Bestuursprocesrecht

Wet hersteloperatie toeslagen; te late aanmelding integrale beoordeling; onbillijkheid van overwegende aard…

Rechtbank Overijssel, 13 oktober 2026

Zaakgegevens

Op 13 oktober 2026 heeft de Rechtbank Overijssel in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over bestuursprocesrecht.

Instantie
Rechtbank Overijssel
Zittingsplaats
Zwolle
Datum uitspraak
13 oktober 2026
Datum publicatie
16 oktober 2026
Zaaknummer
ZWO 26/1207
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBOVE:2026:6191
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Wet hersteloperatie toeslagen; te late aanmelding integrale beoordeling; onbillijkheid van overwegende aard; toepassing hardheidsclausule. Beroep gegrond. Dienst Toeslagen wordt opgedragen om de aanvraag binnen drie maanden in behandeling te nemen en daarop te beslissen

Uitspraak

[afbeelding niet beschikbaar] RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle

Bestuursrecht

Zaaknummer: ZWO 26/1207

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], wonende te [woonplaats],

gemachtigde: mr. T.M.J. Oosterhuis-Putter,

en

de Dienst Toeslagen,

gemachtigde: mr. H. Oude Lenferink.

Procesverloop

Met het besluit van 10 september 2024 (het primaire besluit) heeft de Dienst Toeslagen de aanvraag van [eiser] om een integrale beoordeling van haar situatie met de kinderopvang-toeslag afgewezen.

Met het besluit van 2 juli 2025 (het bestreden besluit) heeft de Dienst Toeslagen het bezwaar van [eiser] ongegrond verklaard.

[eiser] heeft op 8 april 2026 tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 oktober 2026. [eiser] is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. De Dienst Toeslagen heeft zich laten vertegenwoordigen door de gemachtigde.

Na sluiting van het onderzoek ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.

Overwegingen

De rechtbank verklaart het beroep ontvankelijk en gegrond. De rechtbank geeft hiervoor de volgende motivering.

Vaststaat dat [eiser] de aanvraag te laat heeft ingediend. [eiser] heeft dit op 26 juli 2024 telefonisch gedaan, terwijl dat uiterlijk op 2 januari 2024 had gemoeten.

[eiser] heeft gemotiveerd gesteld – en de rechtbank neemt dit aan - dat er meerdere medische problemen zijn, ook psychisch, die langdurig zijn en die ook gedurende de aanmeldperiode bestonden. Dat heeft geleid tot zware medicatie. De rechtbank heeft tijdens de zitting geconstateerd dat [eiser] getraumatiseerd is door de kinderopvangtoeslagaffaire. Dit alles heeft het doenvermogen van [eiser] in de aanmeldperiode beperkt. De te late aanmelding kan [eiser] niet worden toegerekend. Er is sprake van een onbillijkheid van overwegende aard, die aanleiding geeft voor toepassing van de hardheidsclausule.

De door [eiser] geschetste medische problemen speelden ook in de beroepstermijn. De termijnoverschrijding is verschoonbaar. Daarom is het beroep ontvankelijk.

Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en herroept het primaire besluit. De Dienst Toeslagen zal worden opgedragen om binnen drie maanden de aanvraag van [eiser] in behandeling te nemen en daarop te beslissen. De rechtbank merkt op dat deze termijn pas begint nadat de termijn om hoger beroep in te stellen ongebruikt is verstreken of, indien hoger beroep wordt ingesteld, nadat op het hoger beroep is beslist.

Omdat het beroep gegrond wordt verklaard, bepaalt de rechtbank dat de Dienst Toeslagen aan [eiser] het door haar betaalde griffierecht vergoedt.

De rechtbank veroordeelt de Dienst Toeslagen in de door [eiser] gemaakte proceskosten. Deze kosten worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

  • verklaart het beroep gegrond;

  • vernietigt het bestreden besluit;

  • herroept het primaire besluit, voor zover daarin de aanvraag van [eiser] om een integrale beoordeling is afgewezen omdat de aanvraag te laat is ingediend;

  • draagt de Dienst Toeslagen op om de aanvraag van [eiser] binnen drie maanden maanden na de dag van het onherroepelijk worden van deze uitspraak in behandeling te nemen en daarop te beslissen;

  • draagt de Dienst Toeslagen op het betaalde griffierecht van € 54,- aan [eiser] te vergoeden;

  • veroordeelt de Dienst Toeslagen in de proceskosten van [eiser] tot een bedrag van

€ 1.868,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.C. Rozeboom, rechter, in aanwezigheid van

H. Blekkenhorst, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 13 oktober 2026.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending van het proces-verbaal daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.