Strafrecht overig

De rechtbank veroordeelt een 25-jarige man tot een gevangenisstraf van 102 dagen en een taakstraf van 120…

Rechtbank Overijssel, 29 oktober 2026

Zaakgegevens

Op 29 oktober 2026 heeft de Rechtbank Overijssel in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Rechtbank Overijssel
Zittingsplaats
Almelo
Datum uitspraak
29 oktober 2026
Datum publicatie
28 oktober 2026
Zaaknummer
08-099342-25 (P)
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
ECLI
ECLI:NL:RBOVE:2026:6505
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

De rechtbank veroordeelt een 25-jarige man tot een gevangenisstraf van 102 dagen en een taakstraf van 120 uren. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling van een kwetsbare en met verslaving(en) kampende vrouw.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht

Meervoudige kamer

Zittingsplaats Almelo

Parketnummer: 08-099342-25 (P)

Datum vonnis: 29 oktober 2026

Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 2001 in [geboorteplaats] ,

wonende aan de [adres 1] .

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 1 oktober 2026 en 15 oktober 2026.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie en van wat door verdachte en zijn raadsman mr. L.C. de Lange, advocaat in Utrecht, naar voren is gebracht.

Ook heeft de rechtbank kennis genomen van de door of namens [benadeelde 1] en [benadeelde 2] , nabestaanden van [slachtoffer] , voorgedragen slachtofferverklaring en van wat namens de benadeelde partijen [benadeelde 3] , [benadeelde 2] , [benadeelde 4] , [benadeelde 5] , [benadeelde 6] en [benadeelde 7] door

mr. W. van Egmond, advocaat in Amsterdam, is aangevoerd.

2 De tenlastelegging

De verdenking komt er, na wijziging van de tenlastelegging op de voet van artikel 313 Wetboek van Strafvordering (Sv) van 10 juli 2025, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

primair en subsidiair: samen met een ander dan wel alleen, [slachtoffer] , al dan niet met voorbedachte raad, van het leven heeft beroofd;

meer subsidiair: samen met een ander dan wel alleen heeft geprobeerd om zwaar lichamelijk letsel aan [slachtoffer] toe te brengen;

meest subsidiair: samen met een ander dan wel alleen [slachtoffer] heeft mishandeld.

Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:

hij in of omstreeks de periode van 27 tot en met 28 maart 2025 te Enschede, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, [slachtoffer] opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven heeft beroofd door die [slachtoffer] meerdere malen met kracht tegen het hoofd en/of (boven-)lichaam te slaan, te stompen en/of te schoppen en/of anderszins grof geweld toe te passen op het hoofd en/of (boven-)lichaam van die [slachtoffer] en/of de nek/hals/keel dicht te drukken en/of dichtgedrukt te houden (verwurging) en/of de mond en/of neus van die [slachtoffer] dicht te drukken en/of dichtgedrukt te houden (smoren) en/of die [slachtoffer] op haar buik op de grond te leggen/plaatsen en/of haar mond/neus af te dekken met

kledingstukken en/of ander materiaal (plastic) en/of de handen van die [slachtoffer] op haar rug vast te binden;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou

kunnen leiden:

hij in of omstreeks de periode van 27 tot en met 28 maart 2025 te Enschede, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, [slachtoffer] opzettelijk en met voorbedachten rade zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht door die [slachtoffer] meerdere malen met kracht tegen het hoofd en/of (boven-)lichaam te slaan, te stompen en/of te schoppen en/of anderszins grof geweld toe te passen op het hoofd en/of (boven-)lichaam van die [slachtoffer] en/of de nek/hals/keel dicht te drukken en/of dichtgedrukt te houden (verwurging) en/of de mond en/of neus van die [slachtoffer] dicht te drukken en/of dichtgedrukt te houden (smoren) en/of die [slachtoffer] op haar buik op de grond te leggen/plaatsen en/of haar mond/neus af te dekken met

kledingstukken en/of ander materiaal (plastic) en/of de handen van die [slachtoffer] op haar rug vast te binden, terwijl het feit de dood van die [slachtoffer] ten gevolge heeft gehad;

meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou

kunnen leiden:

hij in of omstreeks de periode van 27 tot en met 28 maart 2025 te Enschede, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of verdachtes mededader(s) voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, een of meerdere malen (met kracht) met zijn hand, vuist en/of onderarm tegen het hoofd en/of gelaat en/of lichaam van [slachtoffer] heeft geslagen en/of gestompt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

meest subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou

kunnen leiden:

hij in of omstreeks de periode van 27 tot en met 28 maart 2025 te Enschede, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, [slachtoffer] heeft mishandeld door een of meerdere malen (met kracht) met zijn hand, vuist en/of onderarm tegen het hoofd en/of gelaat en/of lichaam van [slachtoffer] te slaan en/of te stompen.

3 De voorvragen

3.1

De geldigheid van de dagvaarding

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de dagvaarding, wat betreft de ter terechtzitting van 10 juli 2025 toegelaten wijziging van de tenlastelegging, partieel nietig dient te worden verklaard. Hij heeft daartoe aangevoerd dat, voor zover het Openbaar Ministerie met de wijziging van de tenlastelegging heeft beoogd om verdachte in de onderhavige strafzaak ook te vervolgen voor de ‘enkele klap’ of ‘veeg’ die hij [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer] ) zou hebben gegeven, er geen sprake is van hetzelfde feit als bedoeld in artikel 68 Wetboek van Strafrecht (Sr). De raadsman stelt dat dit wat betreft de juridische aard niet onder dezelfde delictsomschrijving als de gedragingen van het primair en subsidiair ten laste gelegde valt. Ook zijn er andere strafmaxima aan de orde. Wat betreft strekking, plaats en omstandigheden waaronder die handelingen (de klap of veeg) zijn verricht, kan niet worden gesproken van hetzelfde feit. Dit alles maakt de wijziging van de tenlastelegging ontoelaatbaar, aldus de raadsman.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat in het primair en subsidiair ten laste gelegde het totaal aan geweldshandelingen, te beginnen met de eerste klap tot het overlijden, besloten ligt. In het meer en meest subsidiair ten laste gelegde ligt ook de eerste fase van het geweld besloten, waardoor er wel degelijk sprake is van hetzelfde feit als bedoeld in artikel 68 Sr.

De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman en overweegt daartoe als volgt. Het dossier van onderzoek Idaho is gericht op de vele geweldshandelingen die tussen 27 en 28 maart 2025 jegens [slachtoffer] zouden zijn gepleegd. De vraag is of, en zo ja welke van, de handelingen aan de verdachten in dit onderzoek toegeschreven kunnen worden. Evenals de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat daarbij het geheel aan handelingen in ogenschouw genomen moet worden. De rechtbank is daarom van oordeel dat de bij wijziging van de tenlastelegging van 10 juli 2025 toegevoegde misdrijven dezelfde gedragingen beschrijven, als de gedragingen die reeds bij inleidende dagvaarding aan verdachte ten laste waren gelegd. Ook verschillen deze niet dusdanig van juridische aard, dat er geen sprake is van hetzelfde feit als bedoeld in artikel 68 Sr. Bovendien heeft de raadsman ter terechtzitting van 10 juli 2025, blijkens het proces-verbaal van die zitting, geen bezwaar gemaakt tegen de wijziging van de tenlastelegging. De rechtbank stelt daarom vast dat de dagvaarding geldig is.

3.2

De overige voorvragen

De rechtbank heeft verder vastgesteld dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De bewijsmotivering

4.1

Inleiding: TGO Idaho

In de nacht van 27 op 28 maart 2025 worden drie verbalisanten op straat aangesproken door [naam 1] (hierna: [naam 1] ). Hij verklaart ten overstaan van de verbalisanten dat hij in zijn woning in elkaar is geslagen door een man die hij “ [naam 2] ” noemt en een onbekend gebleven persoon. [naam 1] vertelt de agenten dat “ [naam 2] ” en de onbekend gebleven persoon aan de [adres 2] verblijven. De verbalisanten gaan daarop ter plaatse en krijgen van de bewoner van de [adres 2] , [medeverdachte 1] (hierna: [medeverdachte 1] ), toestemming om binnen te treden. In een van de slaapkamers wordt het levenloze lichaam van [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer] ) aangetroffen. Daarop wordt [medeverdachte 1] door de verbalisanten aangehouden.

Naar aanleiding van deze gebeurtenis is er een onderzoek door Team Grootschalige Opsporing (TGO) opgestart onder de naam Idaho. Vanwege hun aanwezigheid in de woning aan de [adres 2] in de avond van 27 maart 2025 en in de nacht van

27 op 28 maart 2025, worden ook [verdachte] (hierna: verdachte of [verdachte] ) en [medeverdachte 2] (hierna: [medeverdachte 2] ) aangemerkt als verdachten in dit onderzoek. Zij hebben zich op

31 maart 2025, na telefonisch contact met het onderzoeksteam, gemeld op het politiebureau alwaar zij zijn aangehouden. De strafzaak tegen [medeverdachte 2] is door het Openbaar Ministerie geseponeerd. Aan zowel [medeverdachte 1] als [verdachte] is primair het medeplegen van moord dan wel doodslag ten laste gelegd en subsidiair het medeplegen van de zware mishandeling van [slachtoffer] , al dan niet met voorbedachte raad, met de dood ten gevolg. Aan [verdachte] is meer subsidiair de poging tot zware mishandeling en meest subsidiair de mishandeling van [slachtoffer] ten laste gelegd.

4.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat [verdachte] [slachtoffer] met zijn onderarm een tot drie klappen heeft gegeven, waardoor zij “knock-out” is gegaan. De officier van justitie heeft gerequireerd tot vrijspraak van het primair en subsidiair ten laste gelegde, omdat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat er causaal verband bestaat tussen deze handeling(en) van [verdachte] en het overlijden van [slachtoffer] . De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het meer subsidiair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard.

4.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich primair op het standpunt gesteld dat [verdachte] vrijgesproken dient te worden van het primair en subsidiair ten laste gelegde, nu op basis van het dossier niet kan worden vastgesteld wat de doodsoorzaak van [slachtoffer] is geweest. Subsidiair heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat [verdachte] vrijgesproken dient te worden van het primair en subsidiair ten laste gelegde, wegens het ontbreken van voldoende wettig en overtuigend bewijs voor de betrokkenheid van [verdachte] bij het overlijden van [slachtoffer] . Voor wat betreft het meer subsidiair en meest subsidiair ten laste gelegde heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat de rechtbank niet toekomt aan de kwalificatievraag, onder dezelfde redenering als hiervoor onder “geldigheid van de dagvaarding” reeds uiteen is gezet, zodat verdachte ook van het meer subsidiair en meest subsidiair ten laste gelegde vrijgesproken moet worden. Tot slot heeft de raadsman aangevoerd dat, bij gebrek aan informatie omtrent de klap, het voorwaardelijk opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel niet kan worden vastgesteld. Ditzelfde geldt voor het voor een bewezenverklaring van mishandeling vereiste pijn en/of letsel.

4.4

Het oordeel van de rechtbank

Hierna stelt de rechtbank op grond van de inhoud van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting de feiten en omstandigheden vast. De rechtbank overweegt verder, al dan niet in reactie op gevoerde verweren, waarom zij op basis van die feiten en omstandigheden tot conclusies en beantwoording van de bewijsvraag komt.

4.4.1

De verklaring van [verdachte]

heeft ter terechtzitting verklaard dat hij [slachtoffer] op 27 maart 2025, nadat zij zijn fiets buiten het portiek had gezet, een “veeg” heeft gegeven. Hij heeft erkend dat hij boos was, omdat hij in de veronderstelling was dat [slachtoffer] betrokkenheid had bij de (vermeende) diefstal van zijn fiets. [verdachte] heeft ontkend enige betrokkenheid bij het overlijden van [slachtoffer] te hebben.

4.4.2

De redengevende feiten en omstandigheden

Op 27 maart 2025 om 19:36 uur komt [verdachte] met een fiets in zijn hand het portiek van de woning van [medeverdachte 1] (hierna: het portiek) aan de [adres 2] binnenlopen. Hij laat de fiets achter in het portiek en gaat de woning van [medeverdachte 1] binnen. [slachtoffer] en [medeverdachte 1] zijn op dat moment al in de woning aanwezig. Om 21:28 uur loopt [slachtoffer] vanuit de woning het portiek in en verplaatst zij de fiets waarmee [verdachte] eerder die avond het portiek binnen is gekomen, naar een plek buiten het portiek. Om 21:31 uur komt [slachtoffer] , nadat zij drieënhalve minuut buiten het portiek is geweest, het portiek weer binnen gelopen. Vlak daarna, om 21:32 uur, rent [verdachte] het portiek uit. Hij komt na 37 seconden weer het portiek binnen. Nadat [verdachte] één minuut en veertien seconden in het portiek dan wel in de woning van [medeverdachte 1] is geweest, loopt hij samen met [medeverdachte 2] het portiek uit. [verdachte] verkeert in de veronderstelling dat zijn fiets is gestolen door [naam 1] , met hulp van [slachtoffer] . Hij gaat samen met [medeverdachte 2] op zoek naar zijn fiets bij de woning van [naam 1] , gelegen aan de [adres 3] . [verdachte] is gefrustreerd en boos over de vermeende diefstal van zijn fiets. Om 22:08 uur, in de buurt van de [adres 3] , schreeuwt [verdachte] “hij/zij heeft mijn kankerfiets broer. Ik heb net iemand bijna doodgeslagen”.

Op 28 maart 2025 om 03:31 uur wordt in de woning van [medeverdachte 1] het levenloze lichaam van [slachtoffer] aangetroffen.

Op 29 maart 2025 heeft er een gesprek tussen [verdachte] , [medeverdachte 2] en [naam 3] (hierna: [naam 3] ) plaatsgevonden. Tijdens dit gesprek heeft [verdachte] aan [naam 3] verteld dat hij [slachtoffer] een klap heeft gegeven met zijn onderarm en dat zij “knock-out” ging.

4.4.2

De overwegingen van de rechtbank

De betrokkenheid en de rol van [verdachte]

Op basis van bovenstaande feiten en omstandigheden stelt de rechtbank vast dat [verdachte] geweld heeft gebruikt tegen [slachtoffer] . Dat er sprake is geweest van enig geweld tegen [slachtoffer] , wordt door [verdachte] zelf ook niet ontkend. De rechtbank is van oordeel dat er niet slechts sprake is geweest van een “veeg”, zoals door [verdachte] is verklaard ter terechtzitting, maar van (fors) geweld in de vorm van slaan/stompen tegen het hoofd/gelaat/lichaam van [slachtoffer] . De rechtbank neemt daarbij het volgende in overweging. Vanaf het moment dat [verdachte] in de veronderstelling is dat zijn fiets is gestolen met de hulp van [slachtoffer] , is zijn stemming opgewonden, geëmotioneerd en boos. Dit wordt onderschreven door de uitlatingen van [verdachte] die zijn vastgelegd op de camerabeelden in de buurt van de [adres 3] . [verdachte] heeft ter terechtzitting ook erkend dat hij boos was op [slachtoffer] . Op de camerabeelden in het dossier is te horen dat [verdachte] om 22:08 uur schreeuwt dat hij net bijna iemand heeft doodgeslagen. Dit alles past in het beeld dat getuige [naam 3] in zijn verklaring heeft geschetst, te weten dat [verdachte] tegen [naam 3] heeft gezegd dat hij ( [verdachte] ) [slachtoffer] met zijn onderarm heeft geslagen, waardoor [slachtoffer] knock-out is gegaan. Gelet op alle voornoemde feiten en omstandigheden, in onderling verband en in samenhang bezien, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] met kracht tegen het hoofd/gelaat/lichaam van [slachtoffer] heeft geslagen/gestompt. Uit de camerabeelden volgt dat dit geweld op 27 maart 2025, omstreeks 21:32 uur, binnen een tijdsbestek van een minuut en veertien seconden heeft plaatsgevonden

Op basis van het dossier kan evenwel niet worden vastgesteld dat [verdachte] andere geweldshandelingen tegen [slachtoffer] heeft verricht.

De juridische kwalificatie van de rol van [verdachte]

- Het primair en subsidiair ten laste gelegde
Om tot een bewezenverklaring van moord dan wel doodslag (primair) of zware mishandeling met de dood ten gevolg (subsidiair) te kunnen komen, moet worden vastgesteld dat een causaal verband bestaat tussen het door [verdachte] gepleegde geweld en het overlijden van [slachtoffer] . De rechtbank is, evenals de officier van justitie en de raadsman, van oordeel dat er geen causaal verband is vast te stellen tussen de door [verdachte] gepleegde geweldshandelingen en de dood van [slachtoffer] . De rechtbank zal [verdachte] daarom vrijspreken van het primair en subsidiair ten laste gelegde.

- Het meer subsidiair ten laste gelegde

De vraag die de rechtbank vervolgens dient te beantwoorden is of de aan [verdachte] ten laste gelegde poging tot zware mishandeling van [slachtoffer] bewezen kan worden verklaard. De rechtbank verwerpt allereerst, onder verwijzing naar wat zij reeds onder “de geldigheid van de dagvaarding” heeft overwogen, het tot vrijspraak strekkende verweer van de raadsman met betrekking tot de gewijzigde tenlastelegging.

Om tot een bewezenverklaring te komen van de tenlastegelegde zware mishandeling, dient te worden bewezen dat [verdachte] opzet heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan het slachtoffer. De rechtbank ziet geen aanknopingspunten om te oordelen dat [verdachte] vol opzet had om [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. Vervolgens is aan de orde of sprake was van opzet in voorwaardelijke zin op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan [slachtoffer] . Daarvan is sprake indien [verdachte] willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat het slachtoffer door zijn handelen zwaar lichamelijk letsel zou oplopen. [slachtoffer] is door [verdachte] geslagen/gestompt tegen het gezicht/hoofd/lichaam. Dat dit met minimaal enige kracht gepaard ging, blijkt uit het feit dat [slachtoffer] ten gevolge hiervan “knock-out” ging dan wel op de grond viel. De rechtbank is daarom van oordeel dat, bij het op deze wijze slaan dan wel stompen, de kans op zwaar lichamelijk letsel aanmerkelijk is te achten. Verder dienen de gedragingen van [verdachte] naar hun uiterlijke verschijningsvorm te worden aangemerkt als zo zeer gericht te zijn geweest op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, dat het niet anders kan dan dat hij door deze gedragingen de aanmerkelijke kans op dat gevolg heeft aanvaard. Dat geldt temeer nu [slachtoffer] een vrouw van ‘slechts’ circa 168 centimeter en 43 kilogram, oftewel met ernstig ondergewicht, was. Van contra-indicaties is niet gebleken.

De rechtbank acht het meer subsidiair ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen.

De rechtbank acht op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting niet bewezen dat sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen [verdachte] en een of meer anderen bij het toepassen van het geweld op [slachtoffer] op 27 maart 2025 omstreeks 21:30 uur. De rechtbank zal [verdachte] daarom vrijspreken van het ten laste gelegde medeplegen.

4.5

De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in de bijlage opgenomen bewijsmiddelen waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het meer subsidiair ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat:

hij in de periode van 27 tot en met 28 maart 2025 te Enschede, ter uitvoering van

het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met kracht met zijn hand, vuist en/of onderarm tegen het hoofd en/of gelaat en/of lichaam van [slachtoffer] heeft geslagen en/of gestompt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd in de bewezenverklaring. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

5 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in de artikelen 45 en 302 Sr. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:

meer subsidiair:

het misdrijf: poging tot zware mishandeling.

6 De strafbaarheid van verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor het bewezenverklaarde feit.

7 De op te leggen straf of maatregel

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het meer subsidiair ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden, waarvan vier maanden voorwaardelijk, met aftrek van de tijd die hij reeds in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Daarbij is meegewogen dat het door verdachte toegepaste geweld de eerste schakel was in de keten van gewelddadige gebeurtenissen die tot de dood van [slachtoffer] hebben geleid.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat met de onderbouwing van de eis van de officier van justitie, de grondslag van de tenlastelegging op ontoelaatbare wijze wordt verlaten. Er worden dan immers omstandigheden bij de strafmaat betrokken, die niet kunnen worden bewezen. De oriëntatiepunten van het LOVS schrijven voor een voltooide zware mishandeling een gevangenisstraf voor de duur van drie maanden voor.

7.3

De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is zijn begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij in het bijzonder het volgende van belang.

De ernst van het feit

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling van [slachtoffer] , een kwetsbare en met verslaving(en) kampende vrouw. Hij heeft haar, in een razernij, met dusdanige kracht geslagen dat zij “knock-out” ging, omdat hij dacht dat zij betrokken was bij de diefstal van zijn fiets. Door zo te handelen, en daarmee voor eigen rechter te spelen, heeft verdachte op grove wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van [slachtoffer] . Dit geweld markeerde het begin van een avond waarin zij door buitensporig geweld om het leven is gebracht. Verdachte heeft slechts mondjesmaat verantwoordelijkheid genomen voor zijn aandeel in de gewelddadige avond die uiteindelijk tot de dood van [slachtoffer] heeft geleid. Hij heeft zijn handelen gebagatelliseerd en op vragen die de nabestaanden wellicht meer duidelijkheid over de laatste momenten van [slachtoffer] hadden kunnen geven, geweigerd antwoord te geven. De rechtbank rekent dit de verdachte aan.

De persoon van verdachte

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de Justitiële Documentatie van verdachte van 26 augustus 2026. Hieruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor een soortgelijk strafbaar feit.

De rechtbank heeft kennisgenomen van het reclasseringsadvies van 29 september 2025. Hierin staat onder meer het volgende. Verdachte woont bij zijn ouders en verklaart dat hij een goede band met zijn gezinsleden heeft. Hij ervaart steun vanuit zijn familie. Verdachte stelt in het bouwbedrijf van zijn neef werkzaam te zijn, hetgeen door zijn neef telefonisch is bevestigd. Tegelijkertijd bestaan er bij de reclassering zorgen op het gebied van middelengebruik en de omgang met personen in een drugsgerelateerd milieu. Met name gelet op de ernst van het ten laste gelegde, de ontkennende houding van verdachte en de gesignaleerde zorgen op de verschillende leefgebieden, ziet de reclassering onvoldoende mogelijkheden voor reclasseringsinterventies. De risico’s op recidive en op letsel kunnen niet worden in geschat. De reclassering adviseert een straf zonder bijzondere voorwaarden.

De op te leggen straf

Gezien de ernst van het gepleegde feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. De rechtbank zal hierbij volstaan met het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan de tijd die verdachte reeds in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Daarnaast zal de rechtbank, vanuit het oogpunt van vergelding, een onvoorwaardelijke taakstraf opleggen, waarmee tevens wordt beoogd verdachte van een vorm van dagbesteding in een legitieme omgeving te voorzien.

De rechtbank acht, alles afwegende, oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan de duur van het voorarrest en een taakstraf van 120 uren passend en geboden.

8 De schade van benadeelden

8.1

De vorderingen van de benadeelde partijen

[benadeelde 2] , [benadeelde 4] , [benadeelde 5] , [benadeelde 6] , [benadeelde 7] en [naam 4] , wettelijk vertegenwoordiger van de minderjarige [benadeelde 3] , hebben zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. Zij worden bijgestaan door mr. W. van Egmond.

Affectieschade

[benadeelde 2] , [benadeelde 4] , [benadeelde 5] , [benadeelde 6] en [benadeelde 7] vorderen elk een bedrag van

€ 17.500,-- per persoon ter vergoeding van affectieschade. [naam 4] vordert na wijziging van de vordering ter terechtzitting door mr. W. van Egmond, als vertegenwoordiger van de minderjarige [benadeelde 3] , een bedrag van € 20.000,-- ter vergoeding van affectieschade.

Materiële schade

[benadeelde 6] vordert een bedrag van € 610,-- ter vergoeding van materiële schade, bestaande uit de volgende posten:

- vliegreis heen € 143,62

- vliegreis terug € 119,88

- taxi naar uitvaartlocatie € 346,50.

[benadeelde 7] vordert een bedrag van € 1.806,70 ter vergoeding van materiële schade, bestaande uit de volgende posten:

- vliegreis retour € 777,70

- Airbnb-accommodatie € 1.029,--.

8.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partijen niet-ontvankelijk moeten worden verklaard in hun vorderingen, wegens het ontbreken van een verband tussen de poging tot zware mishandeling van [slachtoffer] en de gestelde schade.

8.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partijen niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard in hun vorderingen bij een vrijspraak van verdachte voor betrokkenheid bij het overlijden van [slachtoffer] .

8.4

Het oordeel van de rechtbank

Naar het oordeel van de rechtbank is door de bewezenverklaarde poging tot zware mishandeling geen rechtstreekse schade toegebracht aan de benadeelde partijen. De rechtbank begrijpt de vordering van de benadeelde partijen zo, dat zij vergoeding van de schade vorderen die zij door het overlijden van [slachtoffer] hebben geleden. Verdachte wordt echter vrijgesproken van het primair en subsidiair ten laste gelegde. De bewezenverklaarde poging tot zware mishandeling houdt geen rechtstreeks verband met de gestelde schade. De rechtbank zal daarom de benadeelde partijen in hun vorderingen niet-ontvankelijk verklaren.

9 De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 9, 22c en 22d Sr.

10 De beslissing

De rechtbank:

geldigheid van de dagvaarding

- verklaart de dagvaarding geldig;

vrijspraak

- verklaart niet bewezen dat verdachte het onder primair en subsidiair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;

bewezenverklaring

- verklaart bewezen dat verdachte het onder meer subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid feiten

- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar;

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

het misdrijf: poging tot zware mishandeling;

strafbaarheid verdachte

- verklaart verdachte strafbaar voor het bewezen verklaarde;

straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 102 (honderdtwee) dagen;

- bepaalt dat de tijd die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

- veroordeelt de verdachte tot een taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid voor de duur van 120 (honderdtwintig) uren;

- beveelt, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 60 (zestig) dagen;

schadevergoeding

de vordering van [benadeelde 2]

- bepaalt dat de benadeelde partij in het geheel niet-ontvankelijk is in de vordering;

- bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder de eigen kosten dragen;

de vordering van [benadeelde 4]

- bepaalt dat de benadeelde partij in het geheel niet-ontvankelijk is in de vordering;

- bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder de eigen kosten dragen;

de vordering van [benadeelde 5]

- bepaalt dat de benadeelde partij in het geheel niet-ontvankelijk is in de vordering;

- bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder de eigen kosten dragen;

de vordering van [benadeelde 6]

- bepaalt dat de benadeelde partij in het geheel niet-ontvankelijk is in de vordering;

- bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder de eigen kosten dragen;

de vordering van [benadeelde 7]

- bepaalt dat de benadeelde partij in het geheel niet-ontvankelijk is in de vordering;

- bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder de eigen kosten dragen;

de vordering van [benadeelde 3]

- bepaalt dat de benadeelde partij in het geheel niet-ontvankelijk is in de vordering;

- bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder de eigen kosten dragen.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.A.H. Heijink, voorzitter, mr. B.T.C. Jordaans en mr. P.A.M. Miltenburg, rechters, in tegenwoordigheid van mr. B. Kleinlugtenbeld, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 29 oktober 2026.

Buiten staat

Mr. Jordaans is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage bewijsmiddelen

Leeswijzer

Deze bijlage maakt deel uit van het vonnis en bevat de bewijsmiddelen. Voor zover de bewijsmiddelen conclusies van verbalisanten bevatten, neemt de rechtbank die over en maakt deze tot de hare.

Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van politie eenheid Oost-Nederland met nummer IDAHO/ONRAB25004. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar pagina’s van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.

1.

Het proces-verbaal van de terechtzitting van 1 oktober 2026, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van verdachte:

Ik heb [slachtoffer] op 27 maart 2025 bij de woning gelegen aan de [adres 2] een “veeg” gegeven. Het klopt dat ik heb gezegd dat ik bijna iemand dood had geslagen. Ik was boos.

2.

Het proces-verbaal van bevindingen van bevindingen van 4 augustus 2025, voor zover inhoudend, zakelijk weergegeven, op pagina 799 (ZD01) e.v.:

Vanuit het onderzoeksteam heb ik, verbalisant, de vraag gekregen om inzicht te geven in de tijdlijn van de avond en nacht waarin [slachtoffer] om het leven is gekomen.

19:36:11 uur

Op camerabeelden vanuit het portiek van [adres 2] is te zien dat [verdachte] het

portiek binnenloopt met een fiets aan zijn hand. De telefoon van met telefoon nummer [telefoonnummer] maakt om 19:37:46 uur verbinding met het Wifi-netwerk van [adres 2]

119.

21:28:02 uur

Op camerabeelden vanuit het portiek van [adres 2] is te zien dat [slachtoffer] de fiets,

waarmee [verdachte] om 19:36 uur het portiek binnenkomt, aan de achterkant optilt en mee naar buiten neemt.

21:31:29 uur

Op camerabeelden vanuit het portiek van [adres 2] is te zien dat [slachtoffer] het portiek binnen komt.

21:32:09 uur

Op camerabeelden vanuit het portiek van [adres 2] is te zien dat [verdachte] rennend het portiek verlaat.

21:32:46 uur

Op camerabeelden vanuit het portiek van [adres 2] is te zien dat [verdachte] het

portiek binnenkomt. [verdachte] is dan 37 seconden buiten geweest.

21:34:00 uur

Op camerabeelden vanuit het portiek van [adres 2] is te zien dat [verdachte] en

[medeverdachte 2] het portiek verlaten.

22:08:32 uur

Op camerabeelden van [adres 4] is het volgende geluidsfragment te horen:

A: Schreeuwt: Ik heb net iemand bijna doodgeslagen.

De stem die hier aangeduid wordt met ‘A’ wordt herkend als de stem van [verdachte] .

3.

Het proces-verbaal van bevindingen van 11 april 2025, voor zover inhoudend, zakelijk weergegeven, op pagina 310 e.v.:

Op de beelden van de [adres 4] zijn een aantal mannen te horen en te zien, waaronder de verdachte [verdachte] . Waar [letter] staat wordt de verdachte [verdachte] bedoeld.

Uitwerking verbalisant

[letter] : ze heeft mijn fiets, ze heeft mijn fiets

Schreeuwt: Ze heeft mijn kankerfiets broer

Ik heb net iemand bijna doodgeslagen

4.

Het proces-verbaal van verhoor getuige [naam 3] van 7 mei 2025, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, op pagina (ZD01) 369:

A: 29 maart kwam [naam 2] met zijn mattie om ongeveer 14.30 uur bij de parkeerplaats bij de Jumbo Wesselerbrink.

V: Hoe ging het gesprek verder?

A: [naam 2] zei dus dat hij uit boosheid met zijn onderarm heeft uitgehaald en dat zij KO ging (getuige bedoelt Knock-out).

O: We willen je een foto laten zien.

[afbeelding]

V: Wie is dit?

A: Dit is [naam 2] .

5.

Het proces-verbaal van verhoor getuige [naam 3] door de rechter-commissaris van 22 januari 2026, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van de getuige:

[verdachte] heeft met u gesproken over [slachtoffer] dat hij haar zou hebben geslagen.

Ja omdat hij zei dat [slachtoffer] zijn fiets had gepakt.

U heeft benoemd in dat gesprek dat hij haar met een onderarm heeft geslagen?

Ik vroeg hoe heb je haar geslagen? Hij wees naar zijn onderarm, de binnenkant.

ZD01, pag. 01036.