Strafrecht overig

Verzoek vermindering ontneming. Verzoek tot vermindering wordt toegewezen.

Zaakgegevens

Op 12 augustus 2026 heeft de Rechtbank Overijssel uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Rechtbank Overijssel
Zittingsplaats
Almelo
Datum uitspraak
12 augustus 2026
Datum publicatie
20 augustus 2026
Zaaknummer
25-030118, 21/003758-13 (rechtsmiddel van 08/00731
Procedure
Raadkamer
ECLI
ECLI:NL:RBOVE:2026:5106
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Verzoek vermindering ontneming. Verzoek tot vermindering wordt toegewezen.

Uitspraak

Inhoudsopgave

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht

Zittingsplaats Almelo

raadkamernummer : 25-030118

parketnummer : 21/003758-13 (rechtsmiddel van 08/007317-05)

datum : 12 augustus 2026

beslissing van de enkelvoudige strafkamer op het verzoek op grond van artikel 6:6:26 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:

[veroordeelde],

geboren op [geboortedatum] 1968 op Curaçao,

wonende op het adres [woonplaats],

bijgestaan door mr. D.N. Ebinum, advocaat in Amsterdam.

hierna te noemen: de veroordeelde.

1 Het verloop van de procedure

Aan veroordeelde is op 23 februari 2015 bij arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 1.035.888,= ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.

Op 21 november 2025 is een verzoekschrift ontvangen op de griffie van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo. Het verzoekschrift is namens de veroordeelde ingediend door mr. M. Rafik en mr. D.N. Ebinum, beiden advocaat in Amsterdam, en richt zich op het kwijtschelden dan wel verminderen van de aan de veroordeelde bij maatregel opgelegde verplichting tot betaling aan de Staat.

Het verzoekschrift is voor het eerst behandeld op de openbare zitting van 14 januari 2026. Bij die behandeling zijn de officier van justitie mr. K.J.L. de Valk, de veroordeelde (met een tolk Papiamento) en zijn raadsvrouw mr. D.N. Ebinum gehoord. De politierechter heeft de behandeling van het verzoekschrift op die datum aangehouden teneinde het CJIB een vermogenscheck te laten doen en om de veroordeelde in de gelegenheid te stellen om meer inzicht te geven in zijn vermogenspositie van de afgelopen jaren en zijn huidige vermogenspositie. De politierechter heeft de veroordeelde meegegeven dat hij op de volgende zitting moet kunnen aantonen dat hij de betalingsregeling van honderd euro per maand is nagekomen.

De behandeling van het verzoekschrift is vervolgens hervat op de openbare zitting van 12 augustus 2026. Bij die behandeling zijn de officier van justitie mr. D. van Ieperen, de veroordeelde (met een tolk Papiamento) en zijn raadsvrouw mr. D.N. Ebinum gehoord.

De politierechter heeft kennisgenomen van de door de officier van justitie overgelegde stukken inzake het verzoekschrift en de door de raadsvrouw (per e-mail) overgelegde stukken. Daarnaast heeft de politierechter kennisgenomen van de reactie van het CJIB op het verzoek tot kwijtschelding dan wel vermindering van de ontnemingsmaatregel van 18 december 2025 en de aanvullende reactie van het CJIB van 5 augustus 2026.

2 De standpunten van de veroordeelde en de officier van justitie

Het standpunt van de veroordeelde en zijn raadsvrouw

De raadsvrouw heeft zich namens veroordeelde primair op het standpunt gesteld dat het te ontnemen bedrag moet worden kwijtgescholden. Subsidiair heeft de raadsvrouw zich namens veroordeelde op het standpunt gesteld dat het te ontnemen bedrag moet worden verminderd tot een bedrag dat past bij de beperkte draagkracht van veroordeelde en waarvoor een redelijke betalingsregeling met het CJIB kan worden getroffen.

De raadsvrouw heeft daartoe – kort samengevat – aangevoerd dat veroordeelde niet over draagkracht beschikt om het restant van zijn betalingsverplichting (geheel) te voldoen. In de periode van 2009/2010 tot en met eind december 2024 leefde veroordeelde onder zeer benarde omstandigheden op Curaçao, hetgeen wordt bevestigd door de overgelegde schriftelijke verklaring van de moeder van veroordeelde. Hij was dakloos, verslaafd en had geen inkomen of de beschikking over enig vermogen of andere eigendommen van enige financiële waarde. Bij aankomst in Nederland op 25 december 2024 is lijfsdwang toegepast uit hoofde van het openstaande ontnemingsbedrag, waarna hij meer dan twaalf maanden in detentie heeft doorgebracht. Inmiddels ontvangt de veroordeelde een gemeentelijke uitkering waarvan hij – na betaling van alle vaste lasten – ongeveer een bedrag van € 300,00 per maand overhoudt om van rond te komen. De afgelopen maanden sinds januari 2026 heeft de veroordeelde elke maand € 100,00 aan het CJIB betaald, conform de afspraak met het CJIB. Ter onderbouwing van het vorenstaande heeft de raadsvrouw diverse stukken overgelegd, waaronder bankafschriften en uitkeringsspecificaties. Al met al kan de veroordeelde elke maand maar moeilijk rondkomen. Gelet op zijn persoonlijke omstandigheden zal zijn vermogenspositie naar verwachting niet meer in positieve zin wijzigen. Veroordeelde is op leeftijd en heeft, blijkens de overgelegde verklaring van de fysiotherapeut, een ‘frozen shoulder’. Ook beschikt hij niet over enig diploma. De kans dat veroordeelde een voor hem passende baan zal vinden, is dan ook beperkt. De raadsvrouw wijst voorts nog op de omstandigheid dat de feiten waarop de ontneming is gebaseerd, zeer gedateerd zijn en dat een groot deel van het te ontnemen bedrag (€ 420.555,00) reeds is betaald door middel van uitwinning van het conservatoir beslag. De raadsvrouw acht voldoende aannemelijk gemaakt dat veroordeelde het restant van het te ontnemen bedrag niet kán betalen. Veroordeelde gaat al jaren gebukt onder de betalingsverplichting en wil de zaak afronden. De raadsvrouw wijst in dat verband op een uitspraak van de politierechter bij de rechtbank Den Haag van 7 februari 2023, ECLI:RBDHA:2023:1293 waarin werd geoordeeld dat het belang van resocialisatie prevaleerde boven het belang van rechtsherstel.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat veroordeelde nog steeds geen volledig inzicht heeft gegeven in zijn vermogenspositie, zodat onvoldoende aannemelijk is gemaakt dat veroordeelde geen draagkracht heeft om aan zijn betalingsverplichting te voldoen. Zowel het verzoek tot kwijtschelding als het verzoek tot vermindering van het ontnemingsbedrag moet daarom worden afgewezen.

3 De bevoegdheid van de rechtbank

De rechtbank Overijssel is bevoegd van het verzoekschrift kennis te nemen.

4 De ontvankelijkheid

De politierechter stelt vast dat het verzoekschrift ontvankelijk is.

5 De beoordeling

Op grond van de stukken en de behandeling op de zitting stelt de politierechter het volgende

vast

Maatstaf

Op grond van artikel 6:6:26, eerste lid, Sv kan de rechter op schriftelijk en gemotiveerd verzoek van de veroordeelde het in de opgelegde verplichting tot betaling van een geldbedrag aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel vastgestelde bedrag verminderen of kwijtschelden. Daarbij kan hij ingevolge artikel 6:6:26, vijfde lid, Sv ambtshalve bevelen dat de maatregel, hangende zijn beslissing, niet ten uitvoer zal worden gelegd.

Uit de wetsgeschiedenis en de jurisprudentie volgt dat het uitgangspunt bij de oplegging van de ontnemingsmaatregel is dat de rechter bij de vaststelling van het te betalen bedrag niet slechts rekening houdt met de draagkracht, maar ook met de redelijkerwijs te verwachten toekomstige draagkracht van de veroordeelde indien deze een beroep doet op afwezigheid daarvan dan wel te kennen geeft daarmee problemen te hebben. Indien eenmaal bij rechterlijk vonnis het te ontnemen voordeel is vastgesteld, zal in een later stadium niet zonder meer betalingsonmacht kunnen worden aangenomen. Verschillende feiten en omstandigheden die door veroordeelde in een schriftelijk en gemotiveerd verzoek uiteen zijn gezet, kunnen er echter toe leiden dat de rechter het voornoemde vastgestelde bedrag vermindert dan wel kwijtscheldt. Daarbij dient veroordeelde aannemelijk te maken niet meer over voldoende draagkracht te beschikken.

Feiten en omstandigheden

Aan veroordeelde is bij arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 23 februari 2015 de verplichting opgelegd tot betaling van € 1.035.888,00 aan de Staat ter ontneming van het door hem wederrechtelijk verkregen voordeel. Het arrest is onherroepelijk geworden.

De waarde van het conservatoir beslag (inclusief wettelijke rente) is in mindering gebracht op het ontnemingsbedrag, zodat het te ontnemen bedrag daarna uitkwam op een bedrag van

€ 449.294,64.

In de periode van 25 december 2024 tot en met 8 januari 2026 is veroordeelde gedetineerd geweest uit hoofde van de betalingsverplichting in het kader van de ontneming. Op 7 januari 2026 is er een betalingsregeling tot stand gekomen tussen de veroordeelde en het CJIB waarin werd afgesproken dat veroordeelde gedurende zes maanden een bedrag van € 100,00 aan het CJIB zou betalen. Op 8 januari 2026 is de eerste betaling van veroordeelde bij het CJIB binnengekomen en is de tenuitvoerlegging van de lijfsdwang opgeschort.

Blijkens de overgelegde bankafschriften en de door veroordeelde en de raadsvrouw gegeven toelichting ter zitting, heeft veroordeelde in de periode van januari 2026 tot en met juni 2026 maandelijks een bedrag van € 100,00 aan het CJIB betaald en dus voldaan aan de voornoemde betalingsregeling. Het restant van het te ontnemen bedrag komt daarmee op een bedrag van € 448.694,64.

Het CJIB heeft als (eerste) schriftelijke reactie op het verzoekschrift van de veroordeelde te kennen gegeven dat de veroordeelde niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij nu en in de toekomst geen draagkracht zal hebben om het restant van het te ontnemen bedrag te voldoen, nu de veroordeelde geen verifieerbare gegevens heeft overgelegd waaruit anderszins blijkt. Het (voorlopige) advies van het CJIB luidt in deze reactie dan ook om het verzoek tot kwijtschelding en het verzoek tot vermindering af te wijzen, waarbij het CJIB veroordeelde alsnog de mogelijkheid geeft om de komende zes maanden verifieerbare gegevens te overleggen op basis waarvan het CJIB nader vermogensonderzoek kan doen.

Naar aanleiding van de opdracht van de politierechter van 14 januari 2026, laat het CJIB in een tweede schriftelijke reactie weten dat zij op basis van de namens veroordeelde overgelegde stukken alsnog geen volledig beeld heeft kunnen krijgen van de vermogens- en inkomenspositie van veroordeelde. Dit geldt zowel voor zijn vermogenspositie in de periode dat hij (op Curaçao) zonder vaste woon- of verblijfplaats verbleef, als zijn huidige vermogenspositie. Het CJIB beschrijft dat zij op de overgelegde bankafschriften ziet dat de veroordeelde enkele honderden euro’s aan contanten opneemt, er vrijwel geen vaste lasten (zoals boodschappen en huur) vanaf de bankrekening worden betaald en er meerdere overboekingen naar vermoedelijk het Casino in Enschede plaatsvinden. De politierechter begrijpt het advies van het CJIB zo, dat deze luidt dat het verzoekschrift in het geheel moet worden afgewezen.

Veroordeelde heeft de politierechter verzocht de aan hem bij maatregel opgelegde verplichting tot betaling aan de Staat van het openstaande bedrag kwijt te schelden dan wel te verminderen tot een bedrag dat past bij zijn beperkte draagkracht en waarvoor een redelijke betalingsregeling met het CJIB kan worden getroffen.

Overwegingen

De politierechter is van oordeel dat er gekeken moet worden of en in hoeverre de veroordeelde draagkracht heeft om aan de hem opgelegde betalingsverplichting te voldoen en of hij er alles aan heeft gedaan om aan die betaling te voldoen (Hoge Raad 30 mei 2027, ECLI:NL:HR:2017:970).

Op basis van de stukken en het verhandelde ter zitting, waaronder het gegeven dat de veroordeelde de afgelopen zes maanden in staat is geweest maandelijks een bedrag van

€ 100,00 aan het CJIB te betalen, is de politierechter van oordeel dat de veroordeelde nog wel toekomstige draagkracht heeft om in ieder geval een deel van de betalingsverplichting nog na te komen. De politierechter zal het verzoek om kwijtschelding om die reden afwijzen.

De politierechter ziet evenwel redenen om het verzoek tot vermindering van het te ontnemen bedrag toe te wijzen. De politierechter stelt op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting vast dat de huidige financiële draagkracht van de veroordeelde zeer beperkt is en dat – gezien zijn leeftijd, fysieke gezondheidsklachten en gebrek aan (school)diploma’s – niet te verwachten is dat dit in de toekomst in positieve zin zal veranderen. De politierechter houdt voorts rekening met de omstandigheid dat de veroordeelde ruim één jaar gedetineerd is geweest uit hoofde van de toepassing van lijfsdwang in verband met de opgelegde ontnemingsmaatregel en dat een aanzienlijk deel van het ontnemingsbedrag is betaald door middel van de uitwinning van conservatoir beslag. De veroordeelde heeft de afgelopen periode maandelijks een bedrag van € 100,00 aan het CJIB betaald en hiermee bereidheid getoond om voor zover mogelijk aan zijn betalingsverplichting te voldoen. Gelet op onder meer de schriftelijke verklaring van de moeder van veroordeelde, acht de politierechter aannemelijk geworden dat de veroordeelde ook op Curaçao niet over financiële middelen beschikt om het te ontnemen bedrag in zijn geheel te kunnen voldoen. De politierechter hecht in dat verband ook waarde aan het feit dat de raadsvrouw van veroordeelde vruchteloos heeft geprobeerd informatie van de banken op Curaçao te verkrijgen. Voorts betreft het een gedateerde zaak en moet in dit geval toepassing worden gegeven aan het rechtsbeginsel ‘lites finiri oportet’. Daarnaast is de politierechter van oordeel dat het belang van resocialisatie van de verzoeker moet prevaleren boven het belang van rechtsherstel en dat verlaging van de betalingsverplichting is aangewezen. De politierechter acht het in het belang van de verzoeker én van de samenleving dat aan de verzoeker uitzicht op een ‘schone lei’ wordt geboden (politierechter bij de rechtbank Den Haag van 7 februari 2023, ECLI:RBDHA:2023:1293).

De politierechter zal het bedrag ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel op basis van het voorgaande verminderen tot een bedrag van € 12.000,00.

6 De beslissing

De politierechter:

  • wijst af het verzoek tot kwijtschelding;

  • wijst toe het verzoek tot vermindering en vermindert het bedrag ter ontneming van wederrechtelijk voordeel tot een bedrag van € 12.000,00 (zegge: twaalfduizend euro).

Deze beslissing is gegeven door mr. B.W.M. Hendriks, politierechter, in tegenwoordigheid van mr. L. Kannegieter, griffier, ondertekend door de politierechter en in het openbaar uitgesproken op 12 augustus 2026.

De griffier is buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.