Bestuursprocesrecht

Deze uitspraak gaat over de afwijzing van eisers verzoek om een uitkering uit het Schadefonds…

Rechtbank Overijssel, 8 oktober 2026

Zaakgegevens

Op 8 oktober 2026 heeft de Rechtbank Overijssel in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over bestuursprocesrecht.

Instantie
Rechtbank Overijssel
Zittingsplaats
Zwolle
Datum uitspraak
8 oktober 2026
Datum publicatie
8 oktober 2026
Zaaknummer
ZWO 25/3535
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBOVE:2026:6028
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Deze uitspraak gaat over de afwijzing van eisers verzoek om een uitkering uit het Schadefonds Geweldsmisdrijven. De rechtbank is van oordeel dat de commissie het verzoek van eiser mocht afwijzen. Het beroep is ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle

Bestuursrecht

zaaknummer: ZWO 25/3535


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], uit [woonplaats]

en

de commissie Schadefonds Geweldsmisdrijven, hierna: de commissie

(gemachtigde: mr. A.M. Hepping).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van [eiser] verzoek om een uitkering uit het Schadefonds Geweldsmisdrijven (Schadefonds). [eiser] is het niet eens met deze afwijzing. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van het verzoek.

1.1.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de commissie het verzoek van [eiser] mocht afwijzen. [eiser] krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Inleiding en procesverloop

2. [eiser] heeft op 8 mei 2024 een verzoek bij de commissie ingediend om een uitkering uit het Schadefonds, omdat hij slachtoffer is geworden van brandstichting en het ingooien van zijn ruiten op 18 september 2023.

2.1.

De commissie heeft naar aanleiding van dit verzoek met het besluit van 13 juni 2024 aan [eiser] een tegemoetkoming toegekend van € 2.500,-. Hierbij is de commissie er vanuit gegaan dat [eiser] door het misdrijf ernstig psychisch letsel heeft gekregen. Daarom is de commissie bij de toekenning uitgegaan van letselcategorie 2.

3. [eiser] heeft op 9 december 2024 opnieuw een verzoek ingediend bij de commissie om een uitkering uit het Schadefonds, omdat hij slachtoffer is geworden van belediging en smaad/laster in de periode van 11 september 2023 tot en met 14 mei 2024.

3.1.

De commissie heeft dit verzoek met het besluit van 8 januari 2025 afgewezen. Met het bestreden besluit van 7 november 2025 op het bezwaar van [eiser] is de commissie bij de afwijzing van het verzoek gebleven.

3.2.

[eiser] heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

3.3.

De commissie heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.

3.4.

De rechtbank heeft het beroep op 3 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [eiser] en de gemachtigde van de commissie.

Beoordeling door de rechtbank

Griffierecht

4. [eiser] is op zijn verzoek voorlopig vrijgesteld van het betalen van griffierecht. Het is aan de rechtbank om een definitief oordeel te geven over het verzoek om vrijstelling van het betalen van griffierecht.

4.1.

De rechtbank is van oordeel dat [eiser] in aanmerking komt voor vrijstelling van griffierecht. Er is sprake van betalingsonmacht, want [eiser] heeft aan de hand van de door hem overgelegde stukken aannemelijk gemaakt dat zijn inkomen minder is dan 95% van de voor hem geldende bijstandsnorm voor alleenstaanden.

Het bestreden besluit

5. De commissie heeft het verzoek van [eiser] om een uitkering uit het Schadefonds afgewezen. De commissie stelt dat belediging, smaad en laster geen geweldsmisdrijven zijn en dat daarom niet wordt voldaan aan de eerste voorwaarde voor een uitkering uit het Schadefonds. Voor zover de gebeurtenissen in samenhang moeten worden bekeken met de gebeurtenissen waarop [eiser] eerste verzoek zag en het verzoek daarom moet worden gezien als een verzoek om een aanvullende uitkering, stelt de commissie dat aan de hand van de overgelegde informatie niet beoordeeld kan worden of [eiser] letsel erger is dan waar rekening mee is gehouden bij de eerste tegemoetkoming. Daarom komt [eiser] ook niet in aanmerking voor een aanvullende uitkering uit het Schadefonds.

Juridisch kader

6. In artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet schadefonds geweldsmisdrijven (Wsg) is bepaald dat uit het schadefonds uitkeringen kunnen worden gedaan aan een ieder die ten gevolge van een in Nederland opzettelijk gepleegd geweldsmisdrijf ernstig lichamelijk of geestelijk letsel heeft bekomen.

6.1.

De commissie heeft bij het nemen van beslissingen op verzoeken om een uitkering als bedoeld in artikel 3 van de Wsg beslissingsruimte. Bij het beoordelen van een verzoek om een uitkering uit het schadefonds hanteert de commissie beleid dat is neergelegd in de Beleidsbundel Schadefonds Geweldsmisdrijven (Beleidsbundel) en de Letsellijst Schadefonds Geweldsmisdrijven (Letsellijst).

6.2.

Onder F.1 van de Beleidsbundel is opgenomen dat een slachtoffer een aanvullende aanvraag kan indienen als het letsel na ontvangst van een (gedeeltelijk) toewijzende beslissing substantieel ernstiger blijkt dan waarmee rekening is gehouden in de beslissing op de primaire aanvraag. Voor de onderbouwing van een aanvullende aanvraag moet een slachtoffer nieuwe medische informatie verstrekken, waaruit blijkt dat het letsel ernstiger is dan waarmee rekening was gehouden in de beslissing op de primaire aanvraag.

Heeft de commissie het verzoek mogen afwijzen?

7. [eiser] heeft ter zitting desgevraagd aangegeven dat hij heeft bedoeld een verzoek te doen om een aanvullende uitkering, omdat hij veel schade heeft geleden als gevolg van het gehele feitencomplex aan misdrijven waar hij slachtoffer van is geworden.

7.1.

[eiser] voert aan dat de commissie zijn verzoek ten onrechte heeft afgewezen. Hij stelt dat zijn (psychische) klachten met name zijn ontstaan naar aanleiding van het ingooien van de ruiten van zijn woning, maar dat deze klachten moeilijk aan te tonen zijn. Hij heeft wel informatie overgelegd van ARBE-dienstverlening. Volgens [eiser] zou het onrechtvaardig zijn als hij geen (aanvullende) uitkering uit het Schadefonds krijgt, gelet op de impact die de situatie op hem heeft en de omstandigheid dat hij zijn materiële en immateriële schade vooralsnog niet via andere wegen vergoed heeft gekregen.

7.2.

De rechtbank stelt vast dat uit het besluit tot toekenning van de uitkering van 13 juni 2024 blijkt dat de omstandigheden van het gehele feitencomplex zijn betrokken bij de toekenning. Daarbij is namelijk rekening gehouden met de omstandigheid dat [eiser] slachtoffer is geworden van brandstichting, dat een ruit was vernield in zijn woonkamer en dat hij moest verhuizen omdat de politie zijn veiligheid niet kon waarborgen. De commissie heeft voorondersteld dat [eiser] hierdoor ernstig psychisch letsel heeft gekregen en dat hier een tegemoetkoming bij past die hoort bij letselcategorie 2.

7.3.

In een door [eiser] overgelegd document staat dat bij hem de diagnose “angststoornis en afhankelijke persoonlijkheidsstoornis” is gesteld en dat hij van 15 november 2023 tot 14 mei 2024 wekelijks ambulante psychologisch ondersteunde gesprekken aan huis heeft gehad met een medewerker van ARBE-dienstverlening. [eiser] heeft op de zitting desgevraagd aangegeven dat hij dit document zelf heeft opgesteld.

7.4.

De rechtbank is van oordeel dat de commissie zich op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat [eiser] niet in aanmerking komt voor een aanvullende uitkering uit het Schadefonds. De door [eiser] overgelegde informatie betreft immers geen document afkomstig van een arts/behandelaar waaruit volgt dat het psychische letsel van [eiser] ernstiger is dan waar bij de eerdere toekenning rekening mee is gehouden.

7.5.

De omstandigheid dat [eiser] de door hem geleden schade (vooralsnog) niet op een andere wijze vergoed heeft gekregen, maakt dit ook niet anders. Van belang is dat een uitkering uit het schadefonds een financiële tegemoetkoming is die wordt gefinancierd uit belastinggeld en moet worden gezien als een uiting van erkenning namens de overheid en de samenleving van het onrecht dat het slachtoffer is aangedaan. Het Schadefonds beoogt met door haar verstrekte uitkeringen niet alle schade te dekken.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de afwijzing van het verzoek in stand blijft. [eiser] krijgt daarom geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van Berlo, rechter, in aanwezigheid van mr. E. Diele, griffier, uitgesproken in het openbaar op

griffier

rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.