Bestuursrecht overig

Rechtbank Roermond · Eerste aanleg - meervoudig · Bestuursrecht overig

Rechtbank Roermond, 12 april 2000

Zaakgegevens

Op 12 april 2000 heeft de Rechtbank Roermond in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over bestuursrecht.

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
12 april 2000
Datum publicatie
4 april 2013
Zaaknummer
99 / 1031 BESLU K1
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
ECLI
ECLI:NL:RBROE:2000:AA6018
E-mail

Samenvatting

Voor deze uitspraak is nog geen samenvatting beschikbaar.

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE ROERMOND

meervoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

UITSPRAAK

Procedurenr.: 99 / 1031 BESLU K1

Inzake : eiser,

tegen : het college van Burgemeester en Wethouders van

de gemeente Venlo, verweerder.

Datum en aanduiding van het bestreden besluit:

de brief d.d. 6 oktober 1999,

kenmerk: secaj nr.99-06176.

Datum van terechtzitting: 15 maart 2000 MK

------------------

1. Ontstaan en loop van het geding.

Bij besluit van 6 oktober 1999 heeft verweerder, verder ook

B&W te noemen, het bezwaar van eiser tegen verweerders besluit

van 25 maart 1999 inzake weigering ontheffing van de

geslotenverklaring van de St. Martinusstraat/Grote Kerkstraat

ongegrond verklaard.

Tegen dat besluit heeft eiser beroep laten instellen.

De stukken als bedoeld in artikel 8:42 van de Algemene wet

bestuursrecht (Awb) alsmede het verweerschrift heeft

verweerder aan de rechtbank doen toekomen.

Van elk door een partij ingediend stuk is door de zorg van de

griffier afschrift gezonden aan de wederpartij.

Het beroep is behandeld op de openbare terechtzitting van 15

maart 2000. Aldaar zijn verschenen eiser met zijn gemachtigde

mr. J.A. Hagen en mevr. mr. M.P.W. Killaars als gemachtigde

van B&W.

2. Overwegingen.

2.1. In zijn brief van 7 september 1998, aangevuld bij brief

van 10 september 1998, verzoekt eiser om ontheffing van de

geslotenverklaring voor gemotoriseerd verkeer van de St.

Martinusstraat ten behoeve van het laden en lossen van

goederen of personen. Reden is de onveiligheid in de avond en

nacht van de binnenstad en het door de geslotenverklaring te

verwachten sociale isolement, hetgeen leidt tot een ernstige

vermindering van het woongenot.

2.2. Bij besluit van 25 maart 1999 weigeren B&W de gevraagde

ontheffing op de volgende gronden:

1. De St. Martinusstraat is gesloten voor alle gemotoriseerd

verkeer van 12.00 tot 18.00 uur en van 20.00 tot 06.00 uur.

2. In het algemeen worden geen ontheffingen verleend om op die

manier de verkeersoverlast tot een minimum te beperken en de

veiligheid voor de voetgangers te verbeteren.

3. Het verlenen van de gevraagde ontheffing schept een

onaanvaardbaar precedent ten opzichte van andere bewoners.

4. Eiser voldoet niet aan de criteria voor ontheffing zoals

vermeld in de Regeling ontheffingen geslotenverklaring

gedeelte binnenstad d.d. 23-10-1995.

2.3. Tegen die weigering laat eiser een op 19 april 1999

gedateerd bezwaarschrift indienen.

Onder herhaling van de in het verzoekschrift aangevoerde reden

voert eiser verder aan, dat hij in 1989 staande voor de keuze

tussen een parkeerplaats voor zijn huis of een plaats tegen

gereduceerd tarief in de Arsenaalparkeergarage, voor het

laatste heeft gekozen niet vermoedende, dat een keuze voor het

eerste alternatief hem thans zonder meer een ontheffing zou

hebben opgeleverd. Van gemeentewege is hem toen niet op dit

nadeel gewezen. Daarnaast voorziet de Regeling ontheffingen in

ontheffing voor bijzondere gevallen. Niet valt in te zien

waarom in casu geen sprake zou zijn van een bijzonder geval.

2.4. Nadat Eiser op 28 juli 1999 was gehoord door de commissie

als bedoeld in artikel 7:5 Awb, heeft verweerder op 6 oktober

1999 het -thans bestreden- besluit op bezwaar genomen.

Na de besluitvorming over de geslotenverklaring en deze

procedure tot dan toe te hebben weergegeven overwegen B&W als

volgt.

Deze geslotenverklaring is samen met een groot aantal

verkeersmaatregelen (met name ook geslotenverklaringen)

getroffen in het kader van de in artikel 2 lid 1 onder a. en

b. en artikel 2 lid 2, onder a. en b. van de Wegenverkeerswet

1994 vermelde doelen: het bevorderen van de veiligheid op de

weg; het beschermen van zwakkere verkeersdeelnemers,

voetgangers en (brom)fietsers in het bijzonder; voorkomen c.q.

beperken van door het verkeer veroorzaakte overlast en hinder

en voorkomen c.q. beperken van door het verkeer veroorzaakte

aantasting van het karakter c.q. functie van objecten en

gebieden. Dit als gevolg van het stimuleren van het gebruik

van de fiets naar winkelgebieden, het beperken van het

autogebruik in de binnenstad, het tegengaan van ongewenst

doorgaand verkeer in buurt/wijk in de directe omgeving van de

binnenstad, autoluwe straten nabij hoofdwinkels ten behoeve

van de verbetering van de verkeersveiligheid,

verkeersafwikkeling, het verblijfsklimaat en de leefbaarheid

in de binnenstad een en ander zoals vermeld in het aan U

gezonden besluit op Uw bezwaar tegen de geslotenverklaring.

Gelet op de verkeersbelangen die met deze geslotenverklaringen

worden gediend, hebben wij bij besluit d.d. 23 oktober 1995 op

basis van artikel 87 van het Reglement Verkeersregels en

Verkeerstekens (RVV) 1990 een stringent ontheffingenbeleid

vastgesteld (U reeds eerder toegezonden). Voormeld beleid is

ons inziens niet onredelijk of anderszins onaanvaardbaar te

achten.

Aangezien U in casu niet voldoet aan één of meer van de in het

ontheffingenbeleid vermelde criteria om in aanmerking te komen

voor een ontheffing en er in casu volgens ons niet zodanig

bijzondere omstandigheden zijn, dat van het bestaande beleid

dient te worden afgeweken, is Uw aanvraag ons inziens terecht

afgewezen.

Bovendien zou van het verlenen van een ontheffing aan U een

ongewenste precedentwerking uitgaan, aangezien wij dan aan een

groot aantal andere bewoners van de binnenstad ook een

ontheffing zouden moeten verlenen. Dit zou tot gevolg hebben

dat aan de doelen van de geslotenverklaringen (autoluwe

binnenstad, beperken overlast verkeer e.a.) in ernstige mate

afbreuk zou worden gedaan.

Vervolgens verklaren B&W het bezwaarschrift ongegrond.

2.5. Op 11 november 1999 ontvangt de rechtbank het

beroepschrift van eiser. Eerst wijst hij op de eerder door hem

aangevoerde argumenten voor een ontheffing. Verder stelt hij,

dat hij evenals de bewoner met een parkeerplaats binnen het

afgesloten gebied recht heeft op een ontheffing, omdat de

keuze die hij in 1989 heeft gemaakt (zie 2.3.), niet tot zijn

nadeel mag strekken, aangezien hij toen niet kon voorzien, dat

zijn keuze zoveel jaren later een ontheffing in de weg zou

staan.

Eiser concludeert tot vernietiging van het besluit op bezwaar.

2.6. In hun verweerschrift van 8 december 1999 wijzen B&W op

het gestelde in hun besluit op bezwaar en ontkennen verder ten

stelligste, dat aan eiser destijds in 1989 de keuze is gelaten

tussen een parkeerplaats voor zijn woning en een plaats in de

parkeergarage tegen gereduceerd tarief, zodat van de door Oude

Reimer bedoelde gelijkstelling met de bewoner met

parkeerplaats geen sprake is. Ter zitting heeft de gemachtigde

van B&W desgevraagd toegelicht, dat alleen degenen die op

eigen terrein een parkeerplaats hebben, voor ontheffing in

aanmerking komen. Tot die categorie behoort eiser niet.

Bovendien is er evenmin sprake van zodanig bijzondere

omstandigheden, dat van het bestaande beleid zou moeten worden

afgeweken. De door eiser beschreven situatie in de binnenstad

is inhaerent aan het wonen in de binnenstad.

Het beroep van eiser dient ongegrond te worden verklaard.

Het oordeel van de rechtbank.

2.7. In het besluit op bezwaar hebben B&W chronologisch de

geslotenverklaring van een groot aantal straten in de

binnenstad geschetst. Parallel daaraan hebben B&W een

ontheffingenbeleid ontwikkeld dat zijn neerslag heeft gevonden

in de onder 2.2. bedoelde Regeling ontheffingen van 23 oktober

1995. In het onderhavige geval is de weigering van een

ontheffing aan de orde. Ter zitting is gebleken, dat inzake de

geslotenverklaring door eiser een afzonderlijke procedure is

gevoerd.

In voormelde regeling zijn de criteria genoemd welke dienen

als toetsingskader voor nieuwe aanvragen. Naast de in de

Regeling genoemde dienstverleners komen -voor zover thans

relevant- voor een ontheffing slechts in aanmerking bewoners

met een parkeerplaats in het betrokken gebied. Daarnaast

kunnen B&W in bijzondere gevallen een tijdelijke of

structurele ontheffing verlenen.

2.8. De wens van Eiser om een ontheffing is gegrond op de

angst, die hij en zijn echtgenote hebben, wanneer zij tijdens

de geslotenverklaring te voet van de parkeergarage door de

onveilige binnenstad naar hun woning moeten lopen alsmede dat

bezoek vanwege diezelfde angst wegblijft.

De Regeling ontheffingen is het noodzakelijke gevolg van de

geslotenverklaringen. Met verweerder is de rechtbank van

oordeel, dat het doel van de geslotenverklaringen -het weren

van het gemotoriseerd verkeer ter bevordering van de

verkeersveiligheid van de niet-gemotoriseerde

verkeersdeelnemers en van het verblijfsklimaat in de Venlose

binnenstad- alleen kan worden bereikt bij een strak

ontheffingenbeleid. De Regeling ontheffingen voorziet daarin

en is duidelijk. Eiser voldoet niet aan de voorwaarden voor

een ontheffing, omdat hij geen bewoner met parkeerplaats in

het betrokken gebied is noch een dienstverlener. Evenmin

kunnen zijn leeftijd en die van zijn echtgenote tesamen met de

eerder genoemde angst gelden als een bijzonder geval in de zin

van de Regeling, omdat het wonen in de binnenstad van de

grote(re) steden, dus ook Venlo, in het huidige tijdsbeeld

helaas wordt gekenmerkt door min of meer -mede afhankelijk van

de leeftijd- ernstige gevoelens van onveiligheid gedurende de

avond en nacht.

Anderzijds kan eiser, nu hij er kennelijk voor kiest in de

binnenstad te blijven wonen, zijn activiteiten in- en

buitenshuis aanpassen aan de geslotenverklaringen. De

conclusie van het bovenstaande is, dat het besluit van B&W op

het bezwaar van eiser tegen de weigering hem een ontheffing te

verlenen de toets die de rechter in deze toekomt, kan

doorstaan.

Mitsdien wordt beslist als volgt.

3. Beslissing.

De Arrondissementsrechtbank te Roermond;

gelet op het bepaalde in artikel 8:70 van de Algemene wet

bestuursrecht;

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan door mrs. P.J. Voncken, E.J.A.M. Bakermans,

voorzitter, en J.J.A. Kooijman, in tegenwoordigheid van mevr.

mr. I.H.M. Hest als griffier en in het openbaar uitgesproken

op 12 april 2000.

Voor eensluidend afschrift:

de wnd. griffier:

verzonden op: 12 april 2000

EvM

Voor belanghebbende en het bestuursorgaan staat tegen deze

uitspraak het rechtsmiddel hoger beroep open bij de Afdeling

Bestuursrechtspraak van de Raad van State. De termijn voor het

instellen van het hoger beroep bedraagt zes weken.