Strafrecht overig

WR 26/004: Wraking. Verzoek afgewezen omdat niet is gebleken dat de rechters iets hebben gedaan of gezegd…

Zaakgegevens

Op 19 februari 2026 heeft de Rechtbank Oost-Brabant uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Zittingsplaats
's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
19 februari 2026
Datum publicatie
11 augustus 2026
Zaaknummer
WR 26-004
Procedure
Wraking
ECLI
ECLI:NL:RBOBR:2026:5711
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

WR 26/004: Wraking. Verzoek afgewezen omdat niet is gebleken dat de rechters iets hebben gedaan of gezegd waaruit (de objectief gerechtvaardigde schijn van) partijdigheid blijkt.

Uitspraak

Inhoudsopgave

[afbeelding niet beschikbaar] [afbeelding niet beschikbaar]beslissing

RECHTBANK Oost-Brabant

Wrakingskamer

zaaknummer: WR 26-004

Beslissing van 19 februari 2026

van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek van:

[verzoeker] ,

domicilie kiezende aan de [adres] , ten kantore van zijn raadsman mr. S. Schuurman,

hierna te noemen: verzoeker,

strekkende tot de wraking van:

de meervoudige kamer,

bestaande uit mrs. J.H.P.G. Wielders, A.E. de Kryger en E.J. Verborg,

hierna te noemen: de rechters.

1 De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het proces-verbaal van de terechtzitting van 26 januari 2026 en 2, 6, 9 en 10 februari 2026;

- het schriftelijke wrakingsverzoek van 11 februari 2026;

- de schriftelijke reactie van de rechters van 13 februari 2026;

- de aantekeningen van de griffier van de mondelinge behandeling op 17 februari 2026.

Bij de mondelinge behandeling zijn verschenen:

- verzoeker, bijgestaan door zijn raadsman mr. S. Schuurman, advocaat te Breukelen (gezamenlijk via een videoverbinding);

- de rechters, mrs. J.H.P.G. Wielders en E.J. Verborg.

De rechter mr. A.E. de Kryger heeft laten weten niet te zullen verschijnen.

2 Het wrakingsverzoek en de reactie van de rechters

2.1

Het verzoek strekt tot wraking van de rechters in de strafzaak tegen verzoeker (verdachte) met parketnummer 71.056560.22.

2.2

Verzoeker heeft blijkens het schriftelijke verzoek en zijn toelichting bij de mondelinge behandeling, zakelijk weergegeven, het volgende aan zijn verzoek ten grondslag gelegd.

Tijdens de zitting van 26 januari 2026 heeft de raadsman naar voren gebracht dat verzoeker gebruik wenst te maken van zijn aanwezigheidsrecht en dat verzoeker een verklaring wil afleggen in zijn zaak. De rechtbank wenste echter behandeling van de zaak voort te zetten.

Tijdens de zitting van 10 februari 2026 heeft de raadsman na de wijziging van de tenlastelegging verzocht om aanhouding van de behandeling van de zaak. De rechtbank heeft dit verzoek toegewezen en de behandeling van de zaak tegen verzoeker geschorst tot 23 februari 2026. De behandeling van de zaken van de medeverdachten is wel voortgezet. In die zaken heeft de officier van justitie het requisitoir voorgedragen en daarbij tevens – buiten aanwezigheid van verzoeker en zijn raadsman – in de zaak van verzoeker het requisitoir voorgedragen en de eis geformuleerd. Verzoeker en zijn raadsman hebben dit via de media en een raadsman van een van de medeverdachten vernomen.

Verzoeker stelt zich op het standpunt dat de rechters blijk hebben gegeven van vooringenomenheid door het voortzetten van de behandeling van de zaak door de officier van justitie het requisitoir te laten voordragen bij afwezigheid van de verzoeker en zijn raadsman en na schorsing van het onderzoek ter terechtzitting. Die beslissing is, gezien de verdedigingsrechten die hiermee worden geschonden, zo onbegrijpelijk dat de vrees voor vooringenomenheid objectief gerechtvaardigd is. Daarbij betrekt verzoeker ook de afwijzing van het op 26 januari 2026 door de raadsman gedane verzoek om verzoeker gebruik te laten maken van zijn aanwezigheidsrecht.

2.3

De rechters hebben in hun reactie laten weten niet in de wraking te berusten. Die reactie wordt hierna voor zover nodig besproken.

3 De beoordeling

3.1

Een rechter kan alleen gewraakt worden als zich omstandigheden voordoen waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Daarvan is sprake als de rechter jegens een procesdeelnemer vooringenomen is of als de vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Daarbij is het uitgangspunt dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn omdat hij als rechter is aangesteld. Voor het oordeel dat de rechterlijke onpartijdigheid toch schade lijdt, bestaat alleen grond in geval van bijzondere omstandigheden die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het aannemen van (de objectief gerechtvaardigde schijn van) partijdigheid. Uit de wet volgt dat de verzoeker die concrete omstandigheden moet aanvoeren en wel zodra deze aan hem bekend zijn geworden.

3.2

Bij de beoordeling van het wrakingsverzoek laat de wrakingskamer het op 26 januari 2026 afgewezen verzoek om verzoeker gebruik te laten maken van zijn aanwezigheidsrecht buiten beschouwing. De raadsman heeft bij de mondelinge behandeling toegelicht dat hij daarmee geen wrakingsgrond heeft willen aanvoeren, maar dat die beslissing wel heeft bijgedragen aan het overlopen van de spreekwoordelijke emmer. De directe aanleiding voor het wrakingsverzoek is volgens de raadsman het voortzetten van de behandeling van de zaak in afwezigheid van de verdediging.

3.3

De wrakingskamer overweegt daarover als volgt. Uit het proces-verbaal van de zitting van 10 februari 2026 volgt dat de voorzitter aan de raadsman van verzoeker heeft gevraagd of het een idee is het requisitoir, dat die dag wel zal worden voorgedragen in de zaken van de medeverdachten, aan te horen om het dan later op de zitting van 23 februari 2026 als herhaald en ingelast te beschouwen. De raadsman van verzoeker heeft daarop gezegd dat hij bereid was om het praktisch in te steken, dat hij het requisitoir op papier had en digitaal en het ook thuis kon lezen. Hij vond het voorstel prima, maar heeft wel aangedrongen op schorsing van het onderzoek in de zaak van zijn cliënt. Uit het proces-verbaal van de zitting van 10 februari 2026 volgt dat de behandeling van de zaak van verzoeker om 12:45 uur is geschorst tot 23 februari 2026 en dat de raadsman daarop de zittingszaal heeft verlaten. Het onderzoek ter terechtzitting is in de zaak van verzoeker daarna niet hervat.

Uit het verzoekschrift en de reactie van de rechters blijkt dat de officier van justitie vervolgens in de zaken van de medeverdachten het requisitoir heeft voorgedragen dat op voorhand was overgelegd. Uit het proces-verbaal van de zitting van 10 februari 2026 blijkt dat er één doorlopend requisitoir is gemaakt, waarin het standpunt van het openbaar ministerie ten aanzien van alle verdachten is opgenomen. Dit betekent dat ook het deel van het requisitoir dat ziet op de zaak van verzoeker is voorgedragen. Daarbij is ook de strafeis die zal worden gedaan in de zaak van verzoeker kenbaar gemaakt.

Tijdens de behandeling van het wrakingsverzoek is gebleken dat die strafeis niet was vermeld in het exemplaar van het requisitoir dat aan de raadsman was verstrekt. Verzoeker en zijn raadsman waren daarvan dus niet op de hoogte. Dat was bij de rechters niet bekend. De strafeis stond wel in het aan de rechtbank verstrekte exemplaar van het requisitoir vermeld.

Naar het oordeel van de wrakingskamer is het ongelukkig dat verzoeker vervolgens uit de media heeft moeten vernemen wat de strafeis in zijn zaak zal zijn. De rechters hebben dat ook beaamd. Het voorgaande neemt niet weg dat de behandeling van de strafzaak van verzoeker al was geschorst en eerst op 23 februari 2026 zal worden voortgezet, waarbij het requisitoir dan formeel zal worden voorgedragen (of als zodanig beschouwd) en de strafeis zal worden geformuleerd. Dat de rechters iets hebben gedaan of gezegd waaruit (de objectief gerechtvaardigde schijn van) partijdigheid blijkt, is niet gebleken, zodat het verzoek tot wraking afgewezen zal worden.

4 De beslissing

De rechtbank wijst het verzoek tot wraking af.

Deze beslissing is gegeven door mr. J.A. van Voorthuizen, voorzitter, mr. C.A. Mandemakers en mr. N. Flikkenschild, leden, in tegenwoordigheid van de griffier en in openbaar uitgesproken op 19 februari 2026.

de griffier de voorzitter

Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.