Strafrecht overig

Schorsing voorlopige hechtenis ten behoeve van het uitzitten van een onherroepelijke gevangenisstraf

Zaakgegevens

Op 18 augustus 2026 heeft de Rechtbank Oost-Brabant uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Zittingsplaats
's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
18 augustus 2026
Datum publicatie
18 augustus 2026
Zaaknummer
01-219469-26
Procedure
Raadkamer
ECLI
ECLI:NL:RBOBR:2026:5923
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Schorsing voorlopige hechtenis ten behoeve van het uitzitten van een onherroepelijke gevangenisstraf

Uitspraak

Inhoudsopgave

ToRECHTBANK OOST-BRABANT

Strafrecht

parketnummer : 01-219469-26

beslissing op verzoek opheffing subsidiair schorsing van de voorlopige hechtenis

(artikel 69, 80 Wetboek van Strafvordering)

in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [1975] te [geboorteplaats] ,

inschrijvingsadres in de Basisregistratie Personen:

[adres] ,

nu gedetineerd in [verblijfplaats] .

Raadsvrouw mr. M.J. van de Laar.

Procedure

Op 12 augustus 2026 heeft de rechtbank de gevangenhouding bevolen.

Op 12 augustus 2026 is op de griffie van de rechtbank een verzoekschrift ingekomen dat strekt tot opheffing subsidiair schorsing van de voorlopige hechtenis, teneinde een inmiddels onherroepelijk geworden eerder opgelegde straf uit te zitten, in afwachting van een mogelijk op te leggen ISD-maatregel in de huidige strafzaak.

De rechtbank heeft kennisgenomen van het verzoekschrift en het schriftelijke standpunt van de officier van justitie d.d. 14 augustus 2026. De officier van justitie heeft zich niet verzet tegen de schorsing van de voorlopig hechtenis ten behoeve van het uitzitten van een onherroepelijk geworden vonnis, gelet op het voornemen om een ISD-maatregel te vorderen.

Beoordeling

De ernstige bezwaren en gronden, die tot het verlenen van het bevel tot voorlopige hechtenis hebben geleid, bestaan nog steeds.

De rechtbank is van oordeel dat een situatie als bedoeld in artikel 67a, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering op dit moment nog niet aan de orde is.

Het verzoek om opheffing van de voorlopige hechtenis wordt daarom afgewezen.

De rechtbank is van oordeel dat het uitzitten van een onherroepelijk aan verdachte opgelegde gevangenisstraf in beginsel als alternatief kan dienen voor de voorlopige hechtenis en een grond kan opleveren voor schorsing nu dit een voor verdachte gunstigere vorm van vrijheidsbeneming is dan de voorlopige hechtenis.

De rechtbank is bekend met het feit dat de rechtbank Zeeland-West-Brabant prejudiciële vragen over deze materie aan de Hoge Raad heeft gesteld (ECLI:NL:RBZWB:2026:7238) en dat het hiervoor genoemde uitgangspunt niet (langer) door de gerechtshoven wordt onderschreven.

Daarin ziet zij echter geen aanleiding om deze zaak aan te houden of een ander uitgangspunt te hanteren. In lijn met eerdere uitspraken van de rechtbanken Zeeland-West-Brabant (een lijn die met het stellen van prejudiciële vragen niet is verlaten) en Oost-Brabant acht de rechtbank het uitzitten van een onherroepelijke straf in beginsel een goede manier om te voldoen aan het subsidiariteitsbeginsel zoals vastgelegd in de jurisprudentie van het EHRM en in het nationale recht.

Daar komt bij dat in dit specifieke geval, waarin door de officier van justitie reeds is aangekondigd dat in de strafzaak een ISD-maatregel gevorderd zal worden, een extra belang bestaat om de voorlopige hechtenis te schorsen ten behoeve van het uitzitten van een onherroepelijke straf. De voorlopige hechtenis wordt immers niet afgetrokken in geval van opleggen van een ISD-maatregel en het is onwenselijk dat na ommekomst van de ISD-maatregel nog een strafrestant open staat.

De verdachte heeft zich bereid verklaard tot nakoming van de hieronder vermelde schorsingsvoorwaarden.

Het verzoek tot schoring van de voorlopige hechtenis zal worden toegewezen.

Beslissing

De rechtbank:

wijst het verzoek tot opheffing af;

wijst het verzoek tot schorsing toe.

De rechtbank bepaalt dat de schorsing van de voorlopige hechtenis ingaat op het moment dat de aan de verdachte opgelegde onvoorwaardelijke gevangenisstraf in de zaak met parketnummer 01-103782-26, (nummer in hoger beroep: 20-001205-26, welk hoger beroep is ingetrokken) en de gevangenisstraffen die daarbij in het kader van toegewezen vorderingen tenuitvoerlegging met parketnummers 01-110823-05 en 01-318056-24 zijn opgelegd ten uitvoer worden gelegd en eindigt wanneer de tenuitvoerlegging van deze gevangenisstraffen eindigt óf wanneer de detentiefasering een aanvang neemt.

Voorts gelden daarbij de navolgende voorwaarden:

1. De verdachte zal zich niet aan de tenuitvoerlegging van het bevel tot voorlopige hechtenis onttrekken, indien de opheffing van de schorsing mocht worden bevolen.

2. Indien de verdachte wegens het feit waarvoor de voorlopige hechtenis is bevolen tot andere dan vervangende vrijheidsstraf mocht worden veroordeeld, zal de verdachte zich niet onttrekken aan de tenuitvoerlegging daarvan.

3. De verdachte zal ten behoeve van het vaststellen van zijn of haar identiteit medewerking verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of zal een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbieden.

4. De verdachte zal zich niet aan een strafbaar feit schuldig maken.

Deze beslissing is gegeven op 18 augustus 2026 door:

mr. C.A. Mandemakers, rechter,

in tegenwoordigheid van S.W.H. Kempe, griffier.