Socialezekerheidsrecht
Verzoek hangende het beroep tegen de beeindiging van de schuldhulpverlening toegewezen. Niet is gebleken dat…
Rechtbank Rotterdam, 10 juli 2026
ECLI:NL:RBROT:2026:8670 · Rechtbank Rotterdam · 10 juli 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-rotterdam/bestuursrecht/socialezekerheidsrecht/voorlopige-voorziening/ecli-nl-rbrot-2026-8670
Zaakgegevens
Op 10 juli 2026 heeft de Rechtbank Rotterdam in een voorlopige voorziening uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.
- Instantie
- Rechtbank RotterdamRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Rotterdam
- Datum uitspraak
- 10 juli 2026
- Datum publicatie
- 15 juli 2026
- Zaaknummer
- ROT 26/4277
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Socialezekerheidsrecht
- Procedure
- Voorlopige voorzieningVoorlopige voorzieningEen tijdelijke maatregel van de voorzieningenrechter, bijvoorbeeld het schorsen van een besluit, zolang bezwaar of beroep loopt.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBROT:2026:8670
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Verzoek hangende het beroep tegen de beeindiging van de schuldhulpverlening toegewezen. Niet is gebleken dat de schuldhulpverlening geen kans van slagen had door gebrek aan medewerking van de verhuurder. Het college had bij de rechtbank een verzoek om een dwangakkoord kunnen indienen.
Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 26/4277
uitspraak van de voorzieningenrechter van 10 juli 2026 in de zaak tussen
[verzoeker] , uit [woonplaats 1] , verzoeker,
en
het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam, het college,
(gemachtigde: mr. D.J.J. Straver).
Procesverloop
Met een besluit van 4 februari 2026 (het primaire besluit) heeft het college de gemeentelijke schuldhulpverlening aan verzoeker per direct beëindigd. Verzoeker heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.
Met een besluit van 10 april 2026 (het bestreden besluit) heeft het college de beëindiging van de schuldhulpverlening gehandhaafd. Verzoeker heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Het college heeft op 1 juli 2026 een verweerschrift ingediend.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 3 juli 2026 op een zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker en de gemachtigde van het college.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
Feiten en omstandigheden
Verzoeker woont aan het adres [straatnaam] in [locatie] . Deze woning huurt hij van [bedrijf] (de verhuurder).
Verzoeker ontvangt een uitkering op grond van de Ziektewet.
Verzoeker heeft de gedeelde zorg over zijn minderjarige kind. Het kind staat ingeschreven bij de moeder maar verblijft in de weekenden bij verzoeker.
Bij verstekvonnis van 5 juni 2025 heeft de kantonrechter van deze rechtbank de huurovereenkomst tussen verzoeker en de verhuurder ontbonden en verzoeker veroordeeld om binnen veertien dagen na de betekening van dit vonnis de woning te ontruimen. Verzoeker heeft tegen dit verstekvonnis verzet ingesteld.
Verzoeker heeft zich op 1 juli 2025 bij het college gemeld voor schuldhulpverlening. Met een besluit van 16 september 2025 heeft het college besloten dat verzoeker schuldhulpverlening krijgt in de vorm van een schuldenregeling en budgetbeheer. Vervolgens is een schuldeninventarisatie gemaakt. De totale schuld bedroeg € 41.215,99, verdeeld over vijftien schuldeisers. De afloscapaciteit van verzoeker is vastgesteld op € 379,22 per maand (totaal € 6.339,57 over achttien maanden).
Bij vonnis van 16 oktober 2025 heeft deze rechtbank de tenuitvoerlegging van de ontruiming van de woning opgeschort voor de duur van zes maanden vanaf 17 september 2024 en de duur van de huurovereenkomst verlengd voor de duur van deze voorziening.
Bij brief van 17 november 2025 heeft het college op basis van de schuldeninventarisatie aan de schuldeisers een betalingsvoorstel gedaan. Veertien van de vijftien schuldeisers hebben met dit voorstel ingestemd. De verhuurder heeft het college bericht dat zij het verzoek niet in behandeling kan nemen omdat er nog een procedure loopt en het een lopend huurdossier betreft.
Bij vonnis van 17 april 2026 heeft de kantonrechter van deze rechtbank het verstekvonnis van 5 juni 2025 vernietigd, de huurovereenkomst tussen verzoeker en de verhuurder ontbonden en verzoeker veroordeeld om binnen veertien dagen na de betekening van dit vonnis de woning te ontruimen.
De verhuurder heeft dit vonnis op 4 mei 2026 laten betekenen. Ten tijde van de zitting was de ontruiming nog niet geëffectueerd.
De besluitvorming van het college
3. Het college heeft met het primaire besluit van 4 februari 2026 de gemeentelijke schuldhulpverlening aan verzoeker per direct beëindigd. Met het bestreden besluit heeft het college de beëindiging gehandhaafd. Aan het bestreden besluit is – samengevat – het volgende ten grondslag gelegd. De schuldhulpverlening heeft geen kans van slagen door een gebrek aan medewerking van één of meerdere schuldeisers. De verhuurder heeft namelijk niet ingestemd met het voorstel omdat er nog een procedure liep (de verzetprocedure). Hoewel verzoeker daartoe in de gelegenheid is gesteld, heeft verzoeker deze procedure niet willen intrekken. Nu er tussen verzoeker en de verhuurder nog een procedure loopt, staat de hoogte van de vordering van de verhuurder nog niet vast. Ook is er een mogelijkheid dat verzoeker in die procedure in de proceskosten wordt veroordeeld. Dit terwijl het niet is toegestaan dat tijdens het schuldhulpverleningstraject een nieuwe schuld ontstaat. Het is onder deze omstandigheden niet mogelijk om een verzoek om een dwangakkoord tegen de verhuurder in te dienen. Dit instrument heeft als doel om een weigerachtige schuldeiser te dwingen akkoord te gaan met een minnelijk voorstel, niet om te bepalen of een schuld juridisch terecht is. Tot slot heeft het college aan de beëindiging ten grondslag gelegd dat het college een verklaring als bedoeld in artikel 285, eerste lid, van de Fw (artikel 285-verklaring, de verklaring toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling) heeft afgegeven. Het college heeft verwezen naar artikel 5, eerste lid, onder a, f en h van de Beleidsregels schuldhulpverlening Rotterdam 2024 (de Beleidsregels).
De beoordeling van het verzoek om een voorlopige voorziening
4. De voorzieningenrechter zal het verzoek toewijzen. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
5. De voor de beoordeling van het verzoek belangrijke wet- en regelgeving is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
6. Verzoeker wil met het verzoek om een voorlopige voorziening bereiken dat het college de gemeentelijke schuldhulpverlening voorlopig hervat. Verzoeker heeft aangevoerd – samengevat – dat hij een groot belang heeft bij de voorzetting van het gemeentelijke schuldhulpverleningstraject omdat dit voor hem minder belastend is dan een wettelijk schuldsaneringstraject. Bovendien is met het gemeentelijke traject verbonden dat hij in aanmerking kan komen voor een bijdrage in de betaling van zijn schulden van “Fonds de Loods”. Door de beëindiging van de gemeentelijke schuldhulpverlening is deze mogelijkheid komen te vervallen.
7. In het kader van het vereiste spoedeisend belang heeft verzoeker aangevoerd dat een lopend gemeentelijk schuldhulpverleningstraject van belang kan zijn voor het alsnog voorkomen van woningontruiming via een hoger beroep tegen het ontruimingsvonnis en/of een executiegeschil. Het komt de voorzieningenrechter niet onaannemelijk voor dat een lopend gemeentelijk schuldhulpverleningstraject in deze procedures inderdaad een voor verzoeker gunstige invloed kan hebben. De voorzieningenrechter ziet hierin, en mede gelet op de dreigende ontruiming, aanleiding een spoedeisend belang aan te nemen. De voorzieningenrechter zal daarom beoordelen of het bestreden besluit naar verwachting stand zal kunnen houden in beroep.
8. Het college heeft de schuldenregeling beëindigd op grond van artikel 5, eerste lid, onder f, van de Beleidsregels: de schuldhulpverlening heeft geen kans van slagen door gebrek aan medewerking van één of meerdere schuldeisers. Het gaat hierbij om de verhuurder, die niet met het voorstel heeft ingestemd. Dat op zichzelf maakt echter nog niet dat de schuldhulpverlening geen kans van slagen heeft. Het college had bij de rechtbank immers een verzoek om een dwangakkoord kunnen indienen. De rechtbank wijst zo’n verzoek toe indien de schuldeiser in redelijkheid niet tot weigering van instemming met de schuldregeling heeft kunnen komen, in aanmerking genomen de onevenredigheid tussen het belang dat hij heeft bij uitoefening van de bevoegdheid tot weigering en de belangen van de schuldenaar of van de overige schuldeisers die door die weigering worden geschaad. In de praktijk worden dwangakkoorden vaak toegewezen als duidelijk voorgerekend is dat met het akkoord het uiterst mogelijke is aangeboden. Hierbij is van belang dat een gemeentelijk schuldsaneringstraject voor de schuldeisers financieel doorgaans gunstiger is dan een wettelijk schuldsaneringstraject. In dit geval hadden veertien van de vijftien schuldeisers ingestemd met het voorstel van het college. Het aandeel van de schuld aan de verhuurder bedroeg iets meer dan 11%. Naar voorlopig oordeel had onder deze omstandigheden het indienen van een verzoek om een dwangakkoord voor de hand gelegen.
9. De voorzieningenrechter kan niet vooruitlopen op het antwoord op de vraag of zo’n verzoek in dit geval ook zou zijn toegewezen. De voorzieningenrechter volgt het college echter niet in zijn standpunt dat op voorhand duidelijk was dat een verzoek geen kans van slagen had. Hierbij is van belang dat het voor het toewijzen van een verzoek om een dwangakkoord niet in alle gevallen een vereiste is dat de totale schuld al volledig vaststaat. Zo kan bijvoorbeeld een redelijke reservering worden getroffen, zeker in gevallen waarin een goede inschatting van de hoogte van de schuld kan worden gemaakt. Dit was ten aanzien van de eventuele proceskostenveroordeling naar voorlopig oordeel ook mogelijk, nog daargelaten de vraag of deze – destijds toekomstige – schuld niet hoe dan ook buiten het aangeboden akkoord zou vallen. Ten aanzien van de huurschuld zelf is van belang dat bij het voorstel dat het college aan de verhuurder had gedaan, was uitgegaan van de schuld die de verhuurder had opgegeven. In zoverre valt daarom niet in te zien waarom de lopende procedure aan een dwangakkoord in de weg zou staan. Ook is in dit licht de overweging van het college dat het indienen van een verzoek om een dwangakkoord niet bedoeld is om te bepalen of een schuld juridisch terecht is, niet goed navolgbaar. Overigens heeft verzoeker aannemelijk gemaakt dat het hem bij de verzetprocedure in wezen ging om het voorkomen van de dreigende ontruiming en niet om het weerspreken van de hoogte van de huurschuld.
10. De voorzieningenrechter heeft, kortom, gerede twijfel of het college zich met recht op het standpunt heeft gesteld dat de schuldhulpverlening geen kans van slagen heeft door een gebrek aan medewerking van de verhuurder.
11. Het college heeft er ook op gewezen dat verzoeker zich ertoe heeft verplicht geen nieuwe schulden te maken. Weliswaar bestond door het voorzetten van de verzetprocedure de mogelijkheid dat een nieuwe schuld zou ontstaan (de proceskostenveroordeling), maar dit rechtvaardigt naar voorlopig oordeel in de gegeven omstandigheden niet de beëindiging van de schuldenregeling. De voorzieningenrechter verwijst in dit verband naar wat hiervoor in 9 is overwogen. Verder is hierbij van belang dat de verzetprocedure voor verzoeker van groot belang was. Het ging immers om het behoud van zijn woning.
12. Het college heeft erop gewezen dat het college de belangen van de schuldeisers in het oog moet houden en dat een gemeentelijk schuldhulpverleningstraject daarom niet lichtvaardig kan worden goedgekeurd. De voorzieningenrechter overweegt hierover dat veertien van de vijftien schuldeisers hadden ingestemd met het voorstel en dat, zoals hiervoor is overwogen, een gemeentelijk schuldsaneringstraject voor de schuldeisers doorgaans gunstiger is dan een wettelijk schuldsaneringstraject. Mede gelet hierop is het de voorzieningenrechter niet gebleken dat de belangen van de schuldeisers zich tegen voorzetting van het schuldhulpverleningstraject verzetten.
13. Aan de beëindiging van de schuldhulpverlening is ook ten grondslag gelegd dat een artikel 285-verklaring is afgegeven. Verzoeker heeft hierover verklaard dat hij deze verklaring onder protest heeft aangevraagd, nadat hij had vernomen dat de schuldhulpverlening zou worden beëindigd. Ter zitting heeft het college verklaard dat de afgifte van de artikel 285-verklaring niet als zelfstandige beëindigingsgrond moet worden gezien. Daarom zal de voorzieningenrechter dit punt verder buiten beschouwing laten.
14. Gelet op wat hiervoor is overwogen, bestaat er gerede twijfel of het bestreden besluit in beroep stand zal kunnen houden. Gelet op de zwaarwegende belangen aan de kant van verzoeker, ziet de voorzieningenrechter daarom aanleiding het verzoek toe te wijzen. De voorzieningenrechter zal het bestreden besluit en het primaire besluit schorsen.
Conclusie en gevolgen
15. De voorzieningenrechter zal het verzoek toewijzen en het bestreden besluit en het primaire besluit schorsen tot twee weken na de bekendmaking van de uitspraak in beroep. Dit betekent dat het college de gemeentelijke schuldhulpverlening voorlopig zal moeten hervatten.
16. Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst, bepaalt hij dat het college aan verzoeker het door hem betaalde griffierecht van € 54,- moet vergoeden.
17. Niet gebleken is dat verzoeker proceskosten heeft gemaakt die voor vergoeding in aanmerking komen.
Beslissing
De voorzieningenrechter
-
schorst het bestreden besluit en het primaire besluit tot twee weken na de uitspraak in het beroep;
-
draagt het college op het door verzoeker betaalde griffierecht € 54,- te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Veling, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. D.J. Bes, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 10 juli 2026.
de griffier is verhinderd
de uitspraak te ondertekenen
|
griffier |
voorzieningenrechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Bijlage: - wettelijk kader
Wet gemeentelijke schuldhulpverlening
Artikel 7
1. De cliënt is verplicht aan het college desgevraagd de medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van deze wet.
[..]
Beleidsregels schulddienstverlening Rotterdam 2024
Artikel 3, tweede lid
Bij de afweging over de noodzakelijkheid en de inhoud van een aanbod schuldhulpverlening aan een inwoner, kan het college de volgende factoren betrekken:
a. de doelmatigheid van de ondersteuning met het oog op de aard, zwaarte en omvang van de schulden en de regelbaarheid van deze schulden;
b. inkomsten en uitgaven;
c. de mate van redzaamheid en de financiële vaardigheden van de inwoner;
d. de mate van medewerking van de inwoner;
e. de oorzaak van het ontstaan van de schuldenlast.
Artikel 4
De medewerking, bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de wet kan betrekking hebben op:
a. het nakomen van gemaakte afspraken en, indien van toepassing, nadere, schriftelijk opgelegde individuele verplichtingen;
b. het tijdig verschijnen op afspraken;
c. de inspanning om het inkomen te verhogen, alsmede de uitgaven te verminderen en deze inspanning aantoonbaar te maken;
d. het niet aangaan van nieuwe schulden vanaf het moment dat het eerste gesprek, als bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de wet heeft plaatsgevonden;
e. het tijdig betalen van de vaste lasten;
f. het verkopen van bezittingen die niet noodzakelijk zijn en de opbrengst inzetten ten behoeve van vermindering van de schuldenlast;
g. het meewerken aan dienstverlening door instanties die het schuldhulpverleningstraject ondersteunen;
h. het meewerken aan het oplossen of verminderen van psychosociale of verslavingsproblematiek als dit noodzakelijk is om de schuldhulpverlening succesvol af te kunnen ronden of om terugval met betrekking tot de genoemde problematiek te voorkomen;
i. het deelnemen aan een traject gericht op financiële redzaamheid als dit noodzakelijk is om de schuldhulpverlening succesvol af te kunnen ronden of om terugval met betrekking tot de financiële redzaamheid te voorkomen;
j. de voor de schuldhulpverlening van belang zijnde informatie door de gemeente te doen inwinnen bij en te verstrekken aan ketenpartners;
k. het nalaten van hetgeen de voortgang van de schuldhulpverlening belemmert;
l. het gevraagd en ongevraagd verstrekken van juiste en volledige informatie en bewijsstukken die redelijkerwijs van belang kunnen zijn voor de schuldhulpverlening, voor zover gegevens over deze feiten en omstandigheden niet door het college kunnen worden verkregen, waaronder in ieder geval wordt verstaan wijzigingen in gezinssamenstelling, burgerlijke staat of woonsituatie en wijzigingen in inkomsten, uitgaven, bezittingen en schulden;
m. het in voldoende mate bereid zijn tot het inzetten van de maximale afloscapaciteit voor de aflossing van de schulden;
n. het tentoonspreiden van, naar algemeen aanvaarde maatschappelijke normen gemeten, correct gedrag jegens medewerkers van de gemeente Rotterdam of van een organisatie die tevens bij de schuldhulpverlening is betrokken.
Artikel 5, eerste lid, onder a, f en h
Het college kan besluiten de schuldhulpverlening af te wijzen of te beëindigen indien:
a. de cliënt niet voldoet aan de verplichtingen, bedoeld in artikel 4 of zoals opgenomen in het plan van aanpak, nadat cliënt een redelijke termijn is geboden om aan genoemde verplichtingen te voldoen;
[..]
f. schuldhulpverlening geen kans van slagen heeft door gebrek aan medewerking van één of meerdere schuldeisers;
[..]
h. een verklaring als bedoeld in artikel 285, eerste lid, onderdeel f, van de Faillissementswet is afgegeven;
[..]