Socialezekerheidsrecht

Participatiewet. Deze uitspraak gaat over de vaststelling van de hoogte van het vermogen ten tijde van de…

Rechtbank Overijssel, 5 oktober 2026

Zaakgegevens

Op 5 oktober 2026 heeft de Rechtbank Overijssel in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.

Instantie
Rechtbank Overijssel
Zittingsplaats
Zwolle
Datum uitspraak
5 oktober 2026
Datum publicatie
5 oktober 2026
Zaaknummer
ZWO 26/1611
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBOVE:2026:5909
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Participatiewet. Deze uitspraak gaat over de vaststelling van de hoogte van het vermogen ten tijde van de intrekking van de bijstandsuitkering van eiseres. Zij stelt dat het college daarbij ten onrechte is uitgegaan van een te hoog bedrag. De rechtbank is van oordeel dat het beroep niet-ontvankelijk is, omdat er geen procesbelang is. Een eventuele vaststelling van het vermogen op een bedrag van € 36.889,07, in plaats van € 40.912,96, kan voor eiseres geen feitelijke betekenis hebben.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle

Bestuursrecht

zaaknummer: ZWO 26/1611


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen


[eiser], uit [woonplaats], (hierna: [eiser])

gemachtigde: mr. E. Schriemer,

en

het college van burgemeester en wethouders van Zwolle (hierna: het college)

gemachtigde: [gemachtigde].

Samenvatting

Deze uitspraak gaat over de vaststelling van de hoogte van het vermogen ten tijde van de intrekking van de bijstandsuitkering van [eiser]. Zij stelt dat het college daarbij ten onrechte is uitgegaan van een te hoog bedrag. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep niet-ontvankelijk is, omdat er geen procesbelang is.

Inleiding

1. [eiser] ontving een bijstandsuitkering op grond van de Participatiewet (PW), naar de norm voor een alleenstaande. Haar moeder is op 6 december 2023 overleden. Op 9 januari 2024 heeft [eiser] een gesprek gehad met een consulent. Tijdens dat gesprek heeft de consulent toegezegd dat zij kon gaan interen op de erfenis.

1.1.

Op 11 augustus 2025 heeft [eiser] bij het college gemeld dat zij op 8 augustus 2025 het erfdeel van haar moeder heeft ontvangen. Het college heeft gevraagd om een bankafschrift en/of een kopie van de verklaring nalatenschap te overleggen. Dit heeft [eiser] gedaan.

1.2.

Vervolgens heeft het college met het besluit van 20 november 2025 het recht op de bijstandsuitkering van [eiser] met ingang van 9 augustus 2025 ingetrokken, omdat de erfenis van € 40.912,96 hoger is dan de voor haar geldende bijstandsnorm van € 7.700,-. Ook is € 12.952,95 teruggevorderd over de periode van 3 november 2024 tot en met

8 augustus 2025. [eiser] heeft hiertegen bezwaar gemaakt.

1.3.

Met het bestreden besluit van 1 juni 2026 heeft het college het bezwaar gegrond verklaard. Het besluit van 20 november 2025 is herroepen waardoor de terugvordering van

€ 12.952,95 vervalt, maar de bijstandsuitkering blijft vanwege de ontvangst van de erfenis van € 40.912,96 wel ingetrokken. Volgens het college beschikt [eiser] daarmee over voldoende middelen om in haar bestaanskosten te voorzien. Ook wordt zij hiermee in de gelegenheid gesteld om naar de toekomst in te teren op haar vermogen. Het bedrag dat [eiser] inmiddels al wel had terugbetaald is aan haar teruggestort.

1.4.

[eiser] heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft daarop gereageerd met een verweerschrift.

1.5.

De rechtbank heeft het beroep op 22 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [eiser], haar gemachtigde en de gemachtigde van het college.

Standpunt van [eiser]

2. [eiser] stelt dat zij wordt gedwongen om in te teren op een onjuist bruto-erfdeel, omdat zij niet de beschikking heeft gehad over het bruto-erfdeel van € 40.912,96, maar over een nettobedrag van € 36.889,07. Uit de notariële stukken blijkt volgens [eiser] dat het bruto-erfdeel is belast met de erfbelasting van € 2.042,-, begrafeniskosten van € 1.665,78 en notariskosten van € 315,-. De netto-uitbetaling na aftrek hiervan is € 36.889,07. Zij heeft nooit de beschikking gehad over de bruto-grondslag van € 40.912,96. Het college heeft ten onrechte niet op deze bezwaargrond beslist.

Standpunt van het college

3. Het college stelt dat aan het besluit tot intrekking alleen ten grondslag ligt dat sprake is van een vermogensoverschot. Bij een eventuele toekomstige aanvraag vindt een hernieuwde beoordeling van de vermogenssituatie plaats. Daarbij zal de volledige financiële positie worden beoordeeld, waaronder bezittingen, schulden, uitgaven en vermogen. Ook kan daarbij worden beoordeeld of en in welke mate sprake is geweest van intering op het vermogen en welke uitgaven daarbij als gerechtvaardigd ten laste van dat vermogen kunnen worden gebracht. Hierbij kunnen ook (andere) noodzakelijke kosten worden betrokken. Ook wordt beoordeeld hoe gedurende de tussenliggende periode met het vermogen is omgegaan en welke betekenis daaraan toekomt voor het recht op een bijstandsuitkering.

Beoordeling door de rechtbank

4. In beroep moet eerst ambtshalve de vraag worden beantwoord of [eiser] voldoende procesbelang heeft bij een inhoudelijk oordeel over het bestreden besluit. De rechtbank is van oordeel dat het beroep niet-ontvankelijk is, omdat er geen procesbelang is. De rechtbank licht dit als volgt toe.

4.1.

Volgens vaste rechtspraak is pas sprake van voldoende procesbelang als het resultaat, dat de indiener van een beroepschrift met het indienen van beroep nastreeft, ook daadwerkelijk kan worden bereikt en het realiseren daarvan voor die indiener feitelijk betekenis kan hebben. Het hebben van een louter formeel of principieel belang is onvoldoende voor het aannemen van voldoende procesbelang.

4.2.

De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat het vermogen van [eiser] op 9 augustus 2025 hoger was dan de in 2025 voor haar geldende vermogensgrens van € 7.700,-. Ook is niet in geschil dat de bijstandsuitkering om die reden terecht is ingetrokken. Het geschil ziet volgens [eiser] uitsluitend op de hoogte van het vastgestelde vermogen. Zij wil dat de hoogte van het vermogen juist wordt vastgesteld, omdat ze dan weet op welk bedrag zij moet interen. Tijdens de zitting heeft haar gemachtigde dat desgevraagd bevestigd.

4.3.

De rechtbank is van oordeel dat in dit standpunt geen procesbelang besloten ligt. Een eventuele vaststelling van het vermogen op een bedrag van € 36.889,07, in plaats van

€ 40.912,96, kan voor [eiser] geen feitelijke betekenis hebben. Op zich is juist dat [eiser] in de toekomst mogelijk een belang zal kunnen krijgen bij de vaststelling van de hoogte van het vermogen per 9 augustus 2025, maar dit is alleen het geval als zij opnieuw bijstand aanvraagt. Deze toekomstige onzekere gebeurtenis vormt echter onvoldoende actueel belang voor de ontvankelijkheid van het beroep. Bovendien zal het college bij een eventueel toekomstige beoordeling van een aanvraag om bijstand, de volledige financiële positie van [eiser] beoordelen, waarbij ook zal worden beoordeeld of en in welke mate sprake is geweest van intering op het vermogen en welke uitgaven daarbij als gerechtvaardigd ten laste van dat vermogen kunnen worden gebracht. Zoals het college terecht heeft gesteld wordt bij een (eventuele) nieuwe aanvraag in de toekomst de volledige financiële situatie beoordeeld. Het staat [eiser] op dat moment vrij om het standpunt in te brengen dat het bedrag van € 40.912,96 niet volledig beschikbaar was voor haar, omdat er nog erfbelasting, begrafeniskosten en notariskosten van moesten worden betaald. Daarom is er nu geen procesbelang.

4.4.

Ten overvloede merkt de rechtbank op dat uit de mutatielijst van de notaris in combinatie met de verdeling blijkt dat begrafeniskosten, notariskosten en erfbelasting in mindering zijn gebracht op de erfenis vóórdat het bedrag van € 163.651,83 werd vastgesteld, dat onder vier erfgenamen werd verdeeld, waardoor het erfdeel van [eiser] € 40.912,96 bedraagt. [eiser] hoefde de begrafeniskosten, notariskosten en erfbelasting dus niet meer van dat bedrag te betalen.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is niet-ontvankelijk. [eiser] krijgt daarom het griffierecht niet terug en krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Eikelenboom, rechter, in aanwezigheid van

J.T. Boddeüs, griffier. Uitgesproken in het openbaar op

griffier

rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hoger beroepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hoger beroepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.