Materieel strafrecht

Veroordeling tot een deels voorwaardelijke gevangenisstraf met oplegging van bijzondere voorwaarden…

Rechtbank Overijssel, 28 juli 2026

Zaakgegevens

Op 28 juli 2026 heeft de Rechtbank Overijssel in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over materieel strafrecht.

Instantie
Rechtbank Overijssel
Zittingsplaats
Almelo
Datum uitspraak
28 juli 2026
Datum publicatie
28 juli 2026
Zaaknummer
08-044836-26
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
ECLI
ECLI:NL:RBOVE:2026:4618
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Veroordeling tot een deels voorwaardelijke gevangenisstraf met oplegging van bijzondere voorwaarden. Veroordelingen voor twee keer het medeplegen van oplichting en het medeplegen van een poging tot oplichting.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht

Meervoudige kamer

Zittingsplaats Almelo

Parketnummer: 08.044836.26 (P)

Datum vonnis: 28 juli 2026

Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1980 in [geboorteplaats] (Libanon),

nu verblijvende in de PI [locatie].

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 14 juli 2026.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van wat door verdachte en zijn raadsvrouw mr. J. Nijland, advocaat in Borne, naar voren is gebracht.

Ook heeft de rechtbank kennisgenomen van wat door mr. J. Klomp namens de benadeelde partijen is aangevoerd.

2 De tenlastelegging

De verdenking komt - verkort weergegeven en na wijziging van de tenlastelegging als bedoeld in artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering van 28 mei 2026 - erop neer dat verdachte al dan niet samen met anderen [slachtoffer 1] heeft opgelicht (feit 1), [slachtoffer 1] heeft geprobeerd op te lichten (feit 2) en [slachtoffer 2] heeft opgelicht (feit 3), door gestolen voertuigen te koop aan te bieden en te verkopen en hen zo te bewegen tot afgifte van een geldbedrag.

Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:

1

hij in of omstreeks de periode van 20 november 2025 tot en met 22

november 2025 te Denekamp, althans in Nederland

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te

bevoordelen

door het aannemen van een valse naam en/of van een valse

hoedanigheid en/of door listige

kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels,

[slachtoffer 1] heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, het verlenen

van een dienst, het ter

beschikking stellen van gegevens, het aangaan van een schuld en/of het

teniet doen van een

inschuld, te weten

een bedrag van 46.000 euro, althans een geldbedrag, door

- een voertuig (een camper) te (laten) voorzien van een vals, althans een

ander, niet bij dat voertuig behorende kentekenplaat en/of

kentekenbewijs en aldus te (laten) voorzien van een valse identiteit,

- dat voertuig, voorzien van vervalste identiteit, te koop aan te bieden,

- een afspraak met die [slachtoffer 1] voor een ontmoeting en/of

bezichtiging te maken,

- terwijl verdachte wist dat het een voertuig van misdrijf afkomstig betrof

zich uit te geven als de rechtmatige eigenaar, althans voor een te goeder

trouw zijnde verkoper en/of zich voor te doen als de

beschikkingsbevoegde over het genoemde voertuig en/of

- de indruk te wekken dat de op dat voertuig aanwezige kentekenplaat

en/of kentekenbewijs voor dat voertuig was afgegeven en aldus bij dat

voertuig hoorde en/of dat het een eerlijk voertuig betrof,

waardoor die [slachtoffer 1] (vervolgens) werd bewogen tot

bovenomschreven afgifte;

2

hij in of omstreeks de periode van 8 februari 2026 tot en met 11 februari

2026 te Ootmarsum,

althans in Nederland

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s)

voorgenomen misdrijf om

met het oogmerk om zich en/of een ander

wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam

en/of een valse hoedanigheid

en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van

verdichtsels,

[slachtoffer 1] te bewegen tot de afgifte van enig goed, het verlenen van

een dienst, het ter beschikking stellen van gegevens, het aangaan van

een schuld en/of het teniet doen van een inschuld, te weten

een geldbedrag

- een voertuig (camper) te hebben (laten) voorzien van een vals, althans

ander, niet bij dat voertuig behorende, kentekenplaat en/of

kentekenbewijs en aldus te hebben (laten) voorzien van een valse

identiteit,

- dat voertuig, voorzien van vervalste identiteit, te koop aan hebben

geboden,

- een afspraak met die [slachtoffer 1] voor een ontmoeting en/of

bezichtiging te hebben gemaakt,

- terwijl verdachte wist dat het een voertuig van misdrijf afkomstig betrof

zich uit te hebben gegeven als de rechtmatige eigenaar, althans voor een

te goeder trouw zijnde verkoper en/of zich voor te doen als de

beschikkingsbevoegde over het genoemde voertuig en/of

- de indruk te hebben gewekt dat de op dat voertuig aanwezige

kentekenplaat en/of kentekenbewijs voor dat voertuig was afgegeven en

aldus bij dat voertuig hoorde en/of dat het een eerlijk voertuig betrof,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

3

hij in of omstreeks de periode van 13 juli 2025 tot en met 15 juli 2025 te

Almere, althans in Nederland

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te

bevoordelen

door het aannemen van een valse naam en/of van een valse

hoedanigheid en/of door listige

kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels,

[slachtoffer 2] heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, het verlenen

van een dienst, het ter

beschikking stellen van gegevens, het aangaan van een schuld en/of het

teniet doen van een

inschuld, te weten

een bedrag van 21.000 euro, althans een geldbedrag, door

- een voertuig (een personenauto, merk: Audi) te (laten) voorzien van

een vals, althans een ander, niet bij dat voertuig behorende

kentekenplaat en/of kentekenbewijs en aldus te (laten) voorzien van een

valse identiteit,

- dat voertuig, voorzien van vervalste identiteit, te koop aan te bieden,

- een afspraak met die [slachtoffer 2] voor een ontmoeting en/of bezichtiging

en/of proefrit te maken,

- terwijl verdachte wist dat het een voertuig van misdrijf afkomstig betrof

zich uit te geven als de rechtmatige eigenaar, althans voor een te goeder

trouw zijnde verkoper en/of zich voor te doen als de

beschikkingsbevoegde over het genoemde voertuig,

- de indruk te wekken dat de reservesleutel aan dat voertuig toebehoorde

en aldus dat het een eerlijk voertuig betrof en/of

- de indruk te wekken dat de op dat voertuig aanwezige kentekenplaat

en/of kentekenbewijs voor dat voertuig was afgegeven en aldus bij dat

voertuig hoorde en/of dat het een eerlijk voertuig betrof,

waardoor die [slachtoffer 2] (vervolgens) werd bewogen tot bovenomschreven

afgifte;

3 De bewijsmotivering

3.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft het standpunt ingenomen dat de feiten wettig en overtuigend kunnen worden bewezen.

3.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

3.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank komt tot een bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten op grond van de volgende bewijsmiddelen, waarbij de rechtbank - nu verdachte deze feiten heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit - conform artikel 359, derde lid, laatste volzin van het Wetboek van Strafvordering (Sv), zal volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.

- Het proces-verbaal van de terechtzitting van 14 juli 2026, voor zover inhoudende de bekennende verklaring van de verdachte; en

ter zake feit 1

- het proces-verbaal van de aangifte van [slachtoffer 1] van 15 december 2025, pagina 17 e.v.;

ter zake feit 2

- het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant] van 11 februari 2026, pagina 59 e.v.;

ter zake feit 3

- het proces-verbaal van de aangifte van [slachtoffer 2] van 25 juli 2026, pagina 885 e.v.

3.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de opgegeven bewijsmiddelen waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat:

1

hij in de periode van 20 november 2025 tot en met 22 november 2025 in Nederland tezamen en in vereniging met een of meer anderen, met het oogmerk om zich en een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels,

[slachtoffer 1] heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, te weten een bedrag van 46.000 euro, door

- een voertuig (een camper) te (laten) voorzien van een vals, niet bij dat voertuig behorende kentekenplaat en kentekenbewijs en aldus te (laten) voorzien van een valse identiteit,

- dat voertuig, voorzien van vervalste identiteit, te koop aan te bieden,

- een afspraak met die [slachtoffer 1] voor een ontmoeting en bezichtiging te maken,

- terwijl verdachte wist dat het een voertuig van misdrijf afkomstig betrof zich uit te geven voor een te goeder trouw zijnde verkoper en zich voor te doen als de beschikkingsbevoegde over het genoemde voertuig en

- de indruk te wekken dat de op dat voertuig aanwezige kentekenplaat en het kentekenbewijs voor dat voertuig was afgegeven en aldus bij dat voertuig hoorde en dat het een eerlijk voertuig betrof,

waardoor die [slachtoffer 1] (vervolgens) werd bewogen tot bovenomschreven afgifte;

2

hij in de periode van 8 februari 2026 tot en met 11 februari 2026 in Nederland tezamen en in vereniging met een of meer anderen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich en een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [slachtoffer 1] te bewegen tot de afgifte van enig goed, te weten een geldbedrag

- een voertuig (camper) te hebben (laten) voorzien van een vals, niet bij dat voertuig behorende, kentekenplaat en kentekenbewijs en aldus te hebben (laten) voorzien van een valse identiteit,

- dat voertuig, voorzien van vervalste identiteit, te koop aan hebben geboden,

- een afspraak met die [slachtoffer 1] voor een ontmoeting en bezichtiging te hebben gemaakt,

- terwijl verdachte wist dat het een voertuig van misdrijf afkomstig betrof zich uit te hebben gegeven voor een te goeder trouw zijnde verkoper en zich voor te doen als de beschikkingsbevoegde over het genoemde voertuig en

- de indruk te hebben gewekt dat de op dat voertuig aanwezige kentekenplaat en het kentekenbewijs voor dat voertuig was afgegeven en aldus bij dat voertuig hoorde en dat het een eerlijk voertuig betrof,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

3

hij in de periode van 13 juli 2025 tot en met 15 juli 2025 in Nederland tezamen en in vereniging met een of meer anderen met het oogmerk om zich en een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [slachtoffer 2] heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, te weten een bedrag van 21.000 euro, door

- een voertuig (een personenauto, merk: Audi) te (laten) voorzien van een vals, niet bij dat voertuig behorende kentekenplaat en kentekenbewijs en aldus te (laten) voorzien van een valse identiteit,

- dat voertuig, voorzien van vervalste identiteit, te koop aan te bieden,

- een afspraak met die [slachtoffer 2] voor een ontmoeting en bezichtiging en proefrit te maken,

- terwijl verdachte wist dat het een voertuig van misdrijf afkomstig betrof zich uit te geven als voor een te goeder trouw zijnde verkoper en zich voor te doen als de beschikkingsbevoegde over het genoemde voertuig,

- de indruk te wekken dat de reservesleutel aan dat voertuig toebehoorde en aldus dat het een eerlijk voertuig betrof en

- de indruk te wekken dat de op dat voertuig aanwezige kentekenplaat en kentekenbewijs voor dat voertuig was afgegeven en aldus bij dat voertuig hoorde en dat het een eerlijk voertuig betrof,

waardoor die [slachtoffer 2] (vervolgens) werd bewogen tot bovenomschreven afgifte.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

4 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in de artikelen 45, 47 en 326 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:

feit 1 en 3

telkens het misdrijf: medeplegen van oplichting;

feit 2

het misdrijf: medeplegen van poging tot oplichting.

5 De strafbaarheid van verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezenverklaarde feiten.

6 De op te leggen straf of maatregel

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft oplegging gevorderd van een gevangenisstraf van twaalf maanden waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren en daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door Reclassering Nederland.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft verzocht om bij oplegging van een gevangenisstraf het onvoorwaardelijke deel daarvan te bepalen op 168 dagen, zijnde gelijk aan de tijd die verdachte op de dag van de uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, en daarnaast een voorwaardelijk deel op te leggen als stok achter de deur. Verdachte is bereid zich te houden aan de geadviseerde bijzondere voorwaarden.

6.3

De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij in het bijzonder het volgende van belang.

De aard en ernst van de feiten

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van oplichting en een poging daartoe. Uit de verklaringen van verdachte volgt dat hij samen met meerdere – onbekend gebleven – personen deel uitmaakte van een geoliede organisatie, die zich op grote schaal bezighield met oplichting. Huurvoertuigen werden van hun rechtmatige eigenaar gestolen, voorzien van een vervalste identiteit en vervolgens te koop aangeboden aan nietsvermoedende potentiële kopers. Zij gingen daarbij zodanig geraffineerd te werk dat de kopers – in dit geval [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] – geen enkele reden hadden om te twijfelen aan de herkomst van de voertuigen en bereid waren daarvoor forse geldbedragen te betalen. Verdachte vertolkte in dit geheel een essentiële en onmisbare rol door er (onder meer) voor te zorgen dat de gestolen voertuigen bij de potentiële kopers terechtkwamen en de koopprijs te innen.

Verdachte wist dat de voertuigen uit diefstal afkomstig waren, en wist dus dat daardoor zowel de eigenaren van de voertuigen als de kopers werden gedupeerd. Verdachte heeft daarbij alleen gedacht aan zijn eigen financiële gewin, om zijn drugsverslaving in stand te kunnen houden, en heeft zich niet bekommerd om de gevolgen voor zijn slachtoffers. Dat die gevolgen groot zijn is namens [slachtoffer 2] ter zitting door mr. Klomp toegelicht en ook treffend en indringend verwoord in de schriftelijke slachtofferverklaring van [slachtoffer 1]. Zij zijn ernstig in hun vertrouwen beschaamd en ervaren daarvan nog dagelijks de consequenties. Dit rekent de rechtbank verdachte zwaar aan. De rechtbank rekent het verdachte ook aan dat hij enkel door tussenkomst van de politie is gestopt met het plegen van deze feiten. Daartegenover staat dat verdachte na zijn aanhouding openheid van zaken heeft gegeven en spijt heeft betuigd, hetgeen hij ter zitting ook heeft herhaald.

De persoon van verdachte

De rechtbank heeft gekeken naar een uittreksel uit de justitiële documentatie van verdachte van 29 juni 2026. Hieruit blijkt onder meer dat verdachte op 30 april 2024 door de politierechter van de rechtbank Noord-Nederland is veroordeeld voor vermogensdelicten tot een gevangenisstraf van drie maanden onvoorwaardelijk. Verdachte is op 19 mei 2025 in Duitsland veroordeeld voor “Gewerbsmäßige Hehlere in zwei Fällen, jeweils in Tateinheit mit Urkundenfälschung” (vervalsing van documenten) tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 1 jaar en 9 maanden met een proeftijd van drie jaren.

Over verdachte is door Reclassering Nederland op 25 juni 2026 een advies opgemaakt. De reclassering ziet – kort gezegd – problemen op nagenoeg alle leefgebieden en schat het risico op recidive in als hoog. De reclassering signaleert een (beginnend) delictpatroon van vermogensdelicten, specifiek heling. Aan de pro-criminele houding van verdachte ligt (ernstige) verslavingsproblematiek ten grondslag. Verdachte pleegt delicten om zijn verslaving te kunnen bekostigen. Het incidentele middelengebruik van verdachte is in 2011 overgegaan op problematisch middelengebruik. Hij gebruikt sindsdien dagelijks cocaïne om zijn emoties te dempen. Ter zitting heeft verdachte daarover toegelicht dat zijn cocaïneverslaving (onder meer) voortkomt uit enkele traumatische gebeurtenissen die hij heeft meegemaakt. Verdachte heeft wel pogingen gedaan om te stoppen – onder meer in eerdere detentieperiodes – maar viel telkens terug in gebruik vanwege het gebrek aan motivatie. De reclassering ziet echter nu dat verdachte graag hulp wil en gemotiveerd is om zijn verslavingsproblematiek en onverwerkte traumatische gebeurtenissen aan te pakken en dat hij openstaat voor klinische behandeling. Verdachte heeft ter zitting zijn motivatie voor behandeling uitgesproken en verklaard dat hij het roer wil omgooien en van zijn cocaïneverslaving af wil, maar dat hem dit alleen niet lukt.

De reclassering ziet mogelijkheden om met een klinische opname, gevolgd door ambulante behandeling, begeleid of beschermd wonen, dagbesteding en ondersteuning bij financiën, te werken aan gedragsverandering en daarmee recidivevermindering. Verwacht wordt dat een lange duur in een gedwongen kader nodig is, met een lange proeftijd. Verdachte staat inmiddels op de wachtlijst bij Mondriaan, een kliniek in Limburg. Deze kliniek heeft te kennen gegeven dat ze proberen verdachte direct aansluitend aan detentie te plaatsen, waarbij in ieder geval wordt geprobeerd om hem binnen drie maanden te plaatsen.

De reclassering adviseert gezien het voorgaande en de bereidwilligheid van verdachte, om bij een veroordeling een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met als bijzondere voorwaarden:

- een meldplicht bij de reclassering;

- opneming in een zorginstelling;

- ambulante behandeling met mogelijke kortdurende opname;

- verblijf in begeleid wonen of maatschappelijke opvang;

- dagbesteding;

- aflossing schulden, en

- beheersen middelengebruik.

De op te leggen straf en maatregel

De ernst van de gepleegde feiten rechtvaardigt naar het oordeel van de rechtbank zonder meer een forse (deels) onvoorwaardelijke gevangenisstraf. De rechtbank weegt daarin mee dat sprake is geweest van het medeplegen van geraffineerde en berekenende oplichting, op grote schaal en met ingrijpende gevolgen voor de slachtoffers.

De rechtbank acht het daarnaast van groot belang dat verdachte hulp krijgt bij het aanpakken van zijn verslavingsproblematiek en onderliggende trauma’s. Verdachte staat op een kruispunt in zijn leven en is voor het eerst in zijn leven bereid om hulpverlening te accepteren. Met de door de reclassering geadviseerde hulp en begeleiding kan hij aan een blijvende gedragsverandering werken waarmee de kans op herhaling kan worden teruggedrongen. De rechtbank zal daarom een deel van de gevangenisstraf voorwaardelijk opleggen, zodat verdachte kan worden behandeld en een stok achter de deur heeft om hem te weerhouden van een terugval en het opnieuw plegen van een strafbaar feit.

De rechtbank legt een hogere straf op dan geëist. De rechtbank overweegt daartoe dat de eis van de officier van justitie geen recht doet aan het georganiseerde verband waarin de feiten zijn gepleegd, de door verdachte gesuggereerde grotere omvang van de oplichting en de lichtzinnigheid waarmee hij de feiten heeft gepleegd. Gelet op het relevante strafblad van verdachte, zowel in Duitsland als in Nederland, is het noodzakelijk dat de (ook door verdachte gewenste) opname in de Mondriaan-kliniek aansluitend op zijn detentie plaatsvindt.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat aan verdachte moet worden opgelegd een gevangenisstraf voor de duur van vijftien maanden waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren en met daaraan gekoppeld de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden. De tijd die verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht moet worden afgetrokken van het onvoorwaardelijke strafdeel.

6.4

De inbeslaggenomen voorwerpen

De officier van justitie heeft het standpunt ingenomen dat de in beslag genomen telefoon aan verdachte kan worden teruggegeven.

De raadsvrouw heeft betoogd dat de in beslag genomen telefoon zal worden geretourneerd aan verdachte.

De rechtbank is van oordeel dat de telefoon op de beslaglijst (Samsung) moet worden verbeurdverklaard, omdat het een voorwerp betreft met behulp van welke de feiten zijn begaan of voorbereid.

7 De schade van benadeelden

7.1

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]

heeft zich namens [bedrijf] als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert – na wijziging van de vordering ter zitting – verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van € 49.139,57, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 22 november 2025.

De gevorderde materiële schade bestaat uit de volgende posten:

- kosten aanschaf camper € 46.000,00

- kosten aanvraag COC-papieren € 559,57

- kosten procedure klaagschrift € 2.580,00

Ter vergoeding van proceskosten wordt een bedrag van € 2.580,00 gevorderd.

Subsidiair heeft de raadsvrouw van de benadeelde partij verzocht om, indien de rechtbank van oordeel is dat de kosten van de klaagschrift procedure geen materiële schade betreft, deze te beschouwen als proceskosten.

7.1.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft het standpunt ingenomen dat de vordering geheel toewijsbaar is.

7.1.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft het standpunt ingenomen dat de proceskosten voor de klaagschriftprocedure niet voor toewijzing vatbaar zijn, aangezien het geheel onnodig was om die procedure te voeren. Voor het overige heeft de raadsvrouw geen verweer gevoerd.

7.1.3

Het oordeel van de rechtbank

Materiële schade

Het deel van de vordering tot vergoeding materiële schade dat ziet op de kosten voor de aanschaf van de camper en de kosten voor de aanvraag van de COC-papieren is voldoende onderbouwd en door/namens verdachte niet betwist. Op grond van het dossier en het onderzoek op de zitting kan worden vastgesteld dat deze schade in rechtstreeks verband staat met de onder 1 en 2 bewezenverklaarde feiten. De rechtbank wijst dit deel van vordering daarom toe.

De rechtbank wijst het deel van de vordering tot vergoeding tot materiële schade dat ziet op de schadepost kosten voor de klaagschriftprocedure af. Er is geen rechtstreeks verband tussen deze schade en de onder 1 en 2 bewezenverklaarde feiten nu de benadeelde partij geen aanspraak kon maken op derdenbescherming (artikel 3:86, lid 3, van het Burgerlijk Wetboek). De rechtbank zal deze schadepost niet afzonderlijk als proceskosten toewijzen, omdat de rechtbank (hierna) voor de proceskosten forfaitaire bedragen zal toewijzen.

Proceskosten

Bij vorderingen tot schadevergoeding is de hoofdregel dat de partij die ongelijk krijgt, de proceskosten van de andere partij moet vergoeden. Omdat de vordering tot schadevergoeding grotendeels wordt toegewezen, moet verdachte de kosten vergoeden die de benadeelde partij heeft gemaakt.

De rechtbank werkt met een puntensysteem om de proceskosten te berekenen, het liquidatietarief in civiele zaken. De rechtbank kent twee punten toe voor een tarief van € 1.290,00. De rechtbank begroot de proceskosten van de benadeelde partij daarmee op € 2.580,00.

7.1.4

De schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op, zodat (kort gezegd) de benadeelde partij de schadevergoeding niet zelf bij verdachte hoeft te incasseren, maar dat de Staat dit voor hem doet. De rechtbank bepaalt daarom dat verdachte een bedrag van € 46.559,57 aan de Staat moet betalen.

Dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 22 november 2025 (datum ontstaan schade) tot de dag dat verdachte het volledige bedrag heeft betaald.

Als verdachte de schadevergoeding niet (volledig) betaalt, kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 213 dagen. De gijzeling komt niet in de plaats van de verplichting om te betalen. Ook als gijzeling wordt toegepast, blijft verdachte dus verplicht om de schadevergoeding te betalen.

7.2

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]

heef zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert verdachte te veroordelen te betalen tot € 21.000,00, zijnde de kosten voor aanschaf van de Audi A3, te vermeerderen met de wettelijke rente. Ter vergoeding van proceskosten wordt een bedrag van € 1.672,00 gevorderd.

7.2.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft het standpunt ingenomen dat de vordering geheel toewijsbaar is.

7.2.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft geen verweer gevoerd.

7.2.3

Het oordeel van de rechtbank

Materiële schade

De vordering tot materiële schade is voldoende onderbouwd en door/namens verdachte niet betwist. Op grond van het dossier en het onderzoek op de zitting kan worden vastgesteld dat deze schade in rechtstreeks verband staat met het onder 1 en 3 bewezenverklaarde feit. De rechtbank wijst de vordering tot vergoeding van materiële schade daarom geheel toe.

Proceskosten

Bij vorderingen tot schadevergoeding is de hoofdregel dat de partij die ongelijk krijgt, de proceskosten van de andere partij moet vergoeden. Omdat de vordering tot schadevergoeding wordt toegewezen, moet verdachte de kosten vergoeden die de benadeelde partij heeft gemaakt.

De rechtbank werkt met een puntensysteem om de proceskosten te berekenen, het liquidatietarief in civiele zaken. De rechtbank kent twee punten toe voor een tarief van € 836,00. De rechtbank begroot de proceskosten van de benadeelde partij daarmee op € 1.672,00.

7.2.4

De schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op, zodat (kort gezegd) de benadeelde partij de schadevergoeding niet zelf bij verdachte hoeft te incasseren, maar dat de Staat dit voor hem doet. De rechtbank bepaalt daarom dat verdachte een bedrag van € 21.000,00 aan de Staat moet betalen.

Dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 15 juli 2025 (datum ontstaan schade) tot de dag dat verdachte het volledige bedrag heeft betaald.

Als verdachte de schadevergoeding niet (volledig) betaalt, kan gijzeling (een vorm van vrijheidsbeneming van verdachte) worden toegepast voor de duur van 128 dagen. De gijzeling komt niet in de plaats van de verplichting om te betalen. Ook als gijzeling wordt toegepast, blijft verdachte dus verplicht om de schadevergoeding te betalen.

8 De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 14a, 14b, 14c, 33, 33a, 36f en 57 Sr.

9 De beslissing

De rechtbank:

bewezenverklaring

- verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid feiten

- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;

- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1 en 3, telkens het misdrijf:

medeplegen van oplichting;

feit 2, het misdrijf:

medeplegen van poging tot oplichting;

strafbaarheid verdachte

- verklaart verdachte strafbaar voor het bewezenverklaarde;

straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 (vijftien) maanden;

- bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte van 6 (zes) maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten. De rechter kan de tenuitvoerlegging gelasten indien verdachte voor het einde van de proeftijd van 3 (drie) jaren de navolgende algemene voorwaarde niet is nagekomen:

- stelt als algemene voorwaarde dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- stelt als bijzondere voorwaarden dat verdachte:

- zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken bij de reclassering, zo vaak en zolang reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. De reclassering zal contact opnemen voor de eerste afspraak;

- zich gedurende de proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt, laat opnemen in en behandelen door de kliniek Mondriaan in Limburg of een andere soortgelijke forensische klinische zorginstelling, te bepalen door de voor plaatsing verantwoordelijke instantie (IFZ/DIZ). De opname start zo spoedig mogelijk nadat de proeftijd is gestart en zodra de plaatsing mogelijk is. De zorginstelling bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op psychische problematiek, verslavingsproblematiek en cognitieve vaardigheden. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat verdachte voorgeschreven medicatie zal gebruiken. Verdachte houdt zich aan de huisregels en aanwijzingen van de zorginstelling en de behandelaren. Als de reclassering een overgang naar ambulante zorg of verblijf in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang nodig vindt, werkt verdachte mee aan de indicatiestelling en plaatsing;

- zich, aansluitend aan de klinische opname en indien geïndiceerd, gedurende de proeftijd ambulant laat behandelen door een zorginstelling, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op psychische problematiek, verslavingsproblematiek en cognitieve vaardigheden. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat verdachte voorgeschreven medicatie zal gebruiken. Indien er sprake is van een terugval in middelengebruik/bij overmatig middelengebruik en/of een zodanige verslechtering van de psychische toestand van verdachte dat een kortdurende klinische opname voor detoxificatie/ stabilisatie/ crisisbehandeling noodzakelijk is, kan de reclassering een indicatiestelling aanvragen voor een dergelijke kortdurende klinische opname voor de duur van maximaal 7 weken. Indien de voor indicatie verantwoordelijke instantie een kortdurende klinische opname indiceert, nadat dit door de rechter is bevolen, laat verdachte zich opnemen in een zorginstelling te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing;

- indien geïndiceerd, gedurende de proeftijd of zoveel korter als de reclassering dat nodig vindt, verblijft in een instelling voor begeleid of beschermd wonen, te bepalen door de reclassering. Het verblijf start aansluitend op de klinische opname. Verdachte houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering opstelt;

- zich inspant voor het vinden en behouden van betaald werk, onbetaald werk en/of vrijetijdsbesteding met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag;

- meewerkt aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen, ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen. Verdachte geeft de reclassering inzicht in zijn financiën en schulden;

- gedurende de proeftijd meewerkt aan controles om zicht te krijgen op het gebruik

en/of het gebruik te leren beheersen van alcohol en verdovende middelen, genoemd in lijst I (harddrugs) en lijst II (softdrugs). Deze controles kunnen bestaan uit

urineonderzoek/ademonderzoek/speekseltest. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd;

- draagt de reclassering op om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;

daarbij gelden als voorwaarden van rechtswege dat verdachte:

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

- medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, Sr, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht daaronder begrepen;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

Schadevergoedingen

[slachtoffer 1] namens [bedrijf] (feit 1 en 2)

- wijst de vordering van de benadeelde partij toe tot een bedrag van € 46.559,57 (bestaande uit materiële schade);

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij van een bedrag van € 46.559,57, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 22 november 2025;

- veroordeelt verdachte in de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt, begroot op € 2.580,00;

- legt de maatregel op dat verdachte verplicht is ter zake van de bewezenverklaarde feiten tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 46.559,57, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 22 november 2025 ten behoeve van de benadeelde partij, en bepaalt, voor het geval volledig verhaal van het verschuldigde bedrag niet mogelijk blijkt, dat gijzeling voor de duur van 213 dagen kan worden toegepast. Tenuitvoerlegging van de gijzeling laat de betalingsverplichting onverlet;

- bepaalt dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als verdachte aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;

- wijst de vordering voor het overige af.

[slachtoffer 2] (feit 3)

- wijst de vordering van de benadeelde partij toe tot een bedrag van € 21.000,00 (bestaande uit materiële schade);

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij van een bedrag van € 21.000,00 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 15 juli 2025;

- veroordeelt verdachte in de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt, begroot op € 1.672,00;

- legt de maatregel op dat verdachte verplicht is ter zake van de bewezenverklaarde feiten tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 21.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 15 juli 2025 ten behoeve van de benadeelde partij, en bepaalt, voor het geval volledig verhaal van het verschuldigde bedrag niet mogelijk blijkt, dat gijzeling voor de duur van 128 dagen kan worden toegepast. Tenuitvoerlegging van de gijzeling laat de betalingsverplichting onverlet;

- bepaalt dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als verdachte aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;

de in beslag genomen voorwerpen

- verklaart verbeurd het in beslag genomen en op de beslaglijst genoemde voorwerp: een telefoon (Samsung).

Dit vonnis is gewezen door mr. P.J. Beker, voorzitter, mr. B.T.C. Jordaans en

mr. M.A.H. Heijink, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E.A.B. Kroeze, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 28 juli 2026.

Buiten staat

mr. Beker is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van de politie eenheid Oost-Nederland met nummer PL0600-2026067877. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.