Socialezekerheidsrecht
Verzoek om een voorlopige voorziening. Het UWV heeft geweigerd om terug te komen op een weigeringsbesluit…
Rechtbank Rotterdam, 29 juni 2026
ECLI:NL:RBROT:2026:7424 · Rechtbank Rotterdam · 29 juni 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-rotterdam/bestuursrecht/socialezekerheidsrecht/voorlopige-voorziening/ecli-nl-rbrot-2026-7424
Zaakgegevens
Op 29 juni 2026 heeft de Rechtbank Rotterdam in een voorlopige voorziening uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.
- Instantie
- Rechtbank RotterdamRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Rotterdam
- Datum uitspraak
- 29 juni 2026
- Datum publicatie
- 25 juni 2026
- Zaaknummer
- ROT 26/3644
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Socialezekerheidsrecht
- Procedure
- Voorlopige voorzieningVoorlopige voorzieningEen tijdelijke maatregel van de voorzieningenrechter, bijvoorbeeld het schorsen van een besluit, zolang bezwaar of beroep loopt.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBROT:2026:7424
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Verzoek om een voorlopige voorziening. Het UWV heeft geweigerd om terug te komen op een weigeringsbesluit over een Wajong-uitkering. De insteek van de procedure is dat verzoekster haar echtgenoot naar Nederland wil halen in verband met de verzorging van haarzelf en hun kind. Verzoekster heeft een bijstandsuitkering en ontvangt zorg van haar familie. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoekster geen spoedeisend belang heeft. Het verzoek wordt afgewezen.
Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 26/3644
uitspraak van de voorzieningenrechter van 29 juni 2026 in de zaak tussen
[naam verzoekster] , uit [plaats] , verzoekster
(gemachtigde: mr. R. Küçükünal),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV
(gemachtigde: mr. S. Roodenburg).
Inleiding
1. Verzoekster heeft het UWV gevraagd om terug te komen op de beslissing van het UWV van 29 april 2024 over een Wajong-uitkering. Met het besluit van 4 maart 2026 heeft het UWV dit verzoek afgewezen. Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
2. Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is, doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
3. Het UWV stelt zich in het bestreden besluit op het standpunt dat er geen sprake is van nieuwe medische feiten of omstandigheden op grond waarvan moet worden teruggekomen op de eerdere beslissing. Volgens het UWV is er geen sprake van toename van klachten en beperkingen voor de 23e verjaardag. Verzoekster is het hier niet mee eens. Zij wil met het verzoek om een voorlopige voorziening bereiken dat er aan haar een Wajong-uitkering wordt toegekend. De insteek van de procedure is dat verzoekster haar echtgenoot naar Nederland wil halen in verband met de verzorging van haarzelf en hun kind.
4. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als ‘onverwijlde spoed’ dat vereist.
5. Verzoekster voert aan dat zij vanwege haar medische situatie afhankelijk is van haar ouders en broer. Deze situatie is niet duurzaam houdbaar en legt een zware belasting op haar familie. De echtgenoot van verzoekster verblijft in Marokko. Als hij op korte termijn naar Nederland kan komen, dan kan hij een bijdrage leveren in de zorg. Om in aanmerking te komen voor een verblijfsvergunning voor gezinshereniging is het echter noodzakelijk dat verzoekster een Wajong-uitkering ontvangt.
6. De voorzieningenrechter overweegt dat verzoekster op dit moment een bijstandsuitkering ontvangt en daarmee kan voorzien in haar levensonderhoud. Verder is niet gebleken dat zij op dit moment van zorg verstoken is en al zou dat wel het geval zijn, dan is nog maar de vraag of die zorg dan per se door haar echtgenoot verleend dient te worden. Wellicht kan in dat geval een beroep doen op voorzieningen vanuit bijvoorbeeld de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015. De voorzieningenrechter is daarom van oordeel dat verzoekster de beslissing op bezwaar zou kunnen afwachten en geen spoedeisend belang heeft bij een beoordeling van haar verzoek.
Conclusie en gevolgen
7. Het verzoek is daarom kennelijk ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dus af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P. Vrolijk, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van E.C. Petrusma, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 29 juni 2026.
|
griffier |
voorzieningenrechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: