Bestuursprocesrecht

Rechtbank Rotterdam · Eerste aanleg - enkelvoudig · Bestuursprocesrecht

Rechtbank Rotterdam, 24 april 2025

Zaakgegevens

Op 24 april 2025 heeft de Rechtbank Rotterdam in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over bestuursprocesrecht.

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Zittingsplaats
Rotterdam
Datum uitspraak
24 april 2025
Datum publicatie
22 april 2025
Zaaknummer
ROT 25/1492
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBROT:2025:4848
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

WHT NTB

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: ROT 25/1492

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 april 2025 als bedoeld in artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht in de zaak tussen

[eiseres] , uit [plaats] , eiseres,

gemachtigde: mr. N. Kose-Albayrak,

en

Dienst Toeslagen, verweerder.

Procesverloop

Eiseres heeft beroep ingesteld wegens het uitblijven van een besluit op het verzoek tot vergoeding van de werkelijke schade.

Verweerder heeft op 24 februari 2025 een verweerschrift ingediend.

Overwegingen

  1. De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat zich in deze zaak een van de gevallen voordoet zoals genoemd in artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en een zitting daarom niet nodig is.

  2. Verweerder geeft in zijn verweerschrift het volgende aan:
    “Ouder heeft geen gelijk, want er was niet sprake van niet-tijdig beslissen toen wij de ingebrekestelling ontvingen. Ouder heeft geen verzoek om aanvullende schadevergoeding ingediend bij de Commissie Werkelijke Schade. Commissie Werkelijke Schade heeft heel duidelijk aangegeven dat zij een ingevuld formulier nodig hebben om een aanvraag te kunnen verwerken. Gemachtigde heeft inmiddels in meerdere zaken dit bericht van de Commissie Werkelijke Schade ontvangen. Volledigheidshalve verwijs ik nog op de website van de Commissie Werkelijke Schade (…). Op deze website wordt duidelijk uiteengezet hoe een aanvraag kan worden ingediend. Nu er geen aanvraag is ingediend door Ouder, kan ook niet worden beslist.”

  3. De rechtbank volgt verweerder in zijn standpunt. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat er bij de Commissie Werkelijke Schade een verzoek is gedaan tot vergoeding van de werkelijke schade. De rechtbank neemt in haar oordeel mee dat eiseres in haar beroepschrift uiteen heeft gezet dat het voorlopig bezwaarschrift tegen de definitieve compensatiebeschikking aangemerkt dient te worden als een verzoek tot vergoeding van de werkelijke schade. De rechtbank leidt hieruit af dat eiseres zich niet bij de Commissie Werkelijke Schade heeft aangemeld, het voorlopige bezwaarschrift kan niet worden aangemerkt als een verzoek tot vergoeding van de werkelijke schade.

  4. Uit het voorgaande volgt dat het beroep niet voldoet aan de vereisten van artikel 6:12, tweede lid, van de Awb. Het beroep moet daarom niet-ontvankelijk worden verklaard.

  5. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.A.C. van Nifterick, rechter, in aanwezigheid van

A.R. de Groot, griffier. De uitspraak is in het openbaar gedaan op 24 april 2025.

griffier rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan verzet worden gedaan bij de rechtbank. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.