Personen- en familierecht

afwijzing opheffing bewind. Betrokkene dient eerst een zelfstandigheidstraject van 6 maanden te doorlopen. De…

Rechtbank Oost-Brabant, 30 juni 2026

Zaakgegevens

Op 30 juni 2026 heeft de Rechtbank Oost-Brabant uitspraak gedaan in een zaak over personen- en familierecht.

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Zittingsplaats
Eindhoven
Datum uitspraak
30 juni 2026
Datum publicatie
3 juli 2026
Zaaknummer
12181405 TE VERZ 26-198
Procedure
Beschikking
ECLI
ECLI:NL:RBOBR:2026:4744
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

afwijzing opheffing bewind. Betrokkene dient eerst een zelfstandigheidstraject van 6 maanden te doorlopen. De schadeclaim die betrokkene vordert wordt eveneens afgewezen omdat niet is gebleken dat de bewindvoerder onzorgvuldig heeft gehandeld; de vermeende schade is niet onderbouwd. Bovendien heeft de betrokkene op de zitting zelf verklaard dat de samenwerking goed verloopt en dat de beschuldigingen alleen waren geuit om onder het bewind uit te komen, waardoor er geen sprake is van een toerekenbare tekortkoming.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats Eindhoven

zaaknummer : 12181405 TE VERZ 26-198

dossiernummer : BM 25570
datum : 30 juni 2026

[initialen]

beschikking op een verzoek tot opheffing van bewind

op verzoek van:

[naam] ,

geboren te [woonplaats] op [datum] ,

wonende te [adres] ,

hierna te noemen: betrokkene,

met als bewindvoerder Derkx & Van Hoek B.V., Kvkno. 85439177, Postbus 47, 5590 AA Heeze.

procedure

De kantonrechter heeft kennisgenomen van:

  • het verzoek (met bijlagen), ontvangen op 10 april 2026;

  • de e-mailberichten van betrokkene, ontvangen op 10 mei, 13 mei, 3 juni en 15 juni 2026;

- de berichten met bijlage(n) van de bewindvoerder, ontvangen in het Aansluitpunt

Toezicht op 12 mei 2026 en 15 juni 2026.

Het verzoek is mondeling behandeld op 16 juni 2026. Van hetgeen is besproken op de zitting zijn aantekeningen gemaakt. Op de zitting zijn betrokkene en de bewindvoerder verschenen.

beoordeling

Betrokkene verzoekt opheffing van het bewind. Hij acht zich in staat zijn financiën zelfstandig te beheren. Betrokkene stelt dat het bewind al jaren ten onrechte loopt, maakt bezwaar tegen de grondslagwijziging uit 2023 en stelt schade te hebben geleden. Hoewel hij eerdere financiële problemen erkent, vindt hij dat zijn situatie nu voldoende is verbeterd. Ter onderbouwing heeft hij e-mails en oudere documenten ingediend.

Op de zitting heeft betrokkene verklaard dat hij aan zichzelf heeft gewerkt. Hij is gestopt met traumatherapie vanwege de grote impact en overweegt nu CGT (Cognitieve Gedragstherapie). Om te bewijzen dat hij kan sparen, heeft betrokkene op de zitting een groot bedrag aan contant geld getoond dat hij heeft overgehouden van zijn leefgeld en extra aanvragen. Naar aanleiding van het gesprek op de zitting heeft betrokkene ermee ingestemd om eerst een zelfstandigheidstraject van 6 maanden te doorlopen.

De bewindvoerder stemt niet in met opheffing van het bewind. Zij acht betrokkene nog onvoldoende financieel zelfredzaam. Psychische onrust zorgt volgens haar voor een gebrek aan financieel overzicht. Dit blijkt uit zijn herhaalde verzoeken om extra leefgeld, het buiten haar om afsluiten van leningen en het maken van zelfstandige betalingsafspraken daarover. Ook is een erfdeel hierdoor (nog) niet ontvangen.

Op de zitting heeft de bewindvoerder verrast gereageerd op het contante geld. Zij heeft benadrukt dat zij betrokkene wil beschermen en het geld liever op de bankrekening ziet groeien. Omdat het dossier niet stabiel is, vindt zij het te vroeg voor opheffing. Zij stelt voor dat betrokkene eerst een zelfstandigheidstraject van 6 maanden doorloopt.

De kantonrechter overweegt als volgt.

Op grond van artikel 1:449 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek kan een bewind worden opgeheven indien de noodzaak daartoe niet meer bestaat of voortzetting van het bewind niet zinvol is gebleken.

De kantonrechter stelt vast dat betrokkene al langere tijd aangeeft het bewind te willen beëindigen. Uit de stukken en hetgeen op de zitting is besproken, blijkt dat betrokkene hard aan zichzelf heeft gewerkt en nog steeds werkt aan zijn persoonlijke ontwikkeling. Daarbij heeft hij hulp gezocht voor zijn psychische klachten en onderzoekt hij verdere behandelmogelijkheden. De kantonrechter ziet daarnaast dat betrokkene stappen heeft gezet op financieel gebied. Dit laat zien dat hij zich bewust bezighoudt met zijn financiën en in staat is om geld te reserveren voor de toekomst.

Daar staat tegenover dat de zorgen van de bewindvoerder niet geheel zijn weggenomen. De bewindvoerder heeft toegelicht dat betrokkene nog regelmatig om extra leefgeld vraagt en ook buiten haar om financiële afspraken maakt die niet in het budgetplan van betrokkene passen. Deze omstandigheden maken dat nog niet kan worden vastgesteld dat sprake is van een stabiele financiële situatie.

De kantonrechter begrijpt dat betrokkene graag zelfstandig verder wil en waardeert zijn inzet om dat doel te bereiken. Tegelijkertijd is de kantonrechter van oordeel dat op dit moment nog onvoldoende is gebleken dat betrokkene zijn financiële belangen duurzaam zelfstandig kan behartigen. Van belang is verder dat betrokkene ter zitting heeft ingestemd met het voorstel om eerst een zelfstandigheidstraject van zes maanden te doorlopen. De kantonrechter acht dit een passende stap. Gedurende die periode krijgt betrokkene de gelegenheid om te laten zien dat hij zijn financiën zelfstandig kan beheren en verantwoord met zijn geld omgaat

Gelet op al het voorgaande is de kantonrechter van oordeel dat het verzoek om het bewind op te heffen op dit moment moet worden afgewezen. Het is in het belang van betrokkene dat eerst het afgesproken zelfstandigheidstraject succesvol wordt afgerond. Bij voorkeur kunnen betrokkene en de bewindvoerder daarna gezamenlijk opnieuw een verzoek tot opheffing van het bewind indienen.

Ten aanzien van de verwijzing door betrokkene naar schade oordeelt de kantonrechter als volgt. Niet is gebleken dat de bewindvoerder haar werkzaamheden onzorgvuldig heeft uitgevoerd. Zij heeft toegelicht dat zij nog bezig is met het terugvorderen van geld uit een nalatenschap waarop betrokkene recht heeft, maar dat hij ten gevolge van zijn eigen handelen niet heeft ontvangen. De (ongespecificeerde) schade is bovendien niet nader onderbouwd. Betrokkene heeft ter zitting zelf verklaard dat de samenwerking met de bewindvoerder goed verloopt. Ook heeft hij aangegeven dat hij de beschuldigingen aan het adres van de bewindvoerder heeft geuit omdat hij onder het bewind wilde uitkomen. Gelet hierop is naar het oordeel van de kantonrechter niet gebleken van enige toerekenbare tekortkoming van de bewindvoerder.

beslissing

De kantonrechter:

- wijst het verzoek af.

Deze beschikking is gegeven door mr. S. Bešic, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 30 juni 2026.

!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING SECRETARIS!

!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING RECHTER!

!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR STEMPELS!

Tegen deze beschikking kan - uitsluitend door tussenkomst van een advocaat - hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch:

a. door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van deze beschikking (digitaal) is verstrekt of verzonden binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

b. door andere belanghebbenden binnen drie maanden na betekening daarvan of nadat deze beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.