Civiel recht overig
Kort geding. Burengeschil. Nakoming vaststellingsovereenkomst. Veroordeling tot intrekking beroepsprocedure…
Rechtbank Rotterdam, 5 juni 2025
ECLI:NL:RBROT:2025:7645 · Rechtbank Rotterdam · 5 juni 2025
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-rotterdam/civiel-recht/civiel-recht-overig/kort-geding/ecli-nl-rbrot-2025-7645
Zaakgegevens
Op 5 juni 2025 heeft de Rechtbank Rotterdam in kort geding uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.
- Instantie
- Rechtbank RotterdamRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Rotterdam
- Datum uitspraak
- 5 juni 2025
- Datum publicatie
- 30 juni 2025
- Zaaknummer
- C/10/695814 / KG ZA 25-209
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Civiel recht overig
- Procedure
- Kort gedingKort gedingEen snelle procedure bij de voorzieningenrechter voor spoedeisende zaken, met een voorlopig oordeel.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBROT:2025:7645
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Kort geding. Burengeschil. Nakoming vaststellingsovereenkomst. Veroordeling tot intrekking beroepsprocedure (handhavingsprocedure).
Uitspraak
[afbeelding niet beschikbaar] [afbeelding niet beschikbaar]vonnis
RECHTBANK ROTTERDAM
Team handel en haven
zaaknummer / rolnummer: C/10/695814 / KG ZA 25-209
Vonnis in kort geding van 5 juni 2025
in de zaak van
1 [eiser 1] ,
2. [eiser 2],
beiden wonende te Zwijndrecht,
eisers,
advocaat mr. M.J. Goedhart te Rotterdam,
tegen
1 [gedaagde 1] ,
2. [gedaagde 2],
beiden wonende te Zwijndrecht,
gedaagden,
advocaat mr. W.F. Schovers te Prinsenbeek.
Partijen worden hierna [eisers] en [gedaagden] genoemd.
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
-
de dagvaarding van 23 april 2025 met producties 1 tot en met 11
-
productie 12 van [eisers]
-
de conclusie van antwoord
-
de mondelinge behandeling gehouden op 21 mei 2025
-
de pleitnota van [eisers]
2 De feiten
[eisers] en [gedaagden] zijn buren van elkaar. [eisers] wonen aan [adres 1] . [gedaagden] wonen aan [adres 2] .
Sinds 2009 bestaan tussen partijen verschillende conflicten over (o.a.) de aanwezigheid van (een jacuzzi in) het tuinhuis en de fietsenschuur in de tuin van [eisers] Die conflicten hebben geleid tot verschillende bestuursrechtelijke en civielrechtelijke procedures en aangiftes.
De eerste tussen partijen gevoerde civiele procedure is in 2013 in hoger beroep bij het hof Den Haag geëindigd in een vaststellingsovereenkomst (hierna: de vso). De vso is vastgelegd in het proces-verbaal van 7 november 2013. In de vso staat, voor zover thans relevant, het volgende:
“1. (…) [gedaagden] stemmen ermee in dat het tuinhuis blijft staan op de plaats waar het nu staat in de huidige vorm en met de huidige kenmerken.
(…)
8. Partijen zullen binnen een maand na heden alle op dit moment tussen hen aanhangige/door hen gestarte procedures beëindigen/intrekken en niet meer hervatten. (…)”
Nadien hebben [gedaagden] bij dagvaarding van 1 juli 2021 een tweede civiele procedure tegen [eisers] aanhangig gemaakt, waarin onder meer (weer) de aanwezigheid van (een jacuzzi in) het tuinhuis en de (brand)veiligheidseisen aan de orde zijn gesteld. Deze procedure heeft geleid tot het op 20 april 2022 gewezen vonnis waarin de bodemrechter de vorderingen van [gedaagden] op het punt van (de jacuzzi in) het tuinhuis heeft afgewezen. Voor zover relevant staat in dat vonnis het volgende:
[afbeelding niet beschikbaar] [afbeelding niet beschikbaar] [afbeelding niet beschikbaar][gedaagden] hebben hoger beroep tegen dit vonnis ingesteld. In het hoger beroep hebben zij zich onder meer beroepen op rapporten van Ingenieursbureau Bartosz B.V. van 7 juni 2022 en 8 november 2022, om te onderbouwen dat het tuinhuis niet aan de normen van het Bouwbesluit voldoet. Het vonnis van 20 april 2022 is bij arrest van 10 oktober 2023 bekrachtigd. Relevant in het kader van deze procedure zijn de overwegingen 6.6 tot en met 6.9 in dat arrest. Samengevat heeft het hof geoordeeld dat:
? van een wijziging van de vorm en kenmerken van het tuinhuis ten opzichte van de situatie in 2013, geen sprake is, ook niet door de plaatsing van de jacuzzi in het tuinhuis;
? omdat partijen een afspraak hebben gemaakt over het handhaven van het tuinhuis [gedaagden] daarvan niet opnieuw verwijdering kunnen vorderen en evenmin de vermeende brandgevaarlijkheid daarvan opnieuw ter discussie kunnen stellen;
? de rapporten van Bartosz onvoldoende bewijs vormen voor de stelling van [gedaagden] dat het tuinhuis niet voldoet aan de daarvoor geldende regelgeving en daarom brandgevaarlijk is;
? het aanwezig hebben van de jacuzzi in het tuinhuis geen gevaarzetting oplevert en dus geen onrechtmatige daad van [eisers] jegens [gedaagden] is.
Tegen het arrest is geen cassatie ingesteld. Het arrest is in kracht van gewijsde gegaan.
[gedaagden] hebben in 2011 een eerste handhavingsprocedure tegen [eisers] aanhangig gemaakt die ingevolge de afspraken in de vso is ingetrokken.
Op 17 februari 2024 hebben [gedaagden] een tweede handhavingsverzoek ingediend bij het college van B&W van de gemeente Zwijndrecht. De inzet van die procedure was handhaving op de aanwezigheid van (een jacuzzi in) het tuinhuis in de tuin van [eisers] met het argument dat het tuinhuis niet aan de normen zou voldoen. Ook in deze procedure hebben [gedaagden] zich beroepen op de rapporten van Bartosz. Bij besluit van 9 april 2024 van de gemeente Zwijndrecht is het verzoek tot handhaving afgewezen. De motivering luidt als volgt:
[gedaagden] hebben tegen het besluit van 9 april 2024 bezwaar gemaakt. Dat bezwaar is op 5 november 2024 ongegrond verklaard. Samengevat is de afwijzing van het handhavingsverzoek als volgt gemotiveerd:
? in het handhavingsverzoek van 17 februari 2024 heeft [gedaagden] geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden aangedragen, waardoor er sprake is van een herhaalde aanvraag. Dat is in strijd met artikel 4.6 Awb;
? er is geen sprake van een overtreding van na 1 januari 2024 geldende wet- en regelgeving (de Omgevingswet en het Besluit bouwwerken leefomgeving). Het college kan dan niet handhavend optreden.
De advocaat van [eisers] heeft de advocaat van [gedaagden] in het licht van de nakoming van artikel 8 van de vso bij brief van 13 november 2024 verzocht om te stoppen met procederen. [gedaagden] en hun advocaat hebben hierop bij respectieve e-mails van 14 en 22 november 2024 afwijzend gereageerd.
[gedaagden] hebben bij beroepschrift van 16 december 2024 (met bijlagen) bij deze rechtbank tegen het besluit van de gemeente Zwijndrecht van 5 november 2024 beroep ingesteld, bekend onder zaaknummer ROT 24 /11493 OWHAND.
[eisers] zijn in de bestuursrechtelijke procedure in alle instanties als belanghebbenden betrokken.
3 Het geschil
[eisers] vorderen om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
1. [gedaagden] hoofdelijk te veroordelen om de beroepsprocedure, bij de rechtbank
Rotterdam bekend onder zaaknummer ROT 24 /11493 OWHAND in te trekken, de
handhavingsprocedure daardoor te staken en ook gestaakt te houden, en wel binnen 72 uur na het betekenen van het ten deze te wijzen vonnis, en voorts om geen nieuwe (bestuursrechtelijke, civielrechtelijke of strafrechtelijke) procedures te starten die
betrekking hebben op de aanwezigheid van het tuinhuis met jacuzzi en de fietsschuur op
het perceel van [eisers] , zulks op straffe van een dwangsom van € 1.000,00 per dag of een gedeelte van een dag dat aan deze veroordeling geen gevolg wordt gegeven;
2. [gedaagden] (hoofdelijk) te veroordelen in de kosten van deze procedure, te vermeerderen met wettelijke rente.
[gedaagden] voeren verweer. Zij concluderen tot niet-ontvankelijkheid, dan wel (primair) afwijzing van de vordering van [eisers] , met (hoofdelijke) veroordeling van [eisers] in de kosten van deze procedure, te vermeerderen met wettelijke rente, en indien en voor zover de vordering van [eisers] wordt toegewezen, matiging van een op te leggen dwangsom.
4 De beoordeling
Bij de beoordeling van de vordering van [eisers] , die feitelijk tot nakoming van de vso strekt, geldt als uitgangspunt dat voor toewijzing daarvan in kort geding slechts plaats is indien voldoende aannemelijk is dat de vordering in de bodemprocedure een zodanige kans van slagen heeft, dat vooruitlopend daarop toewijzing van de voorlopige voorziening gerechtvaardigd is. Daarbij geldt als beperkende factor dat in deze procedure geen plaats is voor bewijslevering; de voorzieningenrechter zal op basis van hetgeen haar voorshands aannemelijk voorkomt, moeten beslissen of voldoende grondslag bestaat voor de gevorderde voorziening.
Anders dan [gedaagden] menen, hebben [eisers] bij hun vordering, gelet op de aard en de gestelde grondslag daarvan, voldoende spoedeisend belang. Dat is niet komen te vervallen doordat sinds het door [gedaagden] bij deze rechtbank indienen van het beroepschrift op 16 december 2024 enige tijd is verstreken.
Niet ter discussie staat dat de vso met voornoemde inhoud tot stand is gekomen. Evenmin staat ter discussie, ook in rechte niet, dat het tuinhuis met daarin een jacuzzi, nog dezelfde vorm en kenmerken heeft als tijdens het sluiten van de vso. In dit kort geding vragen [eisers] feitelijk naleving van artikel 8 van de vso. Dat artikel bevat volgens [eisers] , zo begrijpt de voorzieningenrechter hen, een voortdurend procedeerverbod dat [gedaagden] met het recent starten van het beroep in de handhavingsprocedure hebben geschonden. Omdat [gedaagden] door middel van de vso hebben ingestemd 1) met de aanwezigheid van het tuinhuis en de fietsenschuur in de tuin van [eisers] en 2) met het staken en gestaakt houden van gerechtelijke procedures, terwijl, zoals geoordeeld is in meerdere procedures in meerdere instanties, geen sprake is van rechtens relevante nieuwe feiten, streven [gedaagden] met het starten van de handhavingsprocedure geen rechtens te respecteren doel na en handelen zij onrechtmatig jegens [eisers] , aldus [eisers]
[gedaagden] verweren zich daartegen met de stelling dat artikel 8 van de vso geen voortdurend procedeerverbod bevat. De toen aanhangige procedures zijn gestaakt en niet hervat. De nieuwe handhavingsprocedure is op nieuwe gegevens gebaseerd en niet kansloos. Zij maken geen misbruik van procesbevoegdheid, omdat zij op gerechtvaardigde gronden procederen, aldus [gedaagden]
De voorzieningenrechter stelt voorop dat een onbelemmerde toegang tot de rechter tot de grondbeginselen van de rechtsstaat behoort en rechtzoekenden een zodanig fundamenteel recht daartoe verschaft, dat een (zeker een in de tijd onbegrensd) verbod tot procederen slechts kan worden toegewezen onder uitzonderlijke omstandigheden. [eisers] vorderen in de kern wel een dergelijk verbod, omdat bij toewijzing van de gevraagde veroordeling tot nakoming van artikel 8 van de vso het beroep in de bestuursrechtelijke handhavingsprocedure wordt beëindigd en het starten van nieuwe civielrechtelijke, bestuursrechtelijke en strafrechtelijke procedures over het tuinhuis (en de fietsenschuur, die hierna niet steeds apart wordt genoemd) wordt verboden.
Die vordering gaat te ver, maar het eerste deel van de vordering dat ziet op de handhavingsprocedure zal worden toegewezen, op de volgende gronden.
In de vso is naar het oordeel van de voorzieningenrechter door [gedaagden] niet volledig afstand gedaan van het fundamentele recht tot onbelemmerde toegang tot de rechter waar het gaat om geschillen betreffende het tuinhuis. Dat hadden partijen kunnen doen door dit expliciet daarin te vermelden. Dit hebben zij nagelaten. Gelet op de aard van het bedoelde fundamentele recht kan de vso dus niet zo worden uitgelegd dat het [gedaagden] na het sluiten van de vso op geen enkel moment en onder geen enkele omstandigheid zouden zijn toegestaan om over het tuinhuis een procedure aanhangig te maken.
Anderzijds is wel duidelijk de bedoeling geweest dat [gedaagden] de aanwezigheid van het tuinhuis definitief zouden accepteren en dat zij de met die vso afgesloten geschillen geen nieuw leven zouden inblazen.
Tegen deze achtergrond beroepen [gedaagden] zich erop dat zij zich in de handhavingsprocedure baseren op nieuwe omstandigheden en dat de vso onder invloed van dwaling is gesloten. [gedaagden] relateren dit aan de volgende omstandigheden: 1) het door hen bij herhaling van de gemeente Zwijndrecht verkrijgen van gebrekkige informatie, 2) de veranderde normen (in het Bouwbesluit 2003, 2012, de Omgevingswet en het Besluit bouwwerken leefomgeving) en 3) het nieuw(st)e rapport van Bartosz, waaruit het bestaan van brandveiligheidsrisico’s volgt.
Een vso als deze is bedoeld om een einde te maken aan de rechtsstrijd en aan de onzekerheid over de rechtsposities van partijen. De dwaling waarop [gedaagden] zich beroepen is in feite rechtsdwaling. De vso is gesloten ten overstaan van het hof terwijl beide partijen werden bijgestaan door advocaten. De eventuele rechtsdwaling komt in die situatie zonder meer voor eigen rekening van [gedaagden] en kan geen grond zijn om zich niet aan de vso te houden. Dat de gemeente mogelijk gebrekkige informatie heeft verstrekt is niet gebleken, maar kan bovendien [eisers] niet worden aangerekend. De gestelde nieuwe omstandigheden en de daarop gebaseerde argumenten waarop [gedaagden] zich beroepen zijn in het onder 2.5 genoemde, in kracht van gewijsde gegane, arrest van het hof gewogen en te licht bevonden. Van de juistheid van dat oordeel moet dus nu worden uitgegaan. De onder 2.8 genoemde beslissing op bezwaar is daarmee in lijn. Het nieuwste rapport van Bartosz bevat naar voorlopig oordeel, mede gelet op de daaraan klevende beperkingen, geen wezenlijk nieuwe gezichtspunten.
Dat betekent dat er geen sprake van is dat gebondenheid aan de vso naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn (art. 7:904 BW), dat [gedaagden] dus gebonden zijn aan de vso en dat het doorzetten van de huidige beroepsprocedure tegen die achtergrond daarmee in strijd is. Dat niet geheel en zonder meer uit te sluiten valt dat de bestuursrechter in beroep anders aankijkt tegen de argumentatie van [gedaagden] , is niet voldoende voor een ander oordeel. [gedaagden] kunnen of willen kennelijk niet leven met de consequenties van de door hen zelf gesloten vso, maar het is in strijd met de maatschappelijke zorgvuldigheid en dus onrechtmatig dat zij in strijd met die vso iedere kleine kans aangrijpen om in de kern hetzelfde geschil nogmaals aan de rechter voor te leggen, zeker nu [eisers] last hebben van de door [gedaagden] gevoerde procedure, met alle stress en kennelijk kosten van dien.
De vordering wordt daarom toegewezen voor zover het gaat om het eerste deel daarvan. De daarbij gevorderde dwangsom wordt beperkt tot € 100,00 per dag(deel) en gemaximeerd toegewezen.
Het tweede deel van de vordering, een verbod om gedurende onbepaalde tijd in de toekomst nieuwe procedures van diverse aard te starten, is niet toewijsbaar. Dat komt neer op een veel te ruim procedeerverbod.
Partijen zijn als buren in zekere zin tot elkaar veroordeeld. Het zou partijen, en in het bijzonder [gedaagden] , omdat zij het zijn die keer op keer een procedure starten, sieren om aan deze situatie een einde te maken. Daarbij zou nog een poging tot mediation (al dan niet via het Bureau Overlast van de gemeente) hen kunnen helpen. [eisers] hebben ter zitting weliswaar aangegeven vanwege een gebrek aan vertrouwen daarvoor niet open te staan, maar dat behoeft hen en [gedaagden] er niet van te weerhouden, zulks met het oog op de blijvende burenrelatie en de toekomst, om alsnog in te stemmen met een mediationtraject.
Omdat partijen over en weer in het ongelijk zijn gesteld, ziet de voorzieningenrechter aanleiding de proceskosten tussen hen te compenseren.
5 De beslissing
De voorzieningenrechter
veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk om de beroepsprocedure, bij de rechtbank Rotterdam bekend onder zaaknummer ROT 24 /11493 OWHAND, in te trekken binnen 72 uur na het betekenen van dit vonnis en de handhavingsprocedure daardoor te staken en ook gestaakt te houden, op straffe van een dwangsom van € 100,00 per dag of een gedeelte van een dag dat aan deze veroordeling geen gevolg wordt gegeven, met een maximum aan te verbeuren dwangsommen van € 25.000,00,
compenseert de proceskosten tussen partijen in de zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. P.F.G.T. Hofmeijer-Rutten en in het openbaar uitgesproken op 5 juni 2025.1734/106