Socialezekerheidsrecht
SVO. vovo hangende bezwaar. De stichting voldoet weer aan de kwaliteitseisen die gelden op grond van de Wmo…
Rechtbank Rotterdam, 7 oktober 2024
ECLI:NL:RBROT:2024:9703 · Rechtbank Rotterdam · 7 oktober 2024
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-rotterdam/bestuursrecht/socialezekerheidsrecht/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbrot-2024-9703
Zaakgegevens
Op 7 oktober 2024 heeft de Rechtbank Rotterdam in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.
- Instantie
- Rechtbank RotterdamRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Rotterdam
- Datum uitspraak
- 7 oktober 2024
- Datum publicatie
- 7 oktober 2024
- Zaaknummer
- ROT 24/8052, ROT 24/8574, ROT 24/8575 en ROT 24/86
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Socialezekerheidsrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBROT:2024:9703
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
SVO. vovo hangende bezwaar. De stichting voldoet weer aan de kwaliteitseisen die gelden op grond van de Wmo 2015. De verzoeken om een voorlopige voorziening worden afgewezen omdat er geen spoedeisend belang is.
Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummers: ROT 24/8052, ROT 24/8574, ROT 24/8575 en ROT 24/8608
uitspraak van de voorzieningenrechter van 7 oktober 2024 in de zaken tussen
[verzoeker 1], uit [plaatsnaam], verzoeker I,
[verzoeker 2], uit [plaatsnaam], verzoeker II,
[verzoeker 3], uit [plaatsnaam], verzoekster III,
[naam stichting], uit [plaatsnaam], de stichting
(met allen als gemachtigde: mr. D.H. van Tongerlo),
en
het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam, het college
(gemachtigde: mr. A.J. Wintjes).
Inleiding
1. De stichting biedt ondersteuning aan kwetsbare jongeren met het doel hun zelfredzaamheid te vergroten. Verzoekers I, II, III wonen bij de stichting en hebben ieder afzonderlijk met de stichting een huur- en zorgovereenkomst gesloten.
ROT 24/8052 en ROT 24/8574
Het college heeft verzoeker I een persoonsgebonden budget (pgb) op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) toegekend. Verzoeker I besteedt dat pgb door zorg in te kopen bij de stichting.
Met het primaire besluit I van 16 juli 2024 heeft het college bepaald dat verzoeker I niet langer zorg en ondersteuning kan inkopen bij de stichting omdat deze niet voldoet aan de minimale kwaliteitseisen die de gemeente Rotterdam stelt aan levering van zorg vanuit de Wmo 2015. De ondersteuning door de stichting wordt vanaf 26 oktober 2024 niet meer vergoed door het college. Verzoeker I en [naam stichting] hebben tegen dit besluit afzonderlijk bezwaar gemaakt en daarbij de voorzieningenrechter ook om een voorlopige voorziening gevraagd.
ROT 24/8575
Verzoeker II heeft eveneens een pgb dat hij besteedt door zorg in te kopen bij de stichting.
Met het primaire besluit II van 5 augustus 2024 heeft het college bepaald dat verzoeker II (om dezelfde reden als hiervoor genoemd) niet langer zorg en ondersteuning kan inkopen bij de stichting. De ondersteuning door de stichting wordt vanaf 9 november 2024 niet meer vergoed door de gemeente. Verzoeker II en de stichting hebben tegen dit besluit gezamenlijk bezwaar gemaakt en daarbij de voorzieningenrechter ook om een voorlopige voorziening gevraagd.
ROT 24/8608
Met het besluit van 11 juli 2024 heeft het college bepaald dat verzoekster III in aanmerking komt voor een ondersteuningsarrangement op grond van de Wmo 2015. Verzoekster III krijgt een persoonsgebonden budget (pgb) van € 452,60 per vier weken van 4 april 2024 tot en met 29 september 2024.
Op 18 juli 2024 heeft het college een nieuw besluit genomen over verzoeksters ondersteuningsarrangement waarmee het besluit van 11 juli 2024 is ingetrokken. Aan verzoekster III is voor dezelfde periode een pgb toegekend van € 783,84 per vier weken. Verzoekster III en de stichting hebben tegen dit besluit gezamenlijk bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening gevraagd.
Alle verzoeken
Verzoekers en de stichting zijn het er kort gezegd niet mee eens dat de stichting niet meer aan de kwaliteitseisen voldoet. Verzoekers I, II en III willen hun pgb blijven besteden bij de stichting. Als dat niet mogelijk is, raken zij dakloos.
Nadat het college de stichting op 12 september 2024 in de gelegenheid had gesteld nadere stukken in te dienen, heeft het college met het besluit van 18 september 2024 bepaald dat de stichting alsnog aan de kwaliteitseisen voldoet. Het college heeft vervolgens de primaire besluiten I en II ingetrokken en bepaald dat het pgb van verzoeker III voortduurt tot zes weken na de beslissing op het bezwaar in een andere procedure.
De rechtbank heeft verzoekers gevraagd of zij de verzoeken om een voorlopige voorziening willen intrekken (met daarbij eventueel een verzoek om een proceskostenveroordeling). Op 20 september 2024 hebben verzoekers hierop gereageerd en aangegeven de verzoeken niet in te trekken.
De zitting heeft plaatsgevonden op 23 september 2024. Partijen hebben kort voor de zitting laten weten niet te zullen verschijnen.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
2. Een procedure bij de voorzieningenrechter is een spoedprocedure. Deze procedure kan alleen worden gevoerd als er een spoedeisend belang is, waardoor iemand niet kan wachten op een beslissing op het bezwaar- of beroepschrift.
3. Omdat verzoekers hun pgb voorlopig bij de stichting kunnen blijven besteden, hebben zij en de stichting geen spoedeisend belang meer bij de door hen verzochte voorlopige voorziening. Daarom zal de voorzieningenrechter de verzoeken afwijzen.
4. Omdat de verzoeken worden afgewezen, ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst de verzoeken om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E. Lunenberg, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. H. Sabanovic, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 7 oktober 2024.
|
griffier |
voorzieningenrechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: