Socialezekerheidsrecht
Einduitspraak na tussenuitspraak (zie voor de tussenuitspraak ECLI:NL:RBROT:2026:3923). Met de nader gegeven…
Rechtbank Rotterdam, 29 september 2026
ECLI:NL:RBROT:2026:12835 · Rechtbank Rotterdam · 29 september 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-rotterdam/bestuursrecht/socialezekerheidsrecht/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbrot-2026-12835
Zaakgegevens
Op 29 september 2026 heeft de Rechtbank Rotterdam in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.
- Instantie
- Rechtbank RotterdamRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Rotterdam
- Datum uitspraak
- 29 september 2026
- Datum publicatie
- 28 september 2026
- Zaaknummer
- ROT 24/8951
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Socialezekerheidsrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBROT:2026:12835
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Einduitspraak na tussenuitspraak (zie voor de tussenuitspraak ECLI:NL:RBROT:2026:3923). Met de nader gegeven toelichting is de rechtbank van oordeel dat het UWV op goede gronden heeft geoordeeld dat geen sprake was van een arbeidsovereenkomst tussen eiseres en haar zus in de jaren 2019, 2020 en 2021 en dat deze jaren voor 50% meetellen voor het arbeidsverleden van eiseres, gelet op het mantelzorgforfait uit artikel 42a van de WW. Eiseres heeft daardoor geen recht op meer dan drie maanden WW-uitkering.
Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 24/8951
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 september 2026 in de zaak tussen
[naam eiseres] , uit [plaats] , eiseres
(gemachtigde: mr. A. Bosveld),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV
(gemachtigde: mr. W. Smith).
Procesverloop
1. Met het primaire besluit van 14 maart 2024 is aan eiseres een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) toegekend voor de periode van 4 maart 2024 tot en met 3 juni 2024. Met het bestreden besluit op bezwaar van 4 augustus 2024 is het UWV bij dat besluit gebleven. Tegen dit besluit heeft eiseres beroep ingesteld.
2. Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
3. De rechtbank heeft het beroep op 25 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres en namens het UWV mr. S. Erdogan en [persoon A] .
4. In de tussenuitspraak van 8 april 2026 heeft de rechtbank het UWV in de gelegenheid gesteld om binnen zes weken na verzending van de tussenuitspraak, met inachtneming van wat in die uitspraak is overwogen, de geconstateerde gebreken in het bestreden besluit te herstellen.
5. Het UWV heeft op 28 april 2026 in reactie op de tussenuitspraak een aanvullende motivering ingediend.
6. Eiseres heeft hierop schriftelijk gereageerd op 15 juni 2026.
7. De rechtbank heeft bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft en het onderzoek op 7 juli 2026 gesloten.
Overwegingen
8. Deze uitspraak bouwt voort op de tussenuitspraak. In de tussenuitspraak heeft de rechtbank, kort gezegd, overwogen dat het UWV onvoldoende heeft gemotiveerd dat in de jaren 2019, 2020 en 2021 geen sprake was van een arbeidsovereenkomst tussen eiseres en haar zus. De enkele stelling van het UWV dat eiseres en haar zus in 2019 een zorgovereenkomst van opdracht hebben getekend, waarop staat vermeld dat eiseres als ondernemer de zorg verleent, acht de rechtbank mede gelet op de Haviltex-maatstaf, onvoldoende. Het bestreden besluit bevat daarmee een zorgvuldigheids- en motiveringsgebrek.
Aanvullende motivering
9. In de aanvullende motivering heeft het UWV het standpunt gehandhaafd dat geen sprake is van een arbeidsovereenkomst. Het UWV heeft daartoe nader toegelicht dat niet inzichtelijk is geworden dat eiseres loon van haar zus heeft ontvangen en welke betalingen hebben plaatsgevonden. Verder is niet inzichtelijk geworden op welke wijze loonadministratie en afdracht van belastingen en premies hebben plaatsgevonden. Daarnaast is volgens het UWV geen sprake van een gezagsverhouding, nu geen objectieve en verifieerbare gegevens zijn verstrekt over de wijze waarop eiseres haar werkzaamheden moest verrichten. Ook is niet gebleken dat er iets was geregeld over de procedure bij ziekmelding en de vervanging bij ziekte en verlof, hoe instructies werden gegeven, functioneringsgesprekken werden gevoerd dan wel op welke wijze de kwaliteit en voortgang van de werkzaamheden werden gecontroleerd. Het is verder volgens het UWV niet duidelijk hoe is toegezien op de werktijden en wat de omvang van de werktijden was.
Zienswijze eiseres
10. Eiseres stelt zich op het standpunt dat tussen haar en haar zus wel sprake was van een arbeidsovereenkomst. Zij stelt daartoe dat het UWV eiseres ten onrechte niet in de gelegenheid heeft gesteld nadere stukken in te dienen om aan te tonen dat sprake was van een arbeidsovereenkomst. Zonder nader onderzoek kan het UWV dit niet beoordelen. De loonbetaling vond plaats op het rekeningnummer van [naam eenmanszaak] , een eenmanszaak die op naam van eiseres stond. Eiseres ontving maandelijks haar loon van de SVB. Op de loonbetalingen werd niet direct loonbelasting ingehouden door de SVB. Eiseres heeft ervoor gekozen deze niet maandelijks te laten inhouden op het loon, maar de loonbelasting zelf te regelen via de inkomstenbelasting. Daarnaast leiden alle feiten en omstandigheden volgens eiseres tot de conclusie dat sprake was van een gezagsverhouding.
Beoordeling door de rechtbank
11. De rechtbank is van oordeel dat het UWV de geconstateerde gebreken in het
bestreden besluit met de aanvullende motivering heeft hersteld. Vast staat dat eiseres werkzaamheden voor haar zus heeft verricht. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres niet aannemelijk gemaakt dat zij en haar zus met de in januari 2019 ondertekende zorgovereenkomst hebben bedoeld een arbeidsovereenkomst te sluiten.
In deze zorgovereenkomst is expliciet opgenomen dat dit geen arbeidsovereenkomst is. Daarnaast ontbreken in de zorgovereenkomst essentiële onderdelen voor de totstandkoming van een arbeidsovereenkomst. In de overeenkomst ontbreken onder meer bepalingen over vakantiedagen en afspraken over ziekmelding dan wel vervanging bij verlof. Op zitting heeft eiseres weliswaar gesteld dat vervanging diende te worden geregeld als zij vrij wilde nemen, maar verifieerbare informatie hierover ontbreekt. Ten aanzien van de gewerkte uren overweegt de rechtbank dat evenmin met verifieerbare gegevens aannemelijk is gemaakt hoe veel uren eiseres in 2019, 2020 en 2021 daadwerkelijk voor haar zus heeft gewerkt. De rechtbank weegt daarbij mee dat uit de in beroep overgelegde zorgovereenkomst van 6 december 2021 staat vermeld dat zij per 1 december 2021 218 uur per maand voor haar zus werkzaamheden heeft verricht, terwijl eiseres op dat moment ook een dienstverband had bij [bedrijf X] . waarvoor zij in de maand december 2021 125 uur heeft gewerkt. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, valt niet in te zien hoe eiseres deze werkzaamheden met elkaar heeft gecombineerd in de maand december 2021.
De rechtbank is verder van oordeel dat het UWV zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat een gezagsverhouding niet aannemelijk is gemaakt. Over de wijze waarop eiseres haar werkzaamheden moest verrichten, is geen objectieve en verifieerbare informatie verstrekt. De stelling van eiseres, dat zij op aanwijzing van haar zus de werkzaamheden verrichtte, is niet nader onderbouwd. In de zorgovereenkomst is slechts in algemene bewoordingen vermeld dat eiseres haar zus individueel begeleidt en zorg draagt voor huishoudelijke hulp en persoonlijke verzorging. Dat behoort tot de invulling van de zorgtaken die eiseres vervulde; er blijkt niet uit dat haar zus als werkgever instructies gaf waarbij eiseres als ondergeschikte werkzaam was. Ook komt niet in het dossier naar voren of en zo ja, hoe functioneringsgesprekken werden gevoerd of anderszins de kwaliteit en voortgang van de werkzaamheden van eiseres werden gecontroleerd.
Ten aanzien van het loon overweegt de rechtbank dat eiseres niet met stukken aannemelijk heeft gemaakt hoeveel loon zij daadwerkelijk heeft ontvangen en hoe de loonadministratie is vormgegeven. Eiseres heeft slechts verklaard dat het loon door de SVB werd overgemaakt door de SVB naar een rekening van een eenmansbedrijf van eiseres, [naam eenmanszaak] , onder vermelding van een KvK-nummer. Daarnaast blijkt niet dat loonheffing en premies voor de Zorgverzekeringswet zijn ingehouden op het door eiseres gestelde loon. De stelling van eiseres dat zij loonheffing heeft betaald via de inkomstenbelasting heeft zij niet onderbouwd met stukken. Voor zover eiseres heeft gesteld dat het UWV hiernaar nader onderzoek had moeten doen, overweegt de rechtbank dat het in dit geval gaat om een aanvraag om een WW-uitkering en dat daarom van eiseres verwacht mag worden dat zij hierover stukken inbrengt ter onderbouwing van haar stelling dat sprake is van een arbeidsovereenkomst.
12. Met de nader gegeven toelichting is de rechtbank van oordeel dat het UWV op goede gronden heeft geoordeeld dat geen sprake was van een arbeidsovereenkomst tussen eiseres en haar zus in de jaren 2019, 2020 en 2021 en dat deze jaren voor 50% meetellen voor het arbeidsverleden van eiseres, gelet op het mantelzorgforfait uit artikel 42a van de WW.
Conclusie en gevolgen
13. Gelet op de in de tussenuitspraak geconstateerde gebreken, is het beroep gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit. Omdat het UWV de gebreken in de reactie op de tussenuitspraak heeft hersteld, laat de rechtbank de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand. Voor eiseres betekent dit concreet dat het UWV terecht het mantelzorgforfait heeft toegepast en eiseres onveranderd recht heeft op een WW-uitkering over de periode van 4 maart 2024 tot en met 3 juni 2024.
14. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, moet het UWV aan eiseres het betaalde griffierecht vergoeden.
15. Ook krijgt eiseres een vergoeding voor de proceskosten die zij heeft gemaakt. Het UWV moet die vergoeding betalen. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De bijstand door een gemachtigde levert 2,5 punten op (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen op de zitting en 0,5 punt voor het indienen van een schriftelijke zienswijze na een bestuurlijke lus). In beroep heeft een punt een waarde van € 934,-, bij een wegingsfactor 1. Toegekend wordt € 2.335,-.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 4 augustus 2024;
- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand blijven;
- draagt het UWV op het betaalde griffierecht van € 51,- aan eiseres te vergoeden;
- veroordeelt het UWV in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 2.335,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.E.C. Debets, rechter, in aanwezigheid van mr. H. Sabanovic, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 29 september 2026.
|
griffier |
rechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak en de tussenuitspraak/tussenuitspraken, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak en de tussenuitspraak/tussenuitspraken. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.