Socialezekerheidsrecht

SV ZW. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het UWV terecht de ZW-uitkering van eiser…

Rechtbank Rotterdam, 15 juli 2026

Zaakgegevens

Op 15 juli 2026 heeft de Rechtbank Rotterdam in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Zittingsplaats
Rotterdam
Datum uitspraak
15 juli 2026
Datum publicatie
14 juli 2026
Zaaknummer
ROT 25/10151
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBROT:2026:8513
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

SV ZW. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het UWV terecht de ZW-uitkering van eiser heeft beëindigd. Het beroep is dus ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: ROT 25/10151


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 juli 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser

(gemachtigde: mr. W.C. de Jonge),

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV

(gemachtigde: [gemachtigde] ).

Samenvatting

1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het UWV terecht de ZW-uitkering van eiser heeft beëindigd. Het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Bij besluit van 31 maart 2025 (het primaire besluit) heeft het UWV bepaald dat eiser met ingang van 1 mei 2025 (de datum in geding) geen recht meer heeft op een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW).

2.1.

Met het besluit van 6 november 2026 (het bestreden besluit) heeft het UWV het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

2.2.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

2.3.

Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.

2.4.

De rechtbank heeft het beroep op 16 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van het UWV.

Beoordeling door de rechtbank

Totstandkoming van het bestreden besluit

3. Eiser is werkzaam geweest als horecamedewerker en heeft zich op 27 december 2023 vanuit de Werkloosheidwet (hierna: WW) ziekgemeld. Omdat eiser ten tijde van de ziekmelding nog recht had op een WW-uitkering tot 29 februari 2024, heeft het UWV per 1 maart 2024 een ZW-uitkering aan eiser toegekend.

3.1.

Eiser heeft in het kader van de Eerstejaarsziektewetbeoordeling op 4 februari 2025 het spreekuur van de verzekeringsarts bezocht. De verzekeringsarts heeft onderzocht wat de arbeidsbeperkingen van eiser zijn. Deze beperkingen zijn opgenomen in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 7 februari 2025. Vervolgens heeft de arbeidsdeskundige vastgesteld welk werk eiser kan doen met die beperkingen. De arbeidsdeskundige heeft een aantal functies geselecteerd die eiser geacht wordt te kunnen uitvoeren. De arbeidsdeskundige heeft berekend dat eiser met de middelste van de eerste drie geselecteerde functies 100% kan verdienen van het loon dat hij verdiende voordat hij zich ziekmeldde. Het UWV heeft met het besluit van 31 maart 2025 de ZW-uitkering van eiser per 1 mei 2025 beëindigd, omdat eiser een verdiencapaciteit van meer dan 65% heeft.

3.2.

In bezwaar hebben de verzekeringsarts bezwaar en beroep en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep opnieuw onderzoek gedaan. In de rapportage van 8 oktober 2025 is de verzekeringsarts bezwaar en beroep tot de conclusie gekomen dat de belastbaarheid van eiser per de datum in geding correct is vastgesteld in de FML van 7 februari 2025. De arbeidsdeskundige heeft vervolgens geen aanleiding gezien om af te wijken van de conclusies van de primaire arbeidsdeskundige. Op grond van de rapportages van de verzekeringsarts bezwaar en beroep en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft het UWV het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Het standpunt van eiser

4. In beroep voert eiser – samengevat – aan dat hij vanwege lichamelijke klachten meer beperkt is dan door het UWV is vastgesteld. Het medisch en arbeidsdeskundig onderzoek is volgens hem niet voldoende geweest. Eiser heeft last van slapeloosheid als gevolg van aanhoudende pijn en vermoeidheid. Daarnaast is sprake van verschillende ziektebeelden, waaronder diarree, diabetes, hepatitis, aanhoudende pijn, stress en depressiviteit. Deze comorbiditeit leidt tot een verstoring van de energiehuishouding. Eiser stelt dat gezien de vele ziektebeelden het vreemd is dat volgens het UWV geen sprake is van verminderde recuperatiemogelijkheden. Eiser stelt zich op het standpunt dat ten onrechte geen urenbeperking is aangenomen door de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Een urenbeperking kan namelijk ook worden aangenomen in andere situaties dan die in de Standaard Duurbelastbaarheid worden genoemd. Eiser stelt zich ook, zo werd tijdens de zitting toegelicht, op het standpunt dat de arbeidsdeskundige uitgaat van een foutief opleidingsniveau. Daarnaast wordt niet gemotiveerd hoe de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep omgaat met de discrepantie in de FML. Eiser voert tot slot aan dat de beperking voor werken in een hoog handelingstempo niet juist staat vermeld in de FML, waardoor op dit punt geen signalering plaatsvindt bij het selecteren van de passende functies.

Toetsingskader

5. Op grond van artikel 19aa, eerste lid, van de ZW, voor zover hier van belang, heeft de verzekerde die geen werkgever heeft, nadat na de eerste dag van de ongeschiktheid tot werken een tijdvak van 52 weken van ongeschiktheid tot werken is verstreken, recht op ziekengeld indien de verzekerde (a) ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid en (b) wegens een rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur. Op grond van het tweede lid van dit artikel heeft de verzekerde, indien hij in staat is om meer dan 65% van het maatmaninkomen per uur te verdienen, recht op ziekengeld tot een maand na de dag waarop hij hiertoe in staat is geacht.

5.1.

In het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten zijn regels gesteld voor de beoordeling van het percentage van het maatmaninkomen dat de verzekerde kan verdienen.

Beoordeling van de beroepsgronden

6. De rechtbank dient te beoordelen of het UWV zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser, rekening houdend met zijn beperkingen, in staat is om vanaf 1 mei 2025 met gangbare arbeid ten minste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur.

7. De rechtbank stelt voorop dat het UWV zich mag baseren op de rapportages van de verzekeringsartsen en arbeidsdeskundigen als deze voldoen aan de eisen zoals die in de rechtspraak zijn geformuleerd. Daarbij geldt dat de rapportages zorgvuldig tot stand moeten zijn gekomen, geen tegenstrijdigheden moeten bevatten en conclusies moeten inhouden die logisch voortvloeien uit de onderzoeksbevindingen. Als de rapportages aan deze eisen voldoen en eiser het alsnog niet eens is met de inhoud van een rapportage, moet hij een gestelde onjuistheid aannemelijk maken.

De belastbaarheid van eiser

8. Zonder afbreuk te willen doen aan de door eiser ervaren gezondheidsklachten, merkt de rechtbank op dat het van belang is dat het in de systematiek van de ZW niet gaat om de medische klachten van eiser als zodanig of om de door hem ervaren beperkingen, maar om objectief vastgestelde beperkingen bij het verrichten van (passende) arbeid. Het is daarbij de specifieke deskundigheid van de verzekeringsarts bezwaar en beroep om op grond van de beschikbare medische gegevens de beperkingen tot het verrichten van arbeid vast te stellen.

9. De rechtbank volgt eiser niet in zijn standpunt dat zijn belastbaarheid is onderschat. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in de rapportage van 8 oktober 2025 duidelijk en inzichtelijk toegelicht dat bij de primaire medische beoordeling al voldoende rekening is gehouden met de aanwezige pathologie en de daaruit voorvloeiende beperkingen.

9.1.

De primaire verzekeringsarts heeft rekening gehouden met de hepatitis B van eiser door beperkingen vast te stellen in de rubriek Dynamische handelingen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft verder in de rapportage van 8 oktober 2025 gemotiveerd toegelicht dat geen indicatie bestaat voor verdergaande beperkingen naar aanleiding van de hepatitis B van eiser, omdat uit de medische informatie (verkregen van de behandelend sector) blijkt dat sprake is van een complete virologische respons. Daarnaast heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep voldoende toegelicht dat de maagklachten en dunne ontlasting geen aanleiding vormen om een nadere beperking aan te nemen, omdat uit de ontvangen medische informatie blijkt dat geen sprake is van ernstige pathologie. Ook heeft de gemachtigde van het UWV terecht gewezen op het Arbobesluit waarin is bepaald dat een werkgever de zorg draagt voor voldoende toiletten in de nabijheid van werkplekken van zijn werknemers, zodat de stelling van eiser dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep hier rekening mee had moeten houden geen doel treft. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft verder gemotiveerd toegelicht dat onvoldoende aanleiding bestaat om beperkingen aan te nemen ten aanzien van de mentale klachten van eiser. De verzekeringsarts bezwaar en beroep wijst erop dat tijdens de spreekuren geen duidelijke beperkingen naar voren zijn gekomen en dat geen afwijking is geconstateerd bij het psychische onderzoek. Daarbij wordt eiser ook niet behandeld voor zijn mentale klachten.

9.2.

Ten aanzien van de urenbeperking is de rechtbank van oordeel dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep inzichtelijk heeft gemotiveerd dat deze niet hoeft te worden aangenomen, omdat in het geval van eiser geen sprake is van een van de situaties zoals genoemd in de standaard ‘Duurbelastbaarheid in Arbeid’. Bij eiser is geen sprake van een onderliggende medische aandoening die leidt tot een stoornis in de energiehuishouding als gevolg van een energietekort, een te groot energieverbruik of verminderde recuperatiemogelijkheden, aldus de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Daarnaast kan niet worden gesproken van een structureel verminderde beschikbaarheid door het moeten ondergaan van een voorgeschreven intensieve behandeling en is voldoende toegelicht dat geen aanleiding bestaat om op preventieve gronden een urenbeperking aan te nemen. De inhoud van de brief van de MDL-arts van 22 januari 2024, die ook ziet op de situatie van eiser van voor de datum in geding, maakt dit niet anders.

9.3.

De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft de belastbaarheid van eiser deugdelijk gemotiveerd. Het is de rechtbank niet gebleken dat de conclusies van de verzekeringsarts bezwaar en beroep voor onjuist moeten worden gehouden. Eiser heeft in beroep immers geen medische informatie ingebracht die de rechtbank doet twijfelen aan het oordeel van de primaire verzekeringsarts en de verzekeringsarts bezwaar en beroep. De rechtbank is dan ook van oordeel dat eisers functionele mogelijkheden op correcte wijze zijn vastgesteld in de FML van 7 februari 2025.

De geschiktheid van de geduide functies

10. De rechtbank volgt het standpunt van eiser dat de geselecteerde functies niet geschikt zouden zijn, niet. Uit het voorgaande volgt immers dat het UWV de functionele mogelijkheden van eiseres correct heeft vastgesteld. De rechtbank ziet daarom geen grond voor het oordeel dat de belasting van de geduide functies de functionele mogelijkheden van eiser overschrijdt. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft voldoende gemotiveerd dat de geselecteerde functies binnen de door de verzekeringsarts bezwaar en beroep gestelde belastbaarheid vallen. Eiser voert aan dat de arbeidsdeskundige geen rekening houdt met de punten conflicthantering, afbreukrisico en werktijden. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft daar ook geen rekening mee hoeven houden bij de selectie van passende functies, omdat op die punten geen beperkingen zijn vastgesteld door de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Volgens eiser staat de beperking voor werken in een hoog handelingstempo ook niet juist vermeld in de FML. In de FML is onder item 1.8.5 echter vastgesteld dat eiser aangewezen is op arbeid waarin geen hoog handelingstempo vereist is, terwijl hij bij eenvoudige taken een hoog handelingstempo wel aankan. Het is de rechtbank niet gebleken dat de belastbaarheid van eiser ten aanzien van dit FML-item in de geselecteerde functies wordt overschreden. Uit het Resultaat functiebeoordeling van 27 maart 2025 blijkt immers niet dat op dit punt een signalering is gegeven bij de geselecteerde functies en deze functies zien ook op eenvoudige taken. Tijdens de zitting heeft de gemachtigde van eiser nog aangevoerd dat de arbeidsdeskundige van een foutief opleidingsniveau is uitgegaan. De rechtbank is van oordeel dat de arbeidsdeskundige en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep in hun rapportages van 31 maart 2025 en 30 oktober 2025 voldoende hebben gemotiveerd waarom het opleidingsniveau van eiser is vastgesteld op niveau 2 in plaats van niveau 1. Het is hierbij van belang dat eiser in Turkije volledig basisonderwijs heeft gevolgd, dat hij in Nederland een NT2-traject heeft afgerond en dat hij geruime werkervaring heeft in Nederland. Dit betoog treft dan ook geen doel.

11. Vergelijking van het inkomen dat eiser in de voorgehouden functies zou kunnen verdienen met het inkomen dat hij in zijn eigen werk verdiende voordat hij ziek werd, geeft een verdiencapaciteit van meer dan 65%. De mate van arbeidsongeschiktheid van eiser is juist vastgesteld. Het UWV heeft dan ook terecht de ZW-uitkering van eiser beëindigd per 1 mei 2025.

Conclusie en gevolgen

12. Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Zoethout, rechter, in aanwezigheid van E.M. Janssens, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 15 juli 2026.

griffier

rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.