Insolventierecht

Toewijzing verzoek Wsnp, afwijzing verzoek eerdere ingangsdatum.

Rechtbank Overijssel, 16 maart 2026

Zaakgegevens

Op 16 maart 2026 heeft de Rechtbank Overijssel in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over insolventierecht.

Instantie
Rechtbank Overijssel
Zittingsplaats
Almelo
Datum uitspraak
16 maart 2026
Datum publicatie
7 april 2026
Zaaknummer
NL:TZ:2600184:R-RK
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBOVE:2026:1792
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Toewijzing verzoek Wsnp, afwijzing verzoek eerdere ingangsdatum.

Uitspraak

RECHTBANK Overijssel

Team Insolventie

Zittingsplaats Almelo

Rekestnummer: NL:TZ:2600184:R-RK

Vonnis van maandag 16 maart 2026

op het verzoek van

[verzoeker] ,

geboren op [geboortedatum] 1965 te [geboorteplaats],

wonende te [adres 1],

verzoeker, hierna te noemen [verzoeker],

tot toepassing van de schuldsaneringsregeling.

Samenvatting

[verzoeker] heeft verzocht om te worden toegelaten tot de schuldsaneringsregeling en heeft daarbij om een eerdere ingangsdatum verzocht.

De rechtbank wijst het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling toe en wijst het verzoek tot het bepalen van een eerdere ingangsdatum af.

1 De procedure

1.1.

De procedure bestaat uit:

- het schuldsaneringsverzoekschrift met bijlagen;

- de zitting van maandag 2 maart 2026, waar [verzoeker] aanwezig was.

1.2.

De uitspraak is bepaald op vandaag.

2 Het verzoek

2.1.

[verzoeker] verzoekt om te worden toegelaten tot de schuldsaneringsregeling waarbij hij ook verzoekt om de ingangsdatum van de termijn van de schuldsanering op een eerdere datum te bepalen. Volgens [verzoeker] heeft hij een schuldenlast die hij niet zelf kan aflossen.

3 De beoordeling

3.1.

Dit is een hoofdinsolventieprocedure (artikel 3, eerste lid, van de Insolventieverordening (EU 2015/848)).

3.2.

De rechtbank wijst het verzoek toe. Het verzoek voldoet aan de daaraan gestelde eisen. [verzoeker] heeft voldaan aan het bepaalde in artikel 288 lid 1 van de Faillissementswet. Van een grond voor afwijzing van het verzoek is niet gebleken.

3.3.

[verzoeker] verzoekt de ingangsdatum van de looptijd van de schuldsaneringsrege-ling te bepalen op 1 december 2023, zijnde de start van het minnelijk traject. In het verzoek is vermeld dat [verzoeker] stelt aan de inspanningsplicht te voldoen. In het verzoek is niet vermeld dat er tijdens het minnelijk traject is gespaard voor de schuldeisers. [verzoeker] heeft ter zitting verklaard dat hij 2,5 jaar geleden voor het laatst betaald werk heeft verricht. Volgens [verzoeker] heeft hij wel gesolliciteerd. De rechtbank acht het verzoek tot het bepalen van een eerdere ingangsdatum onvoldoende onderbouwd om tot bepaling daarvan over te gaan. De rechtbank kan niet vaststellen of aan de inspanningsplicht is voldaan en of vanaf 1 december 2023 kon worden afgedragen voor de schuldeisers. De rechtbank wijst het verzoek tot het bepalen van een eerdere ingangsdatum op grond van vorenstaande af.

4 De beslissing

De rechtbank:

4.1.

spreekt de toepassing van de schuldsaneringsregeling uit ten aanzien van:

[verzoeker],
geboren op [geboortedatum] 1965 te [geboorteplaats],
wonende te [adres 1];

4.2.

stelt de termijn van deze schuldsaneringsregeling vast op achttien maanden, te rekenen vanaf maandag 16 maart 2026;

4.3.

wijst het verzoek tot het bepalen van een eerdere ingangsdatum af;

4.4.

benoemt tot rechter-commissaris mr. A.E. Zweers;

4.5.

benoemt tot bewindvoerder [bewindvoerder], [adres 2];

4.6.

geeft de bewindvoerder de opdracht om de post van [verzoeker] in te zien totdat de schuldsaneringsregeling eindigt, maar in elk geval niet langer dan dertien maanden;

4.7.

bepaalt dat de bewindvoerder een voorschot op de vergoeding mag opnemen volgens het besluit vergoeding bewindvoerder schuldsanering. Dit kan alleen zolang de schuldsaneringsregeling loopt en voor zover de boedel toereikend is;

4.8.

stelt vast dat door deze uitspraak alle gelegde beslagen komen te vervallen.

Gewezen door mr. K.J. Haarhuis, rechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van

16 maart 2026, in tegenwoordigheid van de griffier.

Hoger beroep Tegen deze uitspraak kan verzoek(st)er en degene die dat volgens de Faillissementswet mag gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak hoger beroep instellen. Dat kan door een advocaat een verzoekschrift in te laten dienen bij de griffie van het gerechtshof dat van de zaak kennis moet nemen.