Socialezekerheidsrecht

Toekenning proceskostenvergoeding na intrekking beroep.

Rechtbank Overijssel, 6 juli 2026

Zaakgegevens

Op 6 juli 2026 heeft de Rechtbank Overijssel in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.

Instantie
Rechtbank Overijssel
Zittingsplaats
Zwolle
Datum uitspraak
6 juli 2026
Datum publicatie
6 juli 2026
Zaaknummer
ZWO 25/977
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBOVE:2026:3836
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Toekenning proceskostenvergoeding na intrekking beroep.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Bestuursrecht

zaaknummer: ZWO 25/977


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen


[verzoeker] , uit [woonplaats] , verzoeker (hierna: [verzoeker] )

(gemachtigde: mr. I.E. Mussche),

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen, verweerder (hierna: het UWV)

(gemachtigde: [gemachtigde]).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het verzoek van [verzoeker] om een veroordeling van het UWV in de proceskosten. [verzoeker] heeft dit verzoek gedaan bij de intrekking van zijn beroep tegen het besluit van het UWV van 13 februari 2025. Hij heeft het beroep ingetrokken, omdat het UWV op 5 juni 2026 dit besluit heeft gewijzigd.

1.1.

De rechtbank heeft het UWV in de gelegenheid gesteld te reageren op het verzoek om veroordeling in de proceskosten. Het UWV heeft de rechtbank meegedeeld dat het zich niet zal verzetten tegen een proceskostenveroordeling conform het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).

1.2.

De rechtbank doet zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank wijst het verzoek om proceskostenveroordeling toe. Zij legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.

Wanneer wordt een bestuursorgaan in de proceskosten veroordeeld?

3. Als een beroep wordt ingetrokken, omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, kan de bestuursrechter op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten.

Is het UWV aan [verzoeker] tegemoetgekomen?

4. De rechtbank moet dus beoordelen of het UWV geheel of gedeeltelijk aan [verzoeker] is tegemoetgekomen.

4.1.

Op 13 maart 2025 heeft [verzoeker] beroep ingesteld tegen het bestreden besluit waarin het bezwaar van [verzoeker] tegen het besluit van 16 februari 2024 ongegrond werd verklaard. Met het besluit van 16 februari 2024 had het UWV aan [verzoeker] vanaf

27 december 2023 een loongerelateerde WIA-uitkering in verband met werkhervatting gedeeltelijk arbeidsgeschikten (WGA) op basis van een arbeidsongeschiktheidspercentage van 37,94% toegekend. Het UWV heeft [verzoeker] met de gewijzigde beslissing op bezwaar van 5 juni 2026 vanaf 27 december 2023 in aanmerking gebracht voor een uitkering inkomensverzekering voor volledig en duurzaam arbeidsongeschikten (IVA-uitkering). Hiermee is het UWV tegemoetgekomen aan het beroep van [verzoeker] .

Welk bedrag aan proceskosten moet het UWV aan [verzoeker] vergoeden?

5. De rechtbank wijst het verzoek als kennelijk gegrond toe. [verzoeker] krijgt een vergoeding van zijn proceskosten. Het UWV moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Bpb als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt [verzoeker] een vast bedrag per proceshandeling. [verzoeker] heeft in bezwaar gevraagd om vergoeding van de proceskosten. De gemachtigde heeft een bezwaarschrift ingediend, een beroepschrift ingediend en aan de zitting van de rechtbank deelgenomen. In bezwaar heeft elke proceshandeling een waarde van € 666,-. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934,-. Verder komen de reiskosten van € 18,12 van [verzoeker] voor het bijwonen van de zitting voor vergoeding in aanmerking. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 2.552,12.

Krijgt [verzoeker] een vergoeding van het griffierecht?

6. De rechtbank stelt vast dat het UWV verplicht is het door [verzoeker] betaalde griffierecht van € 53,- te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:

- veroordeelt het UWV tot betaling van € 2.552,12 aan proceskosten aan [verzoeker] ;

- bepaalt dat het UWV het griffierecht van € 53,- aan [verzoeker] moet vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. F. Koster, rechter, in aanwezigheid van

mr. A.A.H. Beenen-Oskam, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op

griffier

rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden. De werking van deze uitspraak wordt opgeschort totdat de termijn voor het instellen van verzet is verstreken of, indien verzet wordt ingesteld, op dat verzet is beslist.

Met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, in samenhang met artikel 8:75a, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dit volgt uit artikel 8:75a van de Awb en is nader uitgewerkt in het Bpb. Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen Dit volgt uit artikel 8:41, zevende lid, van de Awb.