Bestuursprocesrecht
Beroep i.v.m. niet tijdig beslissen op bezwaar. Volgens eiseres was het genomen besluit geen volledig…
Rechtbank Overijssel, 8 april 2025
ECLI:NL:RBOVE:2025:2146 · Rechtbank Overijssel · 8 april 2025
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-overijssel/bestuursrecht/bestuursprocesrecht/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbove-2025-2146
Zaakgegevens
Op 8 april 2025 heeft de Rechtbank Overijssel in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over bestuursprocesrecht.
- Instantie
- Rechtbank OverijsselRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Zwolle
- Datum uitspraak
- 8 april 2025
- Datum publicatie
- 8 april 2025
- Zaaknummer
- ak_24_3481
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Bestuursprocesrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBOVE:2025:2146
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Beroep i.v.m. niet tijdig beslissen op bezwaar. Volgens eiseres was het genomen besluit geen volledig besluit. Het beroep voor zover gericht tegen het onderzoek ‘milieu’ is ongegrond. Het beroep voor zover gericht tegen het onderdeel ‘bouwen’ is niet-ontvankelijk.
Uitspraak
RECHTBANK OVERIJSSEL
Bestuursrecht
zaaknummer: ZWO 24/3481
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eisers], uit [woonplaats], eisers
(gemachtigde: mr. F.H. Damen),
en
het college van Gedeputeerde Staten van Overijssel
(gemachtigde: R. Orie).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eisers vanwege het niet tijdig nemen van een beslissing op bezwaar door verweerder.
Hoewel verweerder met zijn besluit van 7 november 2023 weliswaar op het bezwaar heeft beslist, was dit volgens eiseres niet een volledig besluit.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Eisers hebben een reactie op het verweerschrift ingezonden.
De rechtbank heeft beroep op 13 februari 2025 op zitting behandeld. Verweerder is verschenen, vertegenwoordigd door de heer R. Orie.
Op 11 maart 2025 is het onderzoek ter zitting gesloten.
Procesverloop
2. Op 8 februari 2022 hebben eisers bij zowel verweerder als het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hof van Twente én het Waterschap Vechtstromen een handhavingsverzoek ingediend.
Bij besluit van 27 oktober 2022 heeft verweerder het verzoek om handhaving afgewezen.
Namens eisers is op 18 november 2022 bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Op 9 augustus 2023 hebben eisers verweerder in gebreke gesteld, waarna op 31 augustus 2023 beroep is ingesteld wegens het niet tijdig beslissen op het bezwaarschrift door verweerder.
Bij uitspraak van 7 november 2023 (kenmerk ZWO 23/1820) heeft de rechtbank – voor zover relevant – dat beroep kennelijk gegrond verklaard en verweerder opgedragen om binnen twee weken na de dag van verzending van de uitspraak alsnog een besluit op het bezwaar bekend te maken. De rechtbank heeft hier een dwangsom aan verbonden van € 100,- voor elke dag waarmee de genoemde termijn wordt overschreden, met een maximum van € 15.000,-.
Eveneens op 7 november 2023 heeft verweerder een beslissing op het bezwaar genomen, waarbij aan Groen Gas Goor B.V. een aantal dwangsommen is opgelegd.
Eisers hebben op 10 september 2024 opnieuw beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op het bezwaar. Hiertoe is aangevoerd dat het besluit van 7 november 2023 geen volledig besluit op het bezwaar is, omdat verweerder in dit besluit expliciet heeft aangegeven dat ten aanzien van het onderdeel bouwen een separaat besluit wordt afgegeven. Aangezien bouwen onderdeel is van het handhavingsverzoek en het bezwaar van eisers had verweerder dit in het besluit van 7 november 2023 mee moeten nemen. Het besluit van 7 november 2023 is niet volledig en slechts een eerste deelbesluit. Een tweede deelbesluit (ten aanzien van het onderdeel bouwen) is ten tijde van het instellen van beroep nog niet genomen. Ook is het besluit van 7 november 2023 niet volledig. Daarom is volgens eisers nog niet is voldaan aan de uitspraak van de rechtbank van 7 november 2023. Dit betekent dat verweerder een dwangsom van € 100,- per dag verbeurt.
Verweerder heeft in zijn verweerschrift erkend dat het besluit ten aanzien van het onderdeel bouwen is uitgebleven. Een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor een omgevingsactiviteit en een bouwactiviteit is in behandeling en de verwachting is dat er, positief, in de eerste helft van november (2024) besloten zal worden op deze aanvraag.
Voor wat betreft de stelling dat nog niet besloten is op een aantal punten met betrekking tot milieu heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat de toezichthouders een controle hebben uitgevoerd en dat de daarbij geconstateerde overtredingen hebben geleid tot het besluit van 7 november 2023 waarbij een last onder dwangsom is opgelegd. Op de overige punten is geen overtreding geconstateerd. Deze punten zijn inderdaad niet expliciet in het besluit benoemd maar er moet wel worden geacht een besluit over te zijn genomen.
Bij besluit van 19 december 2024 heeft verweerder aan Groen Gas Goor B.V. een omgevingsvergunning verleend.
Eisers hebben hierop bij brief van 6 januari 2025 aangegeven dat het feit dat verweerder een omgevingsvergunning heeft verleend onverlet laat dat hij nog steeds een besluit op het handhavingsverzoek moeten nemen.
Verweerder heeft op 10 februari 2025 alsnog een besluit genomen op het handhavingsverzoek van eisers wat betreft de bouwonderdelen.
Eisers hebben bij brief van 11 februari 2025 gereageerd op dit alsnog genomen besluit en aangegeven dat dit besluit bevestigt dat hun beroep niet tijdig beslissen terecht is ingediend, dat verweerder dan dient te worden veroordeeld in de proceskosten en het griffierecht en dat de (on)juistheid van dat besluit in een ‘afzonderlijke procedure loopt’.
Omdat ter zitting van 13 februari 2025 bleek dat voornoemd besluit van 10 februari 2025 per abuis niet aan de rechtbank was toegezonden (maar wel aan eisers), heeft de rechtbank het onderzoek ter zitting niet gesloten. Door verweerder is het bewuste besluit van 10 februari 2025 alsnog ingezonden. De rechtbank ziet geen aanleiding voor het houden van een nadere zitting. Geen van de partijen wenste ook op een nadere zitting te worden gehoord. De rechtbank heeft het onderzoek alsnog gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
3. Het beroep van eisers is gericht tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op haar verzoek om handhavend op te treden tegen (gestelde) overtredingen met betrekking tot de onderdelen milieu en bouwen.
Bij besluit van 10 februari 2025 heeft verweerder alsnog een beslissing genomen op dit handhavingsverzoek voor zover dit ziet op het onderdeel bouwen.
Procesbelang met betrekking tot de niet tijdigheid onderdeel bouwen
Het beroep is in eerste instantie ingediend omdat eisers willen dat verweerder alsnog een besluit op hun verzoek om handhaving neemt. Verweerder heeft dat voor het onderdeel bouwen dus inmiddels gedaan. Het (proces)belang van eisers bij een beslissing op hun beroep gericht tegen het niet op tijd nemen van een besluit is daardoor in ieder geval voor wat betreft het onderdeel bouwen weggevallen.
De rechtbank ziet wel aanleiding om verweerder op te dragen aan eisers de proceskosten en het griffierecht te vergoeden. Dit omdat het beroep tegen het niet op tijd nemen van een besluit niet ten onrechte was. De indiening van het beroep was namelijk het gevolg van het niet op tijd beslissen door verweerder, welk niet tijdig beslissing ook door verweerder is erkend. Omdat de zaak alleen gaat over de vraag of er tijdig is beslist wordt een lager bedrag toegekend (wegingsfactor 0,5). De rechtbank ziet geen aanleiding om -zoals door de gemachtigde van eisers wel is verzocht – aan de zaak een zwaarder gewicht toe te kennen.
De niet tijdigheid van het onderdeel milieu
Daarmee resteert voor wat betreft de niet tijdigheid de vraag of ook ten aanzien van het onderdeel milieu sprake was van het niet tijdig beslissen door verweerder. Naar het oordeel van de rechtbank is daarvan geen sprake. Naar aanleiding van het handhavingsverzoek van eisers is door de toezichthouders een controle uitgevoerd. Daarbij zijn op een aantal punten overtredingen geconstateerd, welke hebben geleid tot de beslissing op bezwaar van 7 november 2023 waarbij een last onder dwangsom is opgelegd. Verweerder heeft aangevoerd dat ten aanzien van de onderdelen uit het handhavingsverzoek waarbij geen overtredingen zijn geconstateerd, geen expliciete beslissing is opgenomen in de beslissing op bezwaar van 7 november 2023, maar dat eisers in het betreffende controlerapport van 7 april 2023 kunnen lezen op welke onderdelen geen sprake zou zijn van overtredingen.
Volgens bestendige rechtspraak moet een bestuursorgaan dat een handhavingsverzoek ontvangt dat voldoende concreet is geformuleerd, ingaan op alle onderdelen van dat verzoek. De controles die een bestuursorgaan uitvoert naar aanleiding van het handhavingsverzoek moeten dan ook op die verschillende onderdelen geënt zijn. Gelet hierop alsmede op het feit dat met het besluit van 7 november 2023 een besluit op bezwaar is genomen, is de rechtbank van oordeel dat in ieder geval van een niet tijdig genomen besluit geen sprake is.
Het beroep voor zover dat is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit op het onderdeel milieu dient dan ook ongegrond te worden verklaard.
Nu er tevens (regulier) beroep is ingesteld tegen het bewuste besluit van 7 november 2023, dient in die procedure (materieel) te worden geoordeeld over dat besluit.
Conclusie en gevolgen
Het beroep van eisers, voor zover gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit op bezwaar voor het onderdeel ‘milieu’, is ongegrond. Het beroep van eisers, voor zover gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit op bezwaar voor het onderdeel ‘bouwen’, is niet ontvankelijk, omdat er op dat punt niet langer sprake is van procesbelang.
Verweerder moet wel het griffierecht aan eisers vergoeden. Eisers krijgen ook een vergoeding van hun proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Die vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgen eisers een vast bedrag per proceshandeling. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 907,-. De gemachtigde van eisers heeft een beroepschrift ingediend. De vergoeding bedraagt dan - uitgaande van wegingsfactor 0,5 (licht) - € 454,-.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond voor zover dat is gericht op het onderdeel ‘milieu’;
- verklaart het beroep niet ontvankelijk voor zover dat is gericht op het onderdeel ‘bouwen’;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 194,- aan eisers te vergoeden;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 454,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R. ter Haar, rechter, in aanwezigheid van mr. Y. van Arnhem, griffier.
De griffier is verhinderd deze uitspraak mede te ondertekenen.
Uitgesproken in het openbaar op
|
griffier |
rechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.