Bestuursprocesrecht
Regeling opvang ontheemden Oekraïne. Permanent locatieverbod en ontzegging toegang tot voorzieningen. Besluit…
Rechtbank Overijssel, 19 oktober 2026
ECLI:NL:RBOVE:2026:6249 · Rechtbank Overijssel · 19 oktober 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-overijssel/bestuursrecht/bestuursprocesrecht/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbove-2026-6249
Zaakgegevens
Op 19 oktober 2026 heeft de Rechtbank Overijssel in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over bestuursprocesrecht.
- Instantie
- Rechtbank OverijsselRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Zwolle
- Datum uitspraak
- 19 oktober 2026
- Datum publicatie
- 19 oktober 2026
- Zaaknummer
- ZWO 26/2722
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Bestuursprocesrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBOVE:2026:6249
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Regeling opvang ontheemden Oekraïne. Permanent locatieverbod en ontzegging toegang tot voorzieningen. Besluit in de zin van de Awb. Toewijzen verzoek op grond van een belangenafweging. Dwangsom
Uitspraak
RECHTBANK OVERIJSSEL
Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: ZWO 26/2722
uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[verzoeker 1] en [verzoeker 2] , uit [woonplaats], verzoekers,
(gemachtigde: mr. L.A. Fischer),
en
het college van burgemeester en wethouders van Hengelo
(gemachtigde: mr. Van Dreumel).
Samenvatting
1 Deze uitspraak gaat over de aan [verzoeker 1] en [verzoeker 2] opgelegde permanente locatieverboden en ontzeggingen van toegang tot de voorzieningen van de Gemeentelijke Vluchtelingen Opvang [locatie], gevestigd aan de [adres] .
Verzoekers zijn het hier niet mee eens en hebben bezwaar gemaakt en een verzoek om voorlopige voorziening ingediend.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening toe en zet de bij ordemaatregel van 9 oktober 2026 getroffen voorziening - dat het college verzoekers een vorm van onderdak biedt - voort tot bekendmaking van de beslissing op bezwaar op straffe van een dwangsom. Hierbij heeft de voorzieningenrechter de betrokken belangen gewogen en een groter gewicht toegekend aan de belangen van verzoekers om te voorkomen dat zij hangende bezwaar geen onderdak hebben.
Inleiding: feiten en procesverloop
[verzoeker 1] en [verzoeker 2] zijn ontheemden uit Oekraïne. Het college heeft hen sinds 11 december 2022 opvang verleend op de gemeentelijke opvanglocatie aan de [adres] en voorzieningen verstrekt.
Bij brieven van 5 oktober 2026 zijn aan [verzoeker 1] en aan [verzoeker 2] toegang tot de opvanglocatie ontzegd en gebiedsverboden opgelegd vanwege het overtreden van het huishoudelijk reglement voor wat betreft bezit van (materialen voor het vervaardigen van) drugs en een steekwapen.
Op 8 oktober 2026 hebben verzoekers hiertegen bezwaar gemaakt.
Ook hebben zij de voorzieningenrechter op 8 oktober 2026 verzocht een voorlopige voorziening en een ordemaatregel te treffen.
Op 9 oktober 2026 heeft de voorzieningenrechter een ordemaatregel getroffen, die inhoudt dat het college verzoekers in de periode vanaf 9 oktober 2026, tot het moment van de zitting op 15 oktober 2026 een vorm van onderdak wordt aangeboden. Het college heeft daarop laten weten geen uitvoering te geven aan de ordemaatregel in verband met de veiligheid. De gemachtigde van [verzoekers] heeft laten weten nu zelf een hotel te boeken, dit uitdrukkelijk op kosten van het college. Zij verzoekt de voorzieningenrechter onder verwijzing naar de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 26 januari 2026 aan de te treffen voorlopige voorziening een dwangsom te verbinden.
Het college heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 16 oktober 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [verzoeker 1] en [verzoeker 2] en hun gemachtigde en L.Totosashvili als tolk. Namens het college zijn verschenen zijn gemachtigde en
S. van Rooij (locatiemanager opvang).
Beoordeling door de voorzieningenrechter
Het toetsingskader
Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bezwaar is gemaakt, de voorzieningenrechter van de bestuursrechter die bevoegd kan worden in een eventuele beroepsprocedure, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
Besluit
Het moet daarbij dus gaan om een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb waartegen bezwaar is gemaakt danwel beroep is ingesteld.
Het college stelt zich op het standpunt dat van een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb geen sprake is omdat het locatieverbod door de locatiemanager is opgelegd namens de gemeente als eigenaar/beheerder van de opvanglocaties en niet namens het college als bestuursorgaan in het kader van een publiekrechtelijke taak.
Met verzoekers is de voorzieningenrechter van oordeel dat de brieven van 5 oktober 2026 zijn aan te merken als besluiten in de zin van 1:3 van de Awb. Met de brieven is aan hen de toegang tot de locatie van de opvang aan de [adres] ontzegd en zijn ook alle voorzieningen stopgezet.
Dat, zoals door het college ter zitting gesteld, met het opleggen van het locatieverbod het college niet heeft beoogd om de opvang van verzoekers te beëindigen, maakt dat niet anders, nu dit wel het daadwerkelijke gevolg van het besluit is.
Spoedeisend belang
Volgens verzoekers is sprake van een spoedeisend belang omdat zij momenteel in een hotel verblijven wat door hun gemachtigde wordt betaald/voorgeschoten.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is dit naar haar aard een tijdelijke oplossing ter voorkoming van dakloosheid van verzoekers, waarmee het spoedeisend belang van verzoekers bij het verzoek is gegeven.
Belangenafweging
De voorzieningenrechter ziet in onderhavige zaak aanleiding om te volstaan met een belangenafweging en zal geen voorlopig rechtmatigheidsoordeel geven.
Verzoekers voeren aan dat zij door het locatieverbod geen onderdak hebben.
Het college heeft toegelicht dat de aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde overtredingen raken aan de kern van de veiligheid op de opvanglocatie voor medewerkers, maar bovenal voor de 473 bewoners waaronder 80 kinderen. Ook heeft het college een financieel belang gelegen in het niet hoeven inhuren van alternatieve externe opvang. Verder wil het college voorkomen dat verzoekers worden beloond voor slecht gedrag met verblijf in een ‘luxe’ opvang.
De voorzieningenrechter stelt voorop dat de RICHTLIJN 2001/55/EG niet het recht op ‘luxe’ opvang in – bijvoorbeeld – een hotel vereist. In het kader van de weging van deze belangen is het arrest Haqbin van belang. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter moet dit arrest zo worden uitgelegd dat ook bij een overlastgever, wat de [verzoekers] broers mogelijk zijn, voor de lidstaat, en daarmee in dit geval het college, de verplichting blijft bestaan dat in de meest elementaire behoeften wordt voorzien, waaronder het faciliteren van een (basale) vorm van huisvesting. Voor zover het college zich op het standpunt stelt dat verblijf van [verzoekers] in de opvang echt niet meer mogelijk is, houdt de verplichting van het college daarmee niet op. Het college heeft niet aannemelijk gemaakt dat het er alles aan gedaan heeft om in een basisvorm van (externe) opvang te voorzien, maar heeft volstaan met de stelling dat het daartoe geen mogelijkheden ziet. Daarmee heeft het college niet aan zijn verplichtingen voldaan. De voorzieningenrechter ziet op dit moment op grond van het dossier en wat op zitting naar voren is gebracht, mede gelet op de Regeling opvang ontheemden Oekraïne (RooO) en het arrest Haqbin, daarom niet dat het college alles in het werk heeft gesteld, dat van hem kan en mag worden gevergd, om aan de op hem rustende verplichtingen te voldoen.
Voor zover het college stelt dat verzoekers over voldoende financiële middelen beschikken, en dat daarom van verzoekers kan worden gevergd zelf voor huisvesting te zorgen geldt dat de juridische discussie over de uitleg van de Richtlijn in relatie tot de RooO in de bezwaarfase kan worden gevoerd. Voor nu is in dit kader in ieder geval van belang dat de stelling van het college dat verzoekers over inkomen beschikken en dus ook zelf een hotel (ad circa 100 euro per nacht, dus ca 3000 euro per maand) dan wel andere huisvesting zouden kunnen bekostigen slechts gebaseerd op het feit dat verzoeker [verzoeker 2] geen bezwaar heeft gemaakt tegen het beëindigen van de financiële toelage die hij ontving. Dat verzoekers (beide) daadwerkelijk over voldoende inkomen uit arbeid of als zelfstandig ondernemer beschikken om in hun huisvesting te voorzien, is op dit moment onvoldoende duidelijk.
De verplichtingen van het college ontslaan [verzoekers] niet van hun eigen verantwoordelijkheden en verplichtingen. Als het college hen gelet op alle betrokken belangen passende mogelijkheden aanbiedt tot opvang, dan ligt het op hun weg om daarvan gebruik te maken en daarbij de geldende huisregels te respecteren.
Gelet op het voorgaande kan niet worden uitgesloten dat het bezwaar een kans van slagen heeft. De voorzieningenrechter ziet in het voorgaande aanleiding om de bij de ordemaatregel getroffen voorlopige voorziening voort te zetten en te bepalen dat het college tot aan de beslissing op bezwaar een vorm van (externe) opvang moet aanbieden aan [verzoekers] .
Gezien de opgelegde ordemaatregel waaraan het college geen gehoor heeft gegeven, ziet de voorzieningenrechter aanleiding een dwangsom te verbinden aan de te treffen voorlopige voorziening. De dwangsom wordt vastgesteld op € 1.000,- per persoon (en € 2.000,- totaal per dag) voor zover het college de voorziening niet nakomt met een maximum van € 30.000,- per persoon (en maximaal € 60.000,- totaal). De voorzieningenrechter bepaalt daarbij dat het college die dwangsommen verbeurt aan verzoekers op het moment dat verzoekers niet binnen 24 uur na deze uitspraak opvang wordt geboden.
Conclusie en gevolgen
De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe en zet de bij de ordemaatregel van 9 oktober 2026 getroffen voorlopige voorziening voort in zoverre dat het college alsnog opvang moet bieden aan [verzoekers] binnen 24 uur na deze uitspraak totdat op het bezwaarschrift is beslist, bij gebreke waarvan een dwangsom wordt verbeurd aan verzoekers. Deze dwangsom stelt de voorzieningenrechter vast op € 1.000,- per persoon (en € 2.000,- totaal per dag) met een maximum van € 30.000 per persoon (en maximaal € 60.000,- totaal).
Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst moet het college het griffierecht aan verzoekers vergoeden. Daarnaast krijgen verzoekers ook een vergoeding van hun proceskosten. Het college moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgen verzoekers een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft het verzoekschrift ingediend en aan de zitting deelgenomen. Elke proceshandeling heeft een waarde van € 934,-. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.868,-.
Beslissing
De voorzieningenrechter:
- handhaaft de voorziening dat het college aan verzoekers opvang moet bieden zoals bepaald in de uitspraak van 9 oktober 2026;
- draagt het college op om uiterlijk 24 uur na deze uitspraak tot bekendmaking van de beslissing op bezwaar te voldoen aan de voorziening;
- bepaalt dat het college aan verzoekers een dwangsom van € 1.000,- per persoon (en € 2.000,- per dag) moet betalen voor elke dag waarmee het college de hiervoor genoemde termijn overschrijdt met een maximum van € 30.000 per persoon (maximaal € 60.000,- totaal);
- bepaalt dat het college het griffierecht van € 200,- aan verzoekers moet vergoeden;
- veroordeelt het college tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan verzoekers.
Deze uitspraak is gedaan door mr. K. Ides, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van
mr. A. Landstra, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
|
griffier |
de voorzieningenrechter is buiten staat te tekenen |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: