verzoekt de arbeidsovereenkomst met werknemer te ontbinden op grond van artikel 7:671b lid 1, onderdeel a, BW, in verbinding met artikel 7:669 lid 3, onderdelen g/d/h/i BW. Ontbinding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: SHE 19/1236

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 september 2020 in de zaak tussen

[eiseres] te [woonplaats] , eiseres,

(gemachtigde: mr. M.H.A.J. Slaats),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Eindhoven, verweerder,

(gemachtigde: drs. N.M.H.A. van Hirtum)

Procesverloop

Bij besluit van 14 november 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder de uitkering van eiseres per 1 juni 2012 ingetrokken en de ten onrechte uitbetaalde uitkering terggevorderd.

Bij besluit van 15 maart 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft toepassing gegeven aan artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en besloten dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft. Geen van de partijen

heeft, nadat zij zijn gewezen op hun recht ter zitting te worden gehoord, verklaard gebruik te

willen maken van dit recht. Het onderzoek is op 2 september 2020 gesloten.

Overwegingen

1. Bij het primaire besluit heeft verweerder het recht op uitkering van eiseres volledig ingetrokken over de periode 1 juni 2012 tot en met 30 september 2017 en een bedrag van € 84.583,20 aan onterecht uitbetaalde uitkering teruggevorderd, omdat eiseres niet alle gevraagde gegevens heeft verstrekt die voor het recht op bijstand noodzakelijk waren. Reden hiervoor was dat eiseres verweerder onvoldoende inlichtingen heeft verstrekt over haar gokactiviteiten, contante stortingen op haar bankrekening en de financiering en terugbetaling van vliegtickets naar [land] .

2. De Commissie voor bezwaarschriften van de gemeente Eindhoven (hierna: de commissie) heeft geadviseerd het bezwaar van eiseres ongegrond te verklaren, met dien verstande dat verweerder volgens de commissie het recht op bijstand van eiseres over de periode 1 juni 2012 tot en met 30 september 2017, op basis van de door eiseres verstrekte gegevens, schattenderwijs dient vast te stellen. Daarbij heeft de commissie verweerder meegegeven om te beoordelen in hoeverre de contante stortingen op de bankrekening van eiseres bij het vaststellen van het recht op uitkering al dan niet als middel moet worden aangemerkt. De commissie is van mening dat eiseres de op haar rustende inlichtingenplicht heeft geschonden door geen melding te maken van haar gokactiviteiten, de bijschrijvingen/stortingen op haar rekening en de financiering en terugbetaling van de vliegtickets naar [land] .

3. In het bestreden besluit heeft verweerder besloten om het bezwaarschrift van eiseres conform het advies van de commissie ongegrond te verklaren ten aanzien van de gronden die zien op de cautie, de afgelegde verklaringen, het huisbezoek, de bankafschriften en de verklaringen omtrent de vliegtickets. Verweerder heeft voorts besloten het bezwaarschrift ten aanzien van de gokactiviteiten in afwijking van het advies van de commissie ongegrond te verklaren. Dit omdat hij van mening is dat op basis van de gegevens die eiseres heeft verstrekt het recht op bijstand niet, ook niet schattenderwijs, is vast te stellen. In de onderzoeksrapportage is weliswaar een berekening gemaakt om na te gaan hoe het uitgavenpatroon van eiseres is geweest en of deze uitgaven overeenstemmen met de inkomsten van iemand die een bijstandsuitkering ontvangt. Uit die berekening is verweerder gebleken dat eiseres meer blijkt uit te geven dan waar zij redelijkerwijs aan bekende inkomsten de beschikking over heeft gehad. Daar komt bij dat deze berekening is gemaakt op basis van de eigen verklaringen van eiseres. Zo heeft zij verklaard welk bedrag zij van haar contante opnamen aan boodschappen zou hebben besteed, echter dit bedrag is niet aan de hand van objectiveerbare en verifieerbare gegevens nader onderbouwd.

Daarnaast is eiseres er niet in geslaagd inzichtelijk te maken welke bedragen zij wanneer met haar gokactiviteiten heeft gewonnen. Eiseres heeft zowel tegenover de medewerkers van verweerder als ter hoorzitting in bezwaar wel gesteld dat zij met gokken alleen verlies heeft geleden en geen winst heeft gemaakt, maar zij heeft die stelling – daargelaten welke gevolgen daaraan zouden moeten worden verbonden – niet onderbouwd met concrete en verifieerbare gegevens, bijvoorbeeld in de vorm van een deugdelijke administratie. De beweringen van eiseres rechtvaardigen dan ook niet de conclusie dat eiseres geen winst heeft gemaakt. Gokwinsten kunnen namelijk opnieuw worden ingezet, aldus verweerder.

4. Eiseres kan zich met het bestreden besluit niet verenigen. Op hetgeen zij in beroep heeft aangevoerd zal hierna, voor zover van belang, nader worden ingegaan.

5. De rechtbank stelt vast dat het beroepschrift, behoudens de inleidende alinea en het petitum, een letterlijke herhaling is van het bezwaarschrift, met dien verstande dat eiseres zich in beroep op het standpunt heeft gesteld dat verweerder ten onrechte – en ten onrechte contrair – het recht op bijstand niet alsnog schattenderwijs heeft willen vaststellen conform het advies van de commissie. Deze beroepsgrond zal de rechtbank hierna bespreken.

6. De overige beroepsgronden, die de letterlijke herhaling van het bezwaarschrift behelzen, zijn in het beroepschrift niet voorzien van een nadere motivering. In de overwegingen van het bestreden besluit is verweerder gemotiveerd op die gronden ingegaan. Eiseres heeft in het beroepschrift geen redenen aangevoerd waarom de weerlegging van die gronden in het bestreden besluit onjuist of onvolledig zou zijn. Daarom kan het daartoe aangevoerde niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit.

7. Over de beroepsgrond dat verweerder ten onrechte – en ten onrechte contrair – het recht op bijstand niet alsnog schattenderwijs heeft willen vaststellen conform het advies van de commissie, overweegt de rechtbank als volgt.

8. De te beoordelen periode loopt van 1 juni 2012 tot en met 30 september 2017.

9. Vaststaat dat eiseres casino’s heeft bezocht en, volgens haar eigen verklaring, uit het gokken bedragen heeft gewonnen. Ook staat vast dat zij, door van de gewonnen bedragen geen melding te maken aan verweerder, de op haar rustende wettelijke inlichtingenverplichting heeft geschonden.

10. Schending van de inlichtingenverplichting levert een rechtsgrond op voor intrekking van de bijstand indien als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of en, zo ja, in hoeverre eiseres verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden. Het is dan aan eiseres om aannemelijk te maken dat zij, indien zij destijds wel aan de inlichtingenverplichting zou hebben voldaan, over de betreffende periode recht op volledige dan wel aanvullende bijstand zou hebben gehad.

11. Daarin is eiseres niet geslaagd. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder voldoende uitvoerig gemotiveerd waarom hij het advies van de commissie niet heeft gevolgd op dit punt. Verweerder heeft zich daarbij terecht op het standpunt gesteld dat eiseres niet inzichtelijk heeft gemaakt op welke data zij bedragen heeft gewonnen en hoe hoog deze bedragen waren. Eiseres heeft van haar gokactiviteiten geen deugdelijke administratie bijgehouden. Verweerder heeft dan ook terecht overwogen dat het voor hem niet mogelijk is om een reconstructie van mogelijke winsten te maken en dat het voor hem evenmin mogelijk om vast te stellen welk bedrag aan winsten als middel of inkomen op de uitkering in mindering gebracht zou moeten worden. Het recht op bijstand kan dan ook niet worden vastgesteld. Verweerder heeft daarbij terecht gewezen op de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 24 januari 2017 (ECLI:NL:CRVB:2017:538). Nu verweerder terecht heeft overwogen dat het recht niet kan worden vastgesteld, heeft hij zich ook terecht op het standpunt gesteld dat hij dan ook niet schattenderwijs het recht zou kunnen vaststellen omdat hem de daartoe benodigde informatie ontbreekt.

12. Dit betekent dat aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 54, derde lid, van de Pw is voldaan, zodat verweerder gehouden was de bijstand van eiseres over de periode van 1 juni 2012 tot en met 30 september 2017 in te trekken.

13. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.H. van Marle, rechter, in aanwezigheid van
mr. M.H.S. Abbing, griffier. De uitspraak is in het openbaar geschied op 10 september 2020.

de griffier is verhinderd rechter

deze uitspraak te ondertekenen

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.