Socialezekerheidsrecht
Wmo, vovo, maatwerkvoorziening, beëindiging wegens driemaal een formele waarschuwing, verzoek toegewezen…
Rechtbank Rotterdam, 15 juli 2026
ECLI:NL:RBROT:2026:8620 · Rechtbank Rotterdam · 15 juli 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-rotterdam/bestuursrecht/socialezekerheidsrecht/voorlopige-voorziening/ecli-nl-rbrot-2026-8620
Zaakgegevens
Op 15 juli 2026 heeft de Rechtbank Rotterdam in een voorlopige voorziening uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.
- Instantie
- Rechtbank RotterdamRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Rotterdam
- Datum uitspraak
- 15 juli 2026
- Datum publicatie
- 15 juli 2026
- Zaaknummer
- ROT 26/5362
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Socialezekerheidsrecht
- Procedure
- Voorlopige voorzieningVoorlopige voorzieningEen tijdelijke maatregel van de voorzieningenrechter, bijvoorbeeld het schorsen van een besluit, zolang bezwaar of beroep loopt.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBROT:2026:8620
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Wmo, vovo, maatwerkvoorziening, beëindiging wegens driemaal een formele waarschuwing, verzoek toegewezen, verzoeker mag in de opvang blijven tot een passend alternatief is gevonden, of tot uiterlijk zes weken na de bekendmaking van de beslissing op bezwaar.
Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 26/5362
uitspraak van de voorzieningenrechter van 15 juli 2026 in de zaak tussen
[verzoeker] , uit [plaats] , verzoeker
(gemachtigde: mr. D.A. IJpelaar),
en
het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam
(gemachtigde: mr. J.M. Tang).
Samenvatting
Met het besluit van 28 mei 2026 heeft het college de maatwerkvoorziening die verzoeker op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo) was toegekend, beëindigd. Verzoeker is het hier niet mee eens en verzoekt daarom om een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek toe, omdat verzoeker een kwetsbare persoon is en zij het daarom belangrijk vindt dat er zo spoedig mogelijk een alternatieve woonvoorziening voor hem wordt gevonden.
Procesverloop
1. Verzoeker is een voorziening op grond van de Wmo (extramuraal Wmo) toegekend. Met het bestreden besluit van 28 mei 2026 heeft het college deze voorziening met ingang van 31 mei 2026 beëindigd.
Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 9 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, de gemachtigde van verzoeker, de zus van verzoeker ( [gemachtigde] ) en de gemachtigde van het college. Verder hebben deelgenomen: [hulpverlener 1] en [hulpverlener 2] , werkzaam bij het Centrum voor maatschappelijke dienstverlening (CVD).
Beoordeling door de voorzieningenrechter
Wat is er gebeurd?
2. Bij verzoeker is onder meer sprake van verslavingsproblematiek en problemen met het zich aanpassen in de samenleving. Hij heeft moeite met het reguleren van emoties en agressie. Bij verzoeker is een ondersteuningsbehoefte vastgesteld op het gebied van het sociaal en persoonlijk functioneren. Vanwege zijn problematiek kan verzoeker geen gebruik maken van voorliggende of algemene voorzieningen. Op 4 februari 2021 is verzoeker een woning toegewezen op een locatie van Skaeve Huse, [adres] in Rotterdam.
Met het besluit van 13 april 2023 heeft het college verzoeker ondersteuning in natura toegekend van het Centrum voor maatschappelijke dienstverlening (CVD, de zorgverlener), voor de periode vanaf 3 april 2023 tot en met 29 maart 2026. Het betreft ondersteuning op het gebied van het sociaal en persoonlijk functioneren (zwaarte: midden) in combinatie met arbeidsmatige dagbesteding (intensief: 9-10 dagdelen).
Met het besluit van 23 oktober 2024 heeft het college verzoeker opnieuw ondersteuning in natura van het CVD toegekend, voor de periode van 28 oktober 2024 tot en met 24 oktober 2027. Het betreft alleen nog ondersteuning op het gebied van het sociaal en persoonlijk functioneren (zwaarte: midden). De dagbesteding is op verzoek van het CVD uit het arrangement gehaald, omdat verzoeker weigerde bij de dagbesteding te verschijnen.
Op 21 juli 2025 heeft verzoeker een (eerste) formele waarschuwing gekregen voor verbale agressie, geluidsoverlast en het niet opvolgen van de instructies van het personeel. Volgens de informatie van het CVD heeft verzoeker regelmatig conflicten met medebewoners van Skaeve Huse en is hij respectloos richting het personeel (vaak onder invloed van alcohol).
Op 19 december 2025 heeft verzoeker een tweede formele waarschuwing gekregen. Ditmaal voor een incident op 10 december 2025, waarbij verzoeker ruzie kreeg met een medebewoner over geluidsoverlast. Verzoeker uitte zich verbaal agressief tegenover de medebewoner en de beveiliger. Hij dreigde het een fietsketting en sloeg twee van zijn eigen tuinstoelen kapot tegen een ruit van het kantoor en een ruit van zijn eigen woning (die daarbij sneuvelde). De politie werd ingeschakeld.
Op 24 april 2026 heeft verzoeker een derde formele waarschuwing gekregen. Dit keer voor een incident op 18 april 2026 als gevolg van geluidsoverlast door verzoeker. Na hierop te zijn aangesproken zou verzoeker een mes hebben getrokken en hebben gedreigd een medebewoner neer te steken. Vervolgens zou hij ook de aanwezige begeleider hebben bedreigd en op de fiets hebben achtervolgd, terwijl deze wegrende. Hierop is de politie ingeschakeld. Verzoeker is bij terugkomst door de politie gefouilleerd. Hierbij is geen mes aangetroffen.
Vanwege deze drie formele waarschuwingen heeft het CVD het college op 18 mei 2026 verzocht de aan verzoeker op grond van de Wmo toegekende woonvoorziening te beëindigen. Bij brief van 27 mei 2026 heeft het CVD verzoeker hiervan in kennis gesteld en hem meegedeeld dat in verband met de beëindiging van de Wmo-voorziening ook de huurovereenkomst met Skaeve Huse per 1 juli 2026 wordt beëindigd.
Waar gaat deze zaak om?
3. Het college heeft met het bestreden besluit de aan verzoeker toegekende Wmo-voorziening, op verzoek van het CVD, met ingang van 31 mei 2026 beëindigd. Als reden voor de beëindiging noemt het college dat verzoeker drie officiële waarschuwingen heeft gehad maar geen gedragsverbetering heeft laten zien. Als gevolg van de beëindiging moet verzoeker de woonruimte bij Skaeve Huse verlaten. Verzoeker is het met dit besluit niet eens en wil met zijn verzoek bereiken dat de woonzorgbegeleiding op grond van de Wmo wordt hervat, tot zes weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar.
Spoedeisend belang
4. De voorzieningenrechter treft alleen een voorlopige voorziening als sprake is van onverwijlde spoed, waardoor de beslissing op het bezwaar niet kan worden afgewacht.
Vast staat dat verzoeker de woning van Skaeve Huse al per 1 juli 2026 had moeten verlaten. Op de zitting is gebleken dat verzoeker nog steeds in de woning woont en vooralsnog weigert deze uit eigen beweging te verlaten. Hij mag daar echter niet blijven. Daarbij hebben zich zeer recent nieuwe incidenten op de locatie van Skaeve Huse voorgedaan, waarbij verzoeker (direct) betrokken was. Het CVD spreekt van een ‘onhoudbare situatie’ en is inmiddels een ontruimingsprocedure gestart bij de kantonrechter. De voorzieningenrechter neemt daarom het spoedeisend belang aan. Het college heeft het spoedeisend belang ook niet betwist.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe
5. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
6. Het college heeft de Wmo-voorziening beëindigd, omdat verzoeker zich niet heeft gehouden aan de voorwaarden die aan de toegekende voorziening zijn verbonden. Eén van die voorwaarden is dat verzoeker de huisregels van Skaeve Huse naleeft. Uit de stukken blijkt dat verzoeker er kennelijk moeite mee heeft zich aan die huisregels te houden en zich herhaaldelijk schuldig maakt aan het veroorzaken van geluidsoverlast (tijdens de nachtelijke uren), het negeren van aanwijzingen van medewerkers en sociaal beheerders van Skaeve Huse, het uiten van (doods)bedreigingen en (daarbij) het gebruik van fysiek geweld tegen zowel medewerkers als medebewoners. Verzoeker heeft hiervoor, binnen één jaar tijd, driemaal een officiële waarschuwing gekregen. Ondanks deze waarschuwingen heeft verzoeker geen gedragsverbetering laten zien. Dit heeft voor het college in redelijkheid aanleiding kunnen zijn om de toegekende maatwerkvoorziening te beëindigen.
7. Dit neemt echter niet weg dat het hier gaat om een (zeer) kwetsbare persoon die niet zelfredzaam is. De gemachtigde van het college heeft dit op de zitting ook erkend en bevestigd dat verzoeker nog steeds aanspraak kan maken op een Wmo-maatwerkvoorziening, zoals hem eerder is toegekend, met daaraan gekoppeld een woonvoorziening. Binnen de gemeentelijke organisatie wordt er daarom hard aan gewerkt om te onderzoeken welke alternatieven passend zijn voor verzoeker. In dat kader wordt ook gekeken naar de mogelijkheid van beschermd wonen. De gemachtigde van het college benadrukt wel dat dit onderzoek zorgvuldig moet gebeuren en daarom tijd kost. Ook speelt mee dat er overal wachtlijsten zijn. Mocht verzoeker uit de woning van Skaeve Huse worden gezet voordat een passend alternatief is gevonden, dan kan hij zich melden bij de nachtopvang. De gemachtigde van het college heeft daarbij toegezegd dat zij zich zal inspannen om ervoor te zorgen dat binnen de betreffende afdeling van de gemeente met de nodige voortvarendheid aan het onderzoek wordt gewerkt.
8. De voorzieningenrechter begrijpt dat het onderzoek naar een passend alternatief zorgvuldig moet gebeuren en tijd kost en dat er wachtlijsten zijn. Dit neemt echter niet weg dat verzoeker een kwetsbare persoon is die opvang en begeleiding nodig heeft. Niet is in geschil dat hij nog steeds in aanmerking komt voor een Wmo-voorziening met daaraan gekoppeld een woning. Als gevolg van het bestreden besluit dreigt hij nu op straat te komen staan, terwijl partijen het er beide over eens zijn dat dat een verre van wenselijke situatie is. Om te bewerkstelligen dat het college met voldoende voortvarendheid aan het onderzoek naar een passende alternatieve oplossing blijft werken, zal de voorzieningenrechter daarom het verzoek toewijzen en bepalen dat verzoeker hangende de bezwaarprocedure in de woning van Skaeve Huse mag blijven tot voor hem een passend alternatief is gevonden.
9. Dit betekent echter niet dat aan het gedrag van verzoeker geen consequenties meer kunnen worden verbonden. Op de zitting is gebleken dat verzoeker zeer recent opnieuw voor overlast heeft gezorgd en zich daarbij (verbaal) zeer agressief naar medewerkers en medebewoners heeft uitgelaten. De voorzieningenrechter wil verzoeker daarom meegeven dat hij, om zijn woning voorlopig te kunnen blijven behouden, zich strikt aan de huisregels zal moeten houden. Dat wil zeggen dat hij op een respectvolle manier met medebewoners en medewerkers omgaat, zich niet agressief, gewelddadig of intimiderend gedraagt, geen strafbare feiten pleegt en geen overlast veroorzaakt, op het terrein of in de (directe) omgeving. Verzoeker heeft op de zitting beterschap beloofd. De voorzieningenrechter wil verzoeker daar ook aan houden. Daarbij dient verzoeker zich ervan bewust te zijn dat het college aan de voorzieningenrechter altijd om opheffing van de getroffen voorlopige voorziening kan vragen, als verzoeker zijn belofte niet nakomt en zich blijft misdragen.
10. Omdat de voorzieningenrechter het verzoek al om bovengenoemde redenen toewijst, komt zij aan de bespreking van de (overige) gronden van het verzoek niet toe. Deze gronden kan verzoeker in bezwaar alsnog aan de orde stellen.
Conclusie en gevolgen
11. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe en schorst het besluit van 28 mei 2026. Dat betekent dat verzoeker in de woning van Skaeve Huse mag blijven wonen, tot uiterlijk zes weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar. Mocht een passende alternatieve oplossing worden gevonden voordat de beslissing op bezwaar aan verzoeker bekend is gemaakt, dan vervalt daarmee de getroffen voorlopige voorziening.
Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst moet het college het griffierecht aan verzoeker vergoeden. Daarom krijgt verzoeker ook een vergoeding van zijn proceskosten. Het college moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt verzoeker een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft het verzoekschrift ingediend en aan de zitting deelgenomen. Elke proceshandeling heeft een waarde van € 934,-. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.868,-.
Beslissing
De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe;
- schorst het primaire besluit tot zes weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar;
- treft de voorlopige voorziening als hiervoor bij 11. uiteen is gezet;
- bepaalt dat het college het griffierecht van € 54,- aan verzoeker moet vergoeden;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan verzoeker.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.G.L. de Vette, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van M.G. den Ambtman, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 15 juli 2026.
|
griffier |
voorzieningenrechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: