Personen- en familierecht
CBM. Opheffing mentorschap. Verzoek toegewezen. Betrokkene heeft voldoende zelfredzaamheid ontwikkeld en…
Rechtbank Oost-Brabant, 18 juni 2026
ECLI:NL:RBOBR:2026:5555 · Rechtbank Oost-Brabant · 18 juni 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-oost-brabant/civiel-recht/personen-en-familierecht/beschikking/ecli-nl-rbobr-2026-5555
Zaakgegevens
Op 18 juni 2026 heeft de Rechtbank Oost-Brabant uitspraak gedaan in een zaak over personen- en familierecht.
- Instantie
- Rechtbank Oost-BrabantRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- 's-Hertogenbosch
- Datum uitspraak
- 18 juni 2026
- Datum publicatie
- 3 augustus 2026
- Zaaknummer
- NL:TZ:0000405655:M001
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Personen- en familierecht
- Procedure
- BeschikkingBeschikkingEen beslissing van de rechter in een zaak die met een verzoekschrift is begonnen, zoals een echtscheiding of faillissement.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBOBR:2026:5555
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
CBM. Opheffing mentorschap. Verzoek toegewezen. Betrokkene heeft voldoende zelfredzaamheid ontwikkeld en ontvangt passende ondersteuning vanuit woonbegeleiding. Voorzetting mentorschap niet langer noodzakelijk, ondanks verzet van de bewindvoerder.
Uitspraak
RECHTBANK OOST-BRABANT
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
|
zaaknummer |
: |
NL:TZ:0000405655:M001 |
|
dossiernummer |
: |
MB15913 |
|
datum |
: |
18 juni 2026 |
[…]
beschikking op een verzoek tot ontslag van de mentor, dan wel opheffing van mentorschap
op verzoek van
[mentor]
[mentor]
[mentor] ,
hierna te noemen: mentor,
met betrekking tot
[betrokkene] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,
wonende te [adres] ,
hierna te noemen: betrokkene.
procedure
De kantonrechter heeft kennisgenomen van:
- het verzoek (met bijlagen), ontvangen op 20 februari 2026;
- de schriftelijke reactie van betrokkene, met als bijlagen brieven van de [belanghebbenden] en van de psychiater van betrokkene, ontvangen op 19 maart 2026;
- de aanvullende informatie, ontvangen op 9 april 2026.
Het verzoek is mondeling behandeld op de zitting van 28 mei 2026. Van hetgeen is besproken op de zitting zijn aantekeningen gemaakt. Op de zitting zijn verschenen betrokkene, zijn begeleider, de mentor en de bewindvoerder.
beoordeling
Het verzoek strekt tot ontslag van de mentor. Aan het verzoek is – samengevat – ten grondslag gelegd dat tussen de mentor en betrokkene een verschil van inzicht is ontstaan over de invulling van het mentorschap, waardoor de verstandhouding is verslechterd. Betrokkene acht de huidige vorm van mentorschap niet passend bij zijn behoeften en ervaart onvoldoende meerwaarde van een professionele mentor. De mentor heeft erop gewezen dat gedurende het mentorschap belangrijke voorzieningen voor betrokkene zijn gerealiseerd, waaronder een Wlz-indicatie, en dat betrokkene inmiddels structurele begeleiding ontvangt vanuit de GGZ. Volgens de mentor is sprake van een bredere ondersteuningsbehoefte dan door mentorschap alleen kan worden geboden en is voortzetting van het mentorschap, gelet op de verstoorde verhouding, niet langer in het belang van betrokkene.
Betrokkene heeft zich met het ontslagverzoek verenigd en daarnaast verzocht het mentorschap op te heffen. Daartoe heeft hij aangevoerd dat hij de afgelopen periode aanzienlijke stappen heeft gezet in zijn zelfredzaamheid. Hij heeft behandeling en begeleiding ontvangen gericht op zijn autisme, heeft de daarbij gestelde doelen behaald en ontvangt op grond van een Wlz-indicatie structurele woonbegeleiding. Volgens betrokkene is hij met de ondersteuning van zijn begeleiders voldoende in staat zijn persoonlijke belangen te behartigen, weloverwogen beslissingen te nemen en zijn zaken zelfstandig te regelen. Hij acht voortzetting van het mentorschap daarom niet langer noodzakelijk.
[belanghebbenden] hebben het verzoek tot opheffing ondersteund. Zij hebben aangegeven dat betrokkene duidelijke vooruitgang heeft laten zien in zijn zelfredzaamheid, in staat is de gevolgen van zijn keuzes te overzien en met de huidige begeleiding voldoende ondersteuning ontvangt. Volgens [belanghebbenden] kan betrokkene zijn persoonlijke belangen zelfstandig behartigen en heeft het mentorschap op dit moment geen toegevoegde waarde meer.
Ook de psychiater van betrokkene heeft verklaard dat geen sprake is van een psychische stoornis die maakt dat betrokkene niet in staat is wilsbekwame beslissingen te nemen. Daarnaast heeft de psychiater aangegeven dat betrokkene inmiddels beschikt over passende ondersteuning vanuit de woonbegeleiding, waardoor het mentorschap mogelijk geen meerwaarde meer heeft.
Naast het mentorschap is ten behoeve van betrokkene in juli 2024 een bewind ingesteld. De bewindvoerder heeft geen akkoordverklaring afgegeven voor de opheffing van het mentorschap. Zij is van mening dat een mentor voor betrokkene noodzakelijk blijft en dat deze rol niet door een vrijwillige mentor dient te worden vervuld. De bewindvoerder heeft op zitting aangevoerd te vrezen dat bij opheffing van het mentorschap mentortaken op haar zullen neerkomen.
De kantonrechter overweegt als volgt.
Uit de overgelegde stukken en het verhandelde op zitting is de kantonrechter voldoende gebleken dat de noodzaak tot voortzetting van het mentorschap niet langer aanwezig is. Daarbij acht de kantonrechter van belang dat het verzoek tot opheffing niet alleen door betrokkene zelf uitvoerig is onderbouwd, maar ook wordt ondersteund door zowel zijn [belanghebbenden] . Uit hun verklaringen volgt dat betrokkene voldoende in staat is zijn persoonlijke belangen te overzien en dat de huidige begeleiding adequaat voorziet in zijn ondersteuningsbehoefte.
De kantonrechter neemt daarbij ook in aanmerking dat sinds de instelling van het mentorschap belangrijke stappen zijn gezet in de organisatie van de zorg rondom betrokkene. Daarmee is de ondersteuning van betrokkene aanzienlijk uitgebreid en voldoende geborgd. Op zitting is gebleken dat de mentor gedurende de afgelopen maanden feitelijk nauwelijks nog een rol heeft vervuld en dat de hulpvragen van betrokkene door zijn begeleiders worden opgevangen. Niet is gebleken dat daarbij problemen zijn ontstaan of dat sprake is geweest van situaties waarin de tussenkomst van een mentor noodzakelijk was.
De door de bewindvoerder geuite zorg dat werkzaamheden van de mentor op haar terecht zouden kunnen komen, acht de kantonrechter onvoldoende om de voortduring van het mentorschap te rechtvaardigen. Uit hetgeen ter zitting is besproken en uit de stukken blijkt immers niet dat hiervan gedurende de afgelopen maanden sprake is geweest. De huidige begeleiding voorziet naar het oordeel van de kantonrechter voldoende in de ondersteuning die betrokkene nodig heeft.
Gelet op het voorgaande zal de kantonrechter het mentorschap opheffen.
De kantonrechter merkt ten slotte op dat, indien de situatie van betrokkene in de toekomst verandert en alsnog behoefte ontstaat aan bescherming van zijn niet-vermogensrechtelijke belangen, betrokkene zelf dan wel een andere daartoe wettelijk bevoegde persoon opnieuw een verzoek tot instelling van een mentorschap kan indienen.
beslissing
De kantonrechter:
- heft het mentorschap ten behoeve van [betrokkene] op per 1 juli 2026.
|
Deze beschikking is gegeven door mr. S. Bešic, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 18 juni 2026. |
||
|
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING SECRETARIS! |
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING RECHTER! |
|
|
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR STEMPELS! |
Tegen deze beschikking kan - uitsluitend door tussenkomst van een advocaat - hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch:
-
door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van deze beschikking (digitaal) is verstrekt of verzonden binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
-
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na betekening daarvan of nadat deze beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.