Strafrecht overig
De rechtbank veroordeelt een 23-jarige vrouw tot een jeugddetentie van 228 dagen, waarvan 180 dagen…
Rechtbank Overijssel, 29 oktober 2026
ECLI:NL:RBOVE:2026:6545 · Rechtbank Overijssel · 29 oktober 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-overijssel/strafrecht/strafrecht-overig/eerste-aanleg-meervoudig/ecli-nl-rbove-2026-6545
Zaakgegevens
Op 29 oktober 2026 heeft de Rechtbank Overijssel in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Rechtbank OverijsselRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Almelo
- Datum uitspraak
- 29 oktober 2026
- Datum publicatie
- 29 oktober 2026
- Zaaknummer
- 08.077486.24 (P)
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- Eerste aanleg - meervoudigMeervoudige kamerDe zaak is behandeld door drie rechters samen, meestal omdat zij ingewikkeld of zwaar is.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBOVE:2026:6545
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
De rechtbank veroordeelt een 23-jarige vrouw tot een jeugddetentie van 228 dagen, waarvan 180 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, een meldplicht bij de reclassering en een taakstraf van 120 uren. Daarnaast moet de verdachte het slachtoffer een schadevergoeding van € 7.855,00 betalen. De verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan een diefstal met geweld en bedreiging met geweld.
Uitspraak
RECHTBANK OVERIJSSEL
Team Strafrecht
Meervoudige kamer
Zittingsplaats Almelo
Parketnummer: 08.077486.24 (P)
Datum vonnis: 29 oktober 2026
Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 2003 in [geboorteplaats] ,
wonende aan de [adres 1] ,
hierna te noemen: de verdachte of [verdachte] .
1 Het onderzoek op de terechtzitting
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 15 oktober 2026.
De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie en van wat door verdachte en haar raadsman mr. J. Michels, advocaat in Oldenzaal, naar voren is gebracht.
2 De tenlastelegging
De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte samen met anderen met geweld en bedreiging met geweld goederen, drugs en geld heeft gestolen uit de woning van [slachtoffer] (hierna [slachtoffer] ).
Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:
zij op of omstreeks 30 januari 2024 te Oldenzaal
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
in een woning, te weten de [adres 2] , alwaar verdachte en/of
haar mededader(s) zich tegen de wil van de rechthebbende bevond(en),
meerdere kledingstukken, een portemonnee met pasjes, meerdere sieraden,
meerdere telefoons, meerdere schoenen, contant geld, een tas, meerdere
hoeveelheden drugs, een luchtbuks en/of meerdere (vuur)wapens,
in elk geval enig goed,
dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander dan aan
verdachte en/of haar mededader(s) toebehoorde(n)
heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen,
terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of
bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om die
diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op
heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht
mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door:
- die [slachtoffer] vast te houden,
- die [slachtoffer] meermalen te slaan/stompen tegen zijn hoofd en/of in zijn
gezicht,
- die [slachtoffer] meermalen met een pijp te slaan tegen zijn hoofd, in
zijn gezicht en/of tegen zijn bovenlichaam, en/of
- een mes te tonen aan die [slachtoffer] en te zeggen dat die [slachtoffer]
neergestoken zou worden als hij hen zou volgen.
3 De bewijsmotivering
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft het standpunt ingenomen dat het tenlastegelegde feit kan worden bewezen.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat de verklaring van [naam 1] (hierna: [naam 1] ) onvoldoende betrouwbaar is en niet voor het bewijs kan worden gebruikt. De raadsman heeft vrijspraak bepleit ten aanzien van de tenlastegelegde geweldshandelingen of bedreiging met geweld nu [verdachte] zelf geen geweld heeft gebruikt en er gezien de omstandigheden bij [verdachte] geen sprake is van voorwaardelijk opzet op (bedreiging met) geweld. Het door de getinte jongen gebruikte geweld was in strijd met de vooraf gemaakte afspraak om geen geweld te gebruiken. [verdachte] heeft geen wapens gezien en de gebruikte bivakmutsen waren om herkenning te voorkomen.
Het oordeel van de rechtbank
Dat [slachtoffer] volgens een vooropgezet plan door vier medeverdachten in zijn eigen woning met geweld en bedreiging met geweld is beroofd van goederen, geld en drugs, staat niet ter discussie.
De vraag die in deze zaak moet worden beantwoord is of [verdachte] opzet had, al dan niet in voorwaardelijke zin, op het bij de diefstal gebruikte geweld en bedreiging met geweld.
De rechtbank stelt voorop dat voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg aanwezig is als de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dat gevolg zal intreden.
De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Daarbij komt betekenis toe aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten.
Uit het strafdossier en het verhandelde ter terechtzitting volgt het volgende.
De vier verdachten zijn gezamenlijk in een auto naar de woning van [slachtoffer] gereden. In de auto onderweg naar [slachtoffer] woning hebben de verdachten het plan om [slachtoffer] te beroven en de wijze waarop dit zou gebeuren besproken. Duidelijk was dus voor de verdachten dat het doel van hun actie was om [slachtoffer] te beroven. [verdachte] wist ook dat [slachtoffer] zowel geld, drugs als luxegoederen in zijn bezit had.
Het is een feit van algemene bekendheid dat niemand zijn geld, (luxe)goederen of drugs zomaar door anderen wederrechtelijk laat meenemen. De kans dat [slachtoffer] zich zijn eigendommen niet zomaar afhandig zou laten maken en het zou uitdraaien op een gewelddadige confrontatie, acht de rechtbank aanmerkelijk. De rechtbank is gelet op deze feiten en omstandigheden van oordeel dat verdachte met haar gedragingen ook bewust de aanmerkelijke kans op het plegen van geweld en bedreiging met geweld heeft aanvaard. Dit brengt de rechtbank tot het oordeel dat [verdachte] op zijn minst genomen voorwaardelijk opzet had op het geweld en de bedreiging met geweld. Dat zij zelf geen geweldshandelingen heeft verricht doet hieraan niet af.
De rechtbank gaat niet in op het gevoerde betrouwbaarheidsverweer ten aanzien van de verklaring van [naam 1] , nu zij deze verklaring niet bezigt voor het bewijs.
De rechtbank is op grond van het voorgaande van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de in de bijlage opgenomen bewijsmiddelen waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat:
zij op of omstreeks 30 januari 2024 te Oldenzaal tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, in een woning, te weten de [adres 2] , alwaar verdachte en/of haar mededader(s) zich tegen de wil van de rechthebbende bevond(en), meerdere kledingstukken, een portemonnee met pasjes, meerdere sieraden, meerdere telefoons, meerdere schoenen, contant geld, een tas, meerdere hoeveelheden drugs, een luchtbuks en/of meerdere (vuur)wapens, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of haar mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door:
- die [slachtoffer] vast te houden,
- die [slachtoffer] meermalen te slaan/stompen tegen zijn hoofd en/of in zijn gezicht,
- die [slachtoffer] meermalen met een pijp te slaan tegen zijn hoofd, in zijn gezicht en/of tegen zijn bovenlichaam, en/of
- een mes te tonen aan die [slachtoffer] en te zeggen dat die [slachtoffer] neergestoken zou worden als hij hen zou volgen.
De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij haar daarvan zal vrijspreken.
4 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in artikel 312 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:
het misdrijf:
diefstal, vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, gepleegd door twee of meer verenigde personen.
5 De strafbaarheid van verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor het bewezenverklaarde feit.
6 De op te leggen straf of maatregel
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft oplegging gevorderd van een werkstraf van 120 uren en daarnaast een jeugddetentie van 228 dagen waarvan 180 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden met aftrek van de tijd die [verdachte] in voorarrest heeft gezeten, te weten 48 dagen. De officier van justitie heeft verzocht het geschorste bevel voorlopige hechtenis op te heffen.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft toepassing van het adolescentenstrafrecht bepleit en heeft verzocht rekening te houden met de omstandigheden dat er geen relevante documentatie is, dat [verdachte] al zeven weken in voorarrest heeft gezeten waarna zij onder strenge voorwaarden is geschorst met onder meer elektronische monitoring en dat sprake is van overschrijding van de redelijke termijn en daarom de duur van de werkstraf te beperken tot 60 uren. De verdediging kan zich vinden in de geëiste deels voorwaardelijke jeugddetentie met de bijzondere voorwaarden zoals opgetekend in het reclasseringsadvies van 30 september 2026. De raadsman verzoekt het geschorste bevel voorlopige hechtenis op te heffen.
De gronden voor een straf of maatregel
Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij in het bijzonder het volgende van belang.
Het feit
[verdachte] heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan een diefstal met geweld en bedreiging met geweld. Nadat [verdachte] en [medeverdachte] onder het mom van de verkoop van vapes in de woning van [slachtoffer] zaten, wisten zij op een slinkse, vooraf besproken wijze ook de twee andere verdachten, onder wie [naam 1] , de woning van [slachtoffer] binnen te krijgen. [slachtoffer] werd door [naam 1] en de onbekende jongen, beiden voorzien van een vooraf meegebrachte bivakmuts, met een mes en stalen buis mishandeld en bedreigd. [naam 1] , [verdachte] en de andere jongen hebben verschillende (luxe)goederen, geld en drugs weggegrist. De vier verdachten zijn er vervolgens met de gestolen voorwerpen gezamenlijk vandoor gegaan. [verdachte] heeft met haar handelen een bijdrage geleverd aan deze gewelddadige overval waarbij de verdachten op grove wijze inbreuk hebben gemaakt op de lichamelijke integriteit van [slachtoffer] en waarbij [slachtoffer] lichamelijk letsel heeft opgelopen. [verdachte] heeft op geen enkel moment rekening gehouden met de impact van dit gebeuren op [slachtoffer] , zij had enkel oog voor haar eigen financieel gewin. Niet alleen is [slachtoffer] na de overval verhuisd, ook ervaart hij nog steeds gevoelens van angst en onveiligheid. Dit neemt de rechtbank [verdachte] kwalijk.
Documentatie
De rechtbank heeft gekeken naar een uittreksel uit de justitiële documentatie over [verdachte] van 10 september 2026. Hieruit blijkt dat zij eerder met justitie in aanraking is geweest, maar niet is veroordeeld voor een soortgelijk strafbaar feit. De rechtbank houdt, gelet op het bepaalde in artikel 63 Sr, rekening met deze eerdere veroordeling, namelijk het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Overijssel van 29 augustus 2024, waarbij [verdachte] is veroordeeld tot een geldboete van € 375,00 en een week hechtenis voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.
De rapportages
De Reclassering Nederland heeft op 15 april 2024 en 30 september 2026 een adviesrapport uitgebracht. Uit deze rapporten volgt samengevat het volgende.
Het bij [verdachte] vastgestelde laag, disharmonisch intelligentieprofiel en de persoonlijkheidsproblematiek maken haar beperkt belastbaar en kwetsbaar, bijvoorbeeld in situaties die zij niet kan overzien. Haar overmatig middelengebruik heeft bijgedragen aan een stagnerende persoonlijkheidsontwikkeling.
[verdachte] is tijdens het traject bij de jeugdreclassering sinds maart 2024 goed in de samenwerking geweest. [verdachte] is daarnaast door de forensische jeugd-ggz Accare onderzocht, begeleid en (deels) psychologisch behandeld. Inmiddels is [verdachte] enkele jaren vrijwel volledig abstinent van drugs, wat bijdraagt aan rust en stabiliteit. [verdachte] heeft inmiddels een positief sociaal netwerk. Ook is [verdachte] minder beïnvloedbaar geworden voor een eventueel negatief sociaal netwerk. De kans op recidive wordt ingeschat als laag.
[verdachte] woont thuis bij haar ouders en broertje, maar lijkt rijp voor de stap naar een meer zelfstandig leven via begeleid wonen. Dit voorgenomen begeleid-wonen traject met blijvende begeleiding en ondersteuning door de reclassering zal om redenen van gemeentelijke financiering en vanwege continuïteit in de toekomst na het strafrechtelijk traject via het CIMOT plaatsvinden. Een hernieuwde detentie zou een breuk in haar nog kwetsbare ontwikkeling kunnen betekenen. Niet kan worden uitgesloten dat er in dat geval vanuit emoties en beïnvloedbaarheid sprake zal zijn van een terugval in ontvankelijkheid, motivatie en mogelijk zelfs ook in middelengebruik.
Geadviseerd wordt een strafafdoening binnen het jeugdstrafrecht/ASR, met oplegging van een reclasseringstoezicht dat wordt uitgevoerd binnen het volwassenenstrafrecht, met als doelen het verder ontwikkelen van de weerbaarheid en volwassen vaardigheden. [verdachte] neemt nog actief deel aan een gezin en lijkt ontvankelijk voor sociale, emotionele of praktische ondersteuning of beïnvloeding door volwassenen.
Als strafafdoening wordt een (deels) voorwaardelijke straf geadviseerd met oplegging van een meldplicht, een gedragsinterventie op het gebied van cognitieve vaardigheden zoals CoVa-plus of CoVa Solo en een ambulante behandeling bij Accare of Trajectum of een soortgelijke instelling als bijzondere voorwaarden. De behandeling moet zijn gericht op psychische problematiek en/of agressiebeheersing en/of cognitieve vaardigheden en/of sociale vaardigheden en/of andere problematiek als aan de orde. Het uitvoeren van een werkstraf behoort tot de mogelijkheden en draagt bij aan de ontwikkeling van het leren invullen en behouden van zinvolle dagbesteding en -structuur.
Jeugdbescherming Overijssel heeft in een evaluatierapport van 2 juli 2026 de stand van zaken van het plan van aanpak uiteengezet. Hieruit volgt samengevat het volgende.
[verdachte] is de afspraken met de jeugdreclassering nagekomen en heeft zich ingezet voor onderzoek, begeleiding en behandeling bij Accare. De behandeling en begeleiding bij Accare is positief afgerond omdat er vanuit [verdachte] geen behandel- en/of begeleidingsvragen meer zijn. Nu zet [verdachte] zich in voor onderzoeken vanuit de gemeente om haar psychische en fysieke belastbaarheid te bepalen in relatie tot werkactivering. In overleg met [verdachte] , de gemeente en de jeugdreclassering is er een plan gemaakt om te onderzoeken welke vorm van werk bij [verdachte] past. Onderzoeken op dit punt zijn nog gaande. De uitkomsten moeten worden afgewacht om te bepalen welke stappen hierna passend zijn. De jeugdreclassering heeft gedurende de contactmomenten met [verdachte] aandacht voor drugs- en middelengebruik maar heeft geen controles uitgevoerd. Mochten er signalen komen van drugsgebruik dan zal de inzet van controle opnieuw worden overwogen.
De deskundigen ter zitting
Ter zitting heeft [naam 2] bevestigd dat [verdachte] een positieve ontwikkeling heeft doorgemaakt en dat zij besproken zaken weet toe te passen in de praktijk. [naam 2] heeft aangevoerd dat vanwege moeite die [verdachte] heeft om mensen te vertrouwen sinds enige tijd een reclasseringswerker van de volwassenenreclassering betrokken is om zo een gedegen overgang naar het volwassenenstrafrecht te bewerkstelligen. Een taakstraf wordt mogelijk geacht maar moet passend zijn bij haar belastbaarheid.
Toepassing van het jeugdstrafrecht
[verdachte] was 18 jaar oud op het moment van het gepleegde feit. Het uitgangspunt is dat de rechtbank een meerderjarige volgens het volwassenenstrafrecht berecht. De rechtbank kan - ten aanzien van een verdachte die ten tijde van het begaan van een strafbaar feit de leeftijd van 18 jaren maar nog niet die van 23 jaren heeft bereikt- het jeugdstrafrecht (het zogenaamde adolescentenstrafrecht (ASR)) toepassen, indien zij daartoe grond vindt in de persoonlijkheid van de dader of de omstandigheden waaronder het feit is begaan. De rechtbank ziet in de persoon van [verdachte] aanleiding om recht te doen volgens de bepalingen van het jeugdstrafrecht. Daarbij overweegt de rechtbank dat [verdachte] ten tijde van het delict net meerderjarig was en betrekt zij het beeld dat zij van [verdachte] heeft gekregen naar aanleiding van de reclasseringsrapportages en de inhoudelijke behandeling van de zaak. Ook heeft de rechtbank gekeken naar het advies van de Reclassering Nederland op dit punt. De reclassering adviseert een strafafdoening binnen het jeugdstrafrecht, gelet op de leeftijd van [verdachte] ten tijde van het delict in combinatie met haar psychosociaal functioneren. [verdachte] lijkt ook open te staan voor hulp, begeleiding en sturing door volwassenen. Gelet op de ontwikkelingsfase van [verdachte] acht de rechtbank het jeugdstrafrecht aldus de meest effectieve manier om haar gedrag in gunstige zin te beïnvloeden.
De redelijke termijn
De rechtbank stelt voorop dat in artikel 6, eerste lid, EVRM het recht van iedere verdachte is gewaarborgd om binnen een redelijke termijn te worden berecht. Die termijn vangt aan op het moment dat vanwege de Nederlandse Staat jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het openbaar ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld.
[verdachte] is op 5 maart 2024 aangehouden en in verzekering gesteld. De rechtbank merkt die datum daarom aan als begin van de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn.
Binnen het jeugdstrafrecht geldt als uitgangspunt dat het geding met een einduitspraak dient te zijn afgerond binnen 16 maanden nadat de redelijke termijn is gaan lopen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. Hierbij kan worden gedacht aan de ingewikkeldheid van een zaak, de invloed van de verdachte op het procesverloop en de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld.
Deze zaak heeft voor het eerst op zitting gestaan op 15 oktober 2026 en is toen ook inhoudelijk behandeld. Op 29 oktober 2026 wordt uitspraak gedaan. In dit geval heeft de behandeling van de zaak langer dan 16 maanden geduurd, namelijk twee jaren en ruim zeven maanden. De redelijke termijn is dan ook met ruim 14 maanden overschreden. De oorzaak voor de duur van dit strafproces lag buiten de invloedssfeer van [verdachte] . De rechtbank is van oordeel dat de termijnoverschrijding in dit geval een strafvermindering rechtvaardigt.
Overige strafmaatoverwegingen
De rechtbank is van oordeel dat de ernst van het feit in beginsel oplegging van een onvoorwaardelijke jeugddetentie van aanzienlijke duur rechtvaardigt. De binnen de rechtspraak ontwikkelde oriëntatiepunten voor straftoemeting in jeugdzaken geven als uitgangspunt van denken voor een diefstal met geweld in geval van een overval op een woning een onvoorwaardelijke jeugddetentie van zes maanden. In deze zaak weegt daarnaast in strafverzwarende zin mee dat sprake is geweest van het gebruik van een slagwapen en een mes en dat het feit in vereniging is gepleegd. Dit zou in beginsel betekenen dat [verdachte] , die in deze zaak al 48 dagen heeft vastgezeten, opnieuw de jeugdinrichting in zou moeten. Vanwege de forse overschrijding van de redelijke termijn ziet de rechtbank hiervan af.
De ernst van het gepleegde feit en de rol die [verdachte] hierbij heeft vervuld rechtvaardigen een werkstraf voor de duur van 120 uren. De rechtbank zal deze werkstraf dan ook opleggen.
De rechtbank heeft oog voor de positieve ontwikkeling die [verdachte] in de afgelopen periode met hulp en steun van de reclassering heeft doorgemaakt en het kunnen toewerken naar een meer zelfstandig leven. De rechtbank acht van belang dat de reclassering nog een langere tijd betrokken blijft zodat [verdachte] met de nodige hulp en begeleiding haar vaardigheden en weerbaarheid verder kan ontwikkelen. De rechtbank zal daarom, naast een onvoorwaardelijke jeugddetentie van 48 dagen, welke duur gelijk is aan de tijd die [verdachte] al in voorarrest heeft vastgezeten, als stok achter de deur, een voorwaardelijke jeugddetentie opleggen van 180 dagen. Hieraan koppelt de rechtbank de bijzondere voorwaarden zoals deze zijn uiteengezet in het reclasseringsadvies van 30 september 2026. De rechtbank zal in overeenstemming met het advies van de reclassering hierbij aan de volwassenenreclassering Reclassering Nederland opdragen om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden.
7 De schade van benadeelde
De vordering van de benadeelde partij
[slachtoffer] , bijgestaan door mr. J. Bouwhuis, heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van € 16.270,74 [zestienduizend tweehonderdzeventig euro en vierenzeventig eurocent], te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop de schade is ontstaan.
De gevorderde materiële schade bestaat uit de volgende posten:
- vernielde goederen € 1.220,30;
- borg huur woning € 470,00;
- eigen risico € 385,00;
- gestolen goederen € 7.195,44.
Ter vergoeding van immateriële schade wordt een bedrag van € 7.000,00 gevorderd.
Verzocht is om de medeverdachten hoofdelijk aansprakelijk te stellen.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft het standpunt ingenomen dat de vordering geheel voor toewijzing vatbaar is, hoofdelijk moet worden opgelegd, met toewijzing van de wettelijke rente.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft primair verzocht de vordering af te wijzen en subsidiair grotendeels niet ontvankelijk te verklaren. De raadsman heeft betoogd dat voor zover ten aanzien van het materiële deel gebruik wordt gemaakt van de schattingsbevoegdheid een zeer beperkt bedrag kan worden toegewezen en dat de immateriële schade fors moet worden gematigd nu enigszins sprake is van een beroepsrisico en wegens een matige onderbouwing.
Het oordeel van de rechtbank
Materiële schade
Door de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terechtzitting is komen vast te staan dat verdachte door het bewezenverklaarde feit rechtstreeks schade heeft toegebracht aan de benadeelde partij. De rechtbank zal de opgevoerde materiële schadeposten hieronder afzonderlijk bespreken.
- vernielde goederen en gestolen goederen
De onder de posten vernielde en gestolen goederen opgenomen schadeposten zijn onvoldoende onderbouwd. De enkele stelling dat de aanschafprijs een billijke vergoeding betreft zonder enig inzicht te verschaffen in de afschrijvingskosten is daartoe niet alleen onvoldoende maar maakt ook dat niet zonder meer een goede schatting kan worden gedaan. Voor een nadere onderbouwing op dit punt is in de strafprocedure geen plaats omdat dit leidt tot een te grote belasting van deze strafprocedure. De rechtbank bepaalt daarom dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in dit deel van de vordering.
- borg huur woning
Het gedeelte van de vordering dat ziet op borg voor de woning, te weten een bedrag van
€ 470,00, is voldoende onderbouwd en door of namens de verdachte niet voldoende gemotiveerd betwist. Op grond van het dossier en het onderzoek op de zitting kan worden vastgesteld dat deze schade in rechtstreeks verband staat met het bewezen verklaarde feit. De rechtbank wijst dit deel van de vordering daarom toe.
- eigen risico
Het gedeelte van de vordering dat ziet op eigen risico, te weten een bedrag van € 385,00, is voldoende onderbouwd. Anders dan de verdediging heeft gesteld, blijkt uit de bij de vordering gevoegde specificatie dat het eigen risico volledig is opgegaan aan het ambulancevervoer op 30 januari 2024. Op grond van het dossier en het onderzoek op de zitting kan worden vastgesteld dat deze schade in rechtstreeks verband staat met het bewezen verklaarde feit. De rechtbank wijst dit deel van de vordering daarom toe.
Immateriële schade
- Het kader voor toewijzing immateriële schade
De rechtbank stelt voorop dat artikel 6:106 aanhef en sub b van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) drie categorieën geeft waarin een benadeelde recht heeft op een naar billijkheid vast te stellen smartengeldvergoeding, namelijk indien verdachte het oogmerk had tot toebrengen van de schade (a), indien sprake is van aantasting in de persoon (b) of indien sprake is van aantasting van de nagedachtenis van een overledene (c). Onder sub b vallen drie verschijningsvormen; lichamelijk letsel (1), aantasting van eer en goede naam (2) en aantasting in de persoon op andere wijze (3).
- De overwegingen van de rechtbank
Namens de benadeelde is aangevoerd dat [slachtoffer] nadelige fysieke gevolgen heeft ondervonden, te weten lichamelijk letsel en daarnaast nadelige psychische gevolgen. In deze zaak is aldus sprake van aantasting in de persoon in de verschijningsvorm lichamelijk letsel en van aantasting in de persoon op andere wijze. In dit geval staat vast dat de benadeelde [slachtoffer] lichamelijk letsel heeft opgelopen als gevolg van het door de verdachte gepleegde strafbare feit. Dit deel van de vordering is aldus voor toewijzing vatbaar. Gelet op de bedragen die in soortgelijke zaken worden toegekend als schadevergoeding en daarbij de Rotterdamse schaal in aanmerking nemend, is de rechtbank van oordeel dat de gevraagde vergoeding van € 7.000,00 billijk is. De rechtbank wijst dit deel van de vordering van de benadeelde partij daarom geheel toe.
- wettelijke rente
De rechtbank wijst de gevorderde wettelijke rente toe vanaf 30 januari 2024 tot de dag dat de verdachte de schadevergoeding volledig heeft betaald.
- proceskosten
Omdat de verdachte aansprakelijk is voor de schade die door het door hem gepleegde feit is ontstaan en omdat een substantieel deel van de gevorderde schade wordt toegewezen, moet de verdachte de kosten vergoeden die de benadeelde partij heeft gemaakt te weten een bedrag van € 1.306,00.
- hoofdelijke aansprakelijkheid
Omdat verdachte het strafbare feit waarvoor schadevergoeding wordt toegekend samen met mededaders heeft gepleegd, zijn zij daarvoor samen aansprakelijk (juridische term: hoofdelijk aansprakelijk). Hetzelfde geldt voor de toe te wijzen proceskosten. Voor zover een van de mededaders een bedrag aan de benadeelde partij heeft betaald, hoeft de verdachte dat deel van de schadevergoeding en de proceskosten niet meer aan de benadeelde partij te betalen.
De schadevergoedingsmaatregel
De benadeelde partij heeft verzocht en de officier van justitie heeft gevorderd de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
De rechtbank zal ten aanzien van voornoemde vordering de maatregel als bedoeld in artikel 36f Sr opleggen, aangezien [verdachte] jegens de benadeelde partij naar burgerlijk recht (mede) aansprakelijk is voor de schade die door het feit aan de benadeelde is toegebracht.
De rechtbank bepaalt op grond van artikel 36f lid 5 Sr dat de duur van de gijzeling die met toepassing van artikel 6:4:20 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) kan worden toegepast, op 0 (nul) dagen wordt gesteld.
8 De toegepaste wettelijke voorschriften
De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 77c, 77g, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z en 77aa Sr.
9 De beslissing
De rechtbank:
bewezenverklaring
- verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;
- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt haar daarvan vrij;
strafbaarheid feit
- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar;
- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:
het misdrijf: diefstal, vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, gepleegd door twee of meer verenigde personen;
strafbaarheid verdachte
- verklaart verdachte strafbaar voor het bewezen verklaarde;
straf
- veroordeelt verdachte tot een jeugddetentie voor de duur van 228 (tweehonderdachtentwintig) dagen;
- bepaalt dat van deze jeugddetentie een gedeelte van 180 (honderdtachtig) dagen niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten. De rechter kan de tenuitvoerlegging gelasten indien de verdachte voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren de navolgende algemene voorwaarde niet is nagekomen:
- stelt als algemene voorwaarde dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
De rechter kan de tenuitvoerlegging ook gelasten indien de verdachte gedurende de
proeftijd van 2 (twee) jaren de navolgende bijzondere voorwaarden niet is nagekomen:
- stelt als bijzondere voorwaarden dat verdachte:
- zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en
zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. Voor de overgang van de jeugdreclassering naar de volwassenenreclassering worden nadere afspraken gemaakt. De meldplichtgesprekken hebben de functie van ondersteuning bij, monitoring van en advisering bij de verdere ontwikkeling van betrokkene;
- zich, indien de reclassering dat passend acht, laat behandelen door Accare of
Trajectum of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op psychische problematiek en/of agressiebeheersing en/of cognitieve vaardigheden en/of sociale vaardigheden en/of andere problematiek indien aan de orde;
- indien de reclassering dat passend acht, binnen de proeftijd deelneemt aan de gedragsinterventie CoVa-plus of CoVa Solo van de reclassering of aan een andere gedragstraining die gericht is op cognitieve vaardigheden, te bepalen door de reclassering en zolang de reclassering de training nodig vindt. Verdachte houdt zich aan de afspraken en aanwijzingen van de trainer;
- draagt de Reclassering Nederland op om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;
daarbij gelden als voorwaarden van rechtswege dat de verdachte:
- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
- medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 77a, derde lid, Sr, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht daaronder begrepen;
- bepaalt dat de tijd die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de jeugddetentie geheel in mindering zal worden gebracht;
- veroordeelt de verdachte tot een taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid voor de duur van 120 (honderdtwintig) uren;
- beveelt, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 60 (zestig) dagen;
schadevergoeding
- wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] toe tot een bedrag van
€ 7.855,00 (zegge: zevenduizend achthonderdvijfenvijftig euro) bestaande uit materiële schade en immateriële schade;
- veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer] van een bedrag van € 7.855,00 (zegge: zevenduizend achthonderdvijfenvijftig euro) te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 30 januari 2024, met dien verstande dat als en voor zover al door een ander/anderen (gedeeltelijk) is betaald, verdachte (in zoverre) van deze verplichting zal zijn bevrijd;
- veroordeelt de verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op € 1.306,00, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering, met dien verstande dat als en voor zover al door een ander/anderen (gedeeltelijk) is betaald, verdachte (in zoverre) van deze verplichting zal zijn bevrijd;
- legt de maatregel op dat de verdachte verplicht is ter zake van het bewezen verklaarde feit tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 7.855,00 (zegge: zevenduizend achthonderdvijfenvijftig euro) te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 30 januari 2024 ten behoeve van de benadeelde, en bepaalt, voor het geval volledig verhaal van het verschuldigde bedrag niet mogelijk blijkt, dat gijzeling voor de duur van 0 (nul) dagen kan worden toegepast (een en ander voor zover dit bedrag niet door een mededader zal zijn voldaan). Tenuitvoerlegging van de gijzeling laat de betalingsverplichting onverlet;
- bepaalt dat als de verdachte heeft voldaan aan haar verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van de verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als de verdachte aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;
- bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer] voor een deel van € 8.415,74 niet-ontvankelijk is in de vordering, en dat de benadeelde partij de vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;
opheffing bevel voorlopige hechtenis
- heft het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis op.
Dit vonnis is gewezen door mr. B.T.C. Jordaans, voorzitter, mr. P.M.F. Schreurs en
mr. A.B. de Wit, rechters, in tegenwoordigheid van D.A.C. Brockotter, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 29 oktober 2026.
Buiten staat
Mr. Jordaans is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage bewijsmiddelen
Leeswijzer
Deze bijlage maakt deel uit van het vonnis en bevat de bewijsmiddelen.
Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van politie-eenheid Oost-Nederland Onderzoek Aisne24 ON2R024006 met nummer 2024047070, gesloten op 26 juni 2024. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar pagina’s van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.
1.
Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] van 30 januari 2024, voor zover inhoudend, zakelijk weergegeven op pagina 27 ev.
Op 30 januari 2024 was ik in mijn woning aan de [adres 2] . Ik woon daar in een studio. De studio bevindt zich op de eerste verdieping. De buitendeur van het pand is een deur die vanzelf in het slot valt. In mijn woning heb ik veel waardevolle kleding en sieraden. Op die avond kwam ene [verdachte] bij mij in de woning. Zij kwam bij mij om een vape te verkopen. Ze had een voor mij onbekende vriendin met zich mee.
Op die avond vroeg de onbekende vrouw of ze naar de WC mocht. Ik legde aan haar uit waar de WC was, dit is een gedeelde WC met ander studio's. Enkele ogenblikken later kwamen er twee mannen mijn studio instormen. Ik kan hen als volgt omschrijven:
Dader 1:
- geslacht: Man;
- huidskleur: Donker;
Hij droeg een bivakmuts waardoor in zijn gezicht alleen zijn ogen en mond zichtbaar waren. Dader 2:
- geslacht: Man;
Ook hij droeg een bivakmuts. Hij was vanaf zijn ogen tot zijn mond zichtbaar. De twee manspersonen stormden op mij af. De donkere jongen gaf mij klappen. Hij had ook een mes vast. Ik werd vastgehouden door middel van een houtgreep. De dader zonder de donkere huidskleur had een stalen pijp mee van ongeveer anderhalf centimeter dik. Daar werd ik ook door geslagen. Ik ben in totaal wel 50 keer met kracht geslagen op mijn hoofd en in mijn gezicht. [verdachte] , waar ik de vape van had gekocht, moest van de twee mannen spullen pakken uit mijn woning. Ze pakte wat ze volgens de mannen moest pakken, maar ze pakte ook andere spullen. Ik hoorde ze zeggen dat ze specifiek mijn Prada-tas wilde hebben. Ik zag dat ze alle vier in een Volkswagen Polo wegreden. Ze dreigden mij neer te steken als ik ze zou volgen. Ik heb gezien dat ze de volgende goederen mee hebben genomen: Twee jassen van Moncler, een Prada tas, een Louis Vuitton portemonnee met pinpas, ID-kaart en paspoort, 1200 euro aan 50 euro biljetten, een garantiebewijs van een Moncler jas, 2 gouden kettingen, een set van 2 gouden oorbellen, en drie paar schoenen van verschillende merken.
2.
Het proces-verbaal van verhoor aangever [slachtoffer] van 3 juni 2024, voor zover inhoudend, zakelijk weergegeven op pagina 41 ev.
(opmerking griffier: V: = vraag verbalisant, A: = antwoord aangever)
V: Wat is er nu daadwerkelijk weggenomen uit jouw woning?
A: Kleding, hasj en pillen en die harddrugs.
O: Wij willen jou ook een aantal foto's laten zien die jij wellicht al gezien hebt van de overval van jouw woning.
V: Wat zie je hier op bijlage 10, herken je spullen?
A: ja Het is een luchtbuks. Die is van [naam 3]. Ik heb de luchtbuks mee naar binnen genomen, Ik deed hem eerst in de hoes en nam hem toen mee naar binnen.
V; Lagen er naast de luchtbuks nog andere wapens in jouw woning?
A: Ja, één alarmpistool.
3.
Het proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte] van 5 maart 2024, voor zover inhoudend zakelijk weergegeven op pagina 196 ev.
Ik heb gewacht en toen ze naar beneden kwamen heb ik de deur opengehouden. Ik zag dat persoon 1, persoon 2 en [verdachte] tassen bij zich hadden. Wij zijn met zijn allen terug gerend naar de auto. Alle tassen werden in de kofferbak gezet. We zijn naar het [locatie] gereden en hebben gekeken wat er in de tassen zat. Dat waren schoenen, kleren, pistolen, drugs, sieraden, geld, tasjes. Verder was er een heel groot geweer en drie kleinere pistolen met een koffertje. Ik weet nog wel dat er ook heel veel telefoons in de tassen zaten
4.
Het proces-verbaal van de terechtzitting van 15 oktober 2026, voor zover inhoudend, zakelijk weergegeven als verklaring van verdachte.
Ik was op 30 januari 2024 in Oldenzaal samen met [medeverdachte] , [naam 1] en een getinte donkere jongen. Wij reden in een auto naar de woning van [slachtoffer] aan de [adres 2] . In de auto vertelde [naam 1] over het plan om [slachtoffer] te beroven. [naam 1] zei dat alle gestolen spullen zouden worden verdeeld. Ik ging samen met [medeverdachte] eerst naar binnen in de woning. Ik zou eerst een sigaret opsteken en daarna zou [medeverdachte] naar de WC gaan en de deur openen voor [naam 1] en de andere jongen. Ik heb een tas met gestolen spullen meegenomen naar buiten. Ik heb een paar tientjes aan geld gekregen.