Arbeidsrecht
Arbeidszaak. Ontbinding arbeidsovereenkomst door de kantonrechter, gecombineerd met een regeling tussen partijen.
Rechtbank Rotterdam, 15 februari 2023
ECLI:NL:RBROT:2023:1509 · Rechtbank Rotterdam · 15 februari 2023
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-rotterdam/civiel-recht/arbeidsrecht/beschikking/ecli-nl-rbrot-2023-1509
Zaakgegevens
Op 15 februari 2023 heeft de Rechtbank Rotterdam uitspraak gedaan in een zaak over arbeidsrecht.
- Instantie
- Rechtbank RotterdamRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Rotterdam
- Datum uitspraak
- 15 februari 2023
- Datum publicatie
- 23 februari 2023
- Zaaknummer
- KTN-10196646_150223
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Arbeidsrecht
- Procedure
- BeschikkingBeschikkingEen beslissing van de rechter in een zaak die met een verzoekschrift is begonnen, zoals een echtscheiding of faillissement.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBROT:2023:1509
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Arbeidszaak. Ontbinding arbeidsovereenkomst door de kantonrechter, gecombineerd met een regeling tussen partijen.
Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
locatie Rotterdam
zaaknummer: 10196646 VZ VERZ 22-13947
datum uitspraak: 15 februari 2023
Beschikking van de kantonrechter
in de zaak van:
Stichting Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond ,
gevestigd te Rotterdam,
verzoekster,
gemachtigde: mr. L. van de Vrugt
tegen
[verweerder01] ,
wonende te [woonplaats01] ,
verweerder,
gemachtigde: mr. D.J. Moll.
De partijen worden hierna ‘JBRR’ en ‘ [verweerder01] ’ genoemd.
1. De procedure
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
-
het verzoekschrift van 16 november 2022, met bijlagen
-
het verweerschrift met bijlagen;
-
de pleitnotities van de gemachtigde van JBRR.
Op 25 januari 2023 is de zaak tijdens een mondelinge behandeling besproken. Daarbij waren aanwezig [naam01] en [naam02] , 1eidinggevende respectievelijk HR-manager bij JBRR, met mr. Van de Vrugt, en [verweerder01] en zijn echtgenote, met
mr. MoIl.
Partijen hebben op de mondelinge behandeling een overeenkomst gesloten, die is vastgelegd in een proces-verbaal.
Bij e-mailbericht van 8 februari 2023 heeft mr. Moll de kantonrechter meegedeeld dat partijen na de mondelinge behandeling opnieuw in overleg zijn getreden en zijn overeengekomen dat de datum van beëindiging van het dienstverband 1 april 2023 moet worden, in plaats van 1 maart 2023. Verzocht is de eerder overeengekomen regeling en de gewijzigde einddatum van de arbeidsovereenkomst vast te leggen in een uit te spreken ontbinding. Te kennen is gegeven dat de e-mail ook verzonden is namens mr. Van de Vrugt voor JBRR, die in de cc is meegenomen.
2. De beoordeling
De kantonrechter merkt voormeld e-mailbericht van 8 februari 2023 aan als een schriftelijke verklaring aan de werkgever als bedoeld in artikel 7:670b lid 2 BW, zij het dat het slechts om een gedeeltelijke ontbinding gaat van de overeenkomst die partijen op
25 januari 2023 hebben gesloten.
Daarnaar gevraagd hebben partijen bevestigd dat zij willen dat hun arbeidsovereenkomst ontbonden wordt per 1 april 2023 en dat JBRR bereid is om aan [verweerder01] zijn loon te betalen tot die latere datum, met instandhouding van wat zij verder hebben afgesproken.
Gelet hierop wordt het volgende overwogen.
JBRR heeft haar standpunt gewijzigd en verzoekt de kantonrechter de arbeidsovereenkomst te ontbinden per 1 april 2023 omdat sprake is van een verstoorde arbeidsverhouding. Volgens JBRR is dit niet aan [verweerder01] te wijten.
[verweerder01] heeft eerst verweer gevoerd tegen ontbinding van de arbeidsovereenkomst, maar ontkent niet langer dat de arbeidsverhouding is verstoord.
De kantonrechter stelt vast dat partijen het er over eens zijn dat de arbeidsverhouding is verstoord en dat het daardoor niet meer mogelijk is om samen te werken. Dit is een redelijke grond en herplaatsing ligt niet voor de hand (artikel 7:669 lid 1 en 3 sub g BW).
Er is geen sprake van een opzegverbod. Daarom wordt de arbeidsovereenkomst ontbonden (artikel 7:671b lid 1 onder a en lid 2 BW). De einddatum wordt vastgesteld op 1 april 2023, rekening houdend met de opzegtermijn van twee maanden en de duur van de procedure die in mindering wordt gebracht (artikel 7:671b lid 9 onder a BW).
Met inachtneming van het vorenstaande en wat partijen op 25 januari 2023 zijn overeengekomen en nog steeds gestand willen doen, begrijpt de kantonrechter dat tussen hen de volgende afspraken (blijven) gelden, zodat - met uitzondering van de gevraagde ontbinding - hierover geen beslissing hoeft te worden genomen:
1. Tot de datum van ontbinding van de arbeidsovereenkomst wordt [verweerder01] vrijgesteld van werk.
2. JBRR draagt zorg voor betaling van het salaris inclusief 8% vakantietoeslag tot
1 april 2023 alsmede de pro rata eindejaarsuitkering.
3. [verweerder01] wordt geacht de opgebouwde vakantiedagen genoten te hebben.
4. JBRR betaalt aan [verweerder01] € 34.666,- bruto in plaats van de transitievergoeding als bedoeld in artikel 7:673 BW.
5. JBRR verstrekt aan [verweerder01] een positief getuigschrift en positieve referenties.
6. JBRR betaalt aan [verweerder01] € 8.000,- inclusief btw aan kosten rechtsbijstand, welk bedrag rechtstreeks zal worden betaald aan mr. Moll, na toezending van zijn factuur. Partijen zullen verder ieder de eigen kosten dragen.
7. Na afwikkeling van het vorenstaande verklaren partijen dat zij ter zake van de arbeidsovereenkomst en/of de beëindiging daarvan niets meer van elkaar te vorderen hebben en partijen verlenen elkaar ter zake over en weer finale kwijting.
Gelet op het vorenstaande wordt het meer of anders verzochte door partijen afgewezen.
Deze beschikking wordt, zoals verzocht, uitvoerbaar bij voorraad verklaard.