Strafrecht overig
Wraking. Verzoek afgewezen, omdat het is gericht tegen een processuele handeling.
ECLI:NL:RBOBR:2026:5669 · Rechtbank Oost-Brabant · 22 januari 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-oost-brabant/strafrecht/strafrecht-overig/wraking/ecli-nl-rbobr-2026-5669
Zaakgegevens
Op 22 januari 2026 heeft de Rechtbank Oost-Brabant uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Rechtbank Oost-BrabantRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- 's-Hertogenbosch
- Datum uitspraak
- 22 januari 2026
- Datum publicatie
- 10 augustus 2026
- Zaaknummer
- WR 26/002
- Rechtsgebied
- Strafrecht Strafrecht overig
- Procedure
- WrakingWrakingEen partij vraagt om een rechter van de zaak te halen, omdat zij twijfelt aan diens onpartijdigheid.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBOBR:2026:5669
Samenvatting
Wraking. Verzoek afgewezen, omdat het is gericht tegen een processuele handeling.
Uitspraak
Inhoudsopgave
[afbeelding niet beschikbaar] [afbeelding niet beschikbaar]beslissing
RECHTBANK Oost-Brabant
Wrakingskamer
zaaknummer: WR 26/002
Beslissing van 22 januari 2026
van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek op grond van artikel 36 van het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering (Rv) van
[verzoeker] ,
hierna te noemen: verzoeker,
strekkende tot de wraking van
mr. C.A. Mandemakers, mr. A.H.J.J. van de Wetering en mr. M. de Vries,
rechters van de wrakingskamer in deze rechtbank, hierna te noemen: de rechters.
De procedure
In de zaak met procedurenummer 11791782 CV EXPL 25-5053 is verzoeker gedaagde partij in verzet. In die zaak gaat het om een arbeidsrechtelijke kwestie. In deze zaak heeft op 4 december 2025 de mondelinge behandeling plaatsgevonden. Op 8 december 2025 heeft verzoeker een wrakingsverzoek ingediend tegen de rechter die deze zaak in behandeling heeft.
Dit wrakingsverzoek is bij de wrakingskamer bekend onder het nummer WR 25/037. Voor dit wrakingsverzoek was een zitting gepland op 8 januari 2026. Op 5 januari 2026 heeft verzoeker de wrakingskamer die zijn wrakingsverzoek in behandeling heeft genomen, gewraakt. Ook vraagt verzoeker om verwijzing van de wrakingszaak naar een ander arrondissement.
Het wrakingsverzoek en de reactie van de rechter daarop
Uit het wrakingsverzoek blijkt dat verzoeker het volgende aan zijn verzoek ten grondslag heeft gelegd. Bij de oproep van 31 december 2025 voor de zitting van 8 januari 2026 ontving verzoeker een proces-verbaal van een andere zaak (WR 25/036), terwijl het proces-verbaal van zijn eigen zaak (WR 25/037) ontbrak. Verzoeker kan er dus niet meer op vertrouwen dat de rechters oordelen op basis van de juiste informatie en heeft hij zich niet goed kunnen voorbereiden. Daarnaast is volgens verzoeker sprake van schending van het recht op voorbereiding en fair trial zoals neergelegd in artikel 6 van het EVRM. Zo kwam de oproep voor de wrakingszitting van 8 januari 2026 pas op 31 december 2025 en heeft hij geen rechtsbijstand, omdat de Deken van Advocaten pas op 5 januari 2026 zijn verzoek om een advocaat heeft afgewezen. Tot slot voert verzoeker aan dat sprake is van persoonlijke kwetsbaarheid en gebrek aan zorgvuldigheid, omdat zijn huidige omstandigheden het voeren van verdediging onmogelijk maken.
Op 7 januari 2026 heeft de voorzitter van de wrakingskamer namens de rechters gereageerd. Hij heeft aangegeven dat de rechters niet berusten in het wrakingsverzoek. De rechters betreuren het dat aan verzoeker het verkeerde proces-verbaal is toegezonden. Dit betreft echter een administratief verzuim dat in de zaak van verzoeker kan worden hersteld. Het is geen bijzondere omstandigheid die een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het aannemen van (de objectief gerechtvaardigde schijn van) partijdigheid.
De beoordeling
In artikel 36 Rv is geregeld dat elke rechter die een zaak behandelt, kan worden gewraakt op verzoek van een partij. De grond voor zo’n verzoek is dat er feiten of omstandigheden zijn waardoor de onpartijdigheid van de rechter schade zou kunnen lijden. Bij de beoordeling van zo’n verzoek is belangrijk dat wordt vermoed dat een rechter door zijn aanstelling als rechter onpartijdig is. Alleen als er sprake is van uitzonderlijke omstandigheden geldt dit vermoeden niet. Deze uitzonderlijke omstandigheden moeten dan een zwaarwegende aanwijzing opleveren dat een rechter tegenover een procespartij vooringenomen is. Het kan ook zijn dat een procespartij vrees daarvoor heeft. Die vrees moet wel objectief gerechtvaardigd zijn. Tot slot is ook de schijn van partijdigheid en het vermijden daarvan, belangrijk bij de beoordeling van het wrakingsverzoek.
Bij de behandeling van een wrakingsverzoek maakt de wrakingskamer onder andere gebruik van het wrakingsprotocol van de rechtbank Oost-Brabant (hierna: het wrakingsprotocol). Hierin zijn de regels voor het indienen en de behandeling van een wrakingsverzoek vastgelegd. In het wrakingsprotocol is onder andere geregeld dat de wrakingskamer het wrakingsverzoek meteen zonder zitting (dat is de mondelinge behandeling van een zaak) ongegrond kan verklaren. Dit is mogelijk als het wrakingsverzoek kennelijk ongegrond is. Dit is geregeld in artikel 5, tweede lid, aanhef en onder a, van het wrakingsprotocol. De wrakingskamer oordeelt dat deze situatie zich hier voordoet. De wrakingskamer zal hierna toelichten hoe zij tot dit oordeel is gekomen.
Het toesturen van het verkeerde proces-verbaal is een handeling die door de administratief medewerker van de wrakingskamer is uitgevoerd. De rechters hebben hierin geen bemoeienis gehad, zodat de wrakingskamer in het toesturen geen aanleiding ziet om aan te nemen dat sprake is van (de schijn van) partijdigheid bij de rechters. Ook overigens heeft verzoeker geen concrete feiten of omstandigheden genoemd waaruit de (schijn van) partijdigheid van de rechters blijkt.
Voor wat betreft verzoekers opmerking over de korte termijn waarop de wrakingszitting is gepland, oordeelt de wrakingskamer als volgt. In artikel 36 RV is geregeld dat een verzoek tot wraking zo spoedig mogelijk op zitting wordt behandeld. De voorzitter van de wrakingskamer heeft hier uitvoering aan gegeven door de zitting te bepalen op 8 januari 2026. De wrakingskamer ziet ook hierin geen aanleiding om aan te nemen dat sprake is van partijdigheid (of de schijn hiervan) bij de rechters van de wrakingskamer.
Gelet op voorgaande overwegingen is de wrakingskamer van oordeel dat er geen grond is voor wraking en evenmin voor verwijzing van deze zaak naar een ander arrondissement. Het wrakingsverzoek is daarom kennelijk ongegrond en zal worden afgewezen.
De beslissing
De wrakingskamer:
- wijst het verzoek tot wraking af.
Deze beslissing is gegeven door mr. F. Kooijman, voorzitter, mr. M.E. Bartels en
mr. F.H.E. Boerma, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.E.A. Schokker-Stadhouders, griffier, en in openbaar uitgesproken op 22 januari 2026.
de griffier de voorzitter
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open (artikel 39, vijfde lid, Rv).