Civiel recht overig
Kort geding. Ontruiming. Verstek. Toewijzing. Langere ontruimingstermijn in verband met de belangen van het…
Rechtbank Rotterdam, 3 juli 2026
ECLI:NL:RBROT:2026:9372 · Rechtbank Rotterdam · 3 juli 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-rotterdam/civiel-recht/civiel-recht-overig/kort-geding/ecli-nl-rbrot-2026-9372
Zaakgegevens
Op 3 juli 2026 heeft de Rechtbank Rotterdam in kort geding uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.
- Instantie
- Rechtbank RotterdamRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Rotterdam
- Datum uitspraak
- 3 juli 2026
- Datum publicatie
- 30 juli 2026
- Zaaknummer
- C/10/721190 / KG ZA 26-570
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Civiel recht overig
- Procedure
- Kort gedingKort gedingEen snelle procedure bij de voorzieningenrechter voor spoedeisende zaken, met een voorlopig oordeel.Meer uitleg
- Advocaat
- mr. L. Rijsdam
- ECLI
- ECLI:NL:RBROT:2026:9372
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Kort geding. Ontruiming. Verstek. Toewijzing. Langere ontruimingstermijn in verband met de belangen van het kind. Artikel 3 IVRK.
Uitspraak
RECHTBANK Rotterdam
Team handel en haven
Zaaknummer: C/10/721190 / KG ZA 26-570
Vonnis in kort geding van 3 juli 2026
in de zaak van
[eiseres]
,
wonend in [woonplaats 1] ,
eiseres,
advocaat: mr. L. Rijsdam,
tegen
[gedaagde] ,
wonend in [woonplaats 2] ,
gedaagde,
niet verschenen.
1 De procedure
Het dossier bestaat uit de dagvaarding van 19 juni 2026, met producties 1 tot en met 6. De mondelinge behandeling vond plaats op 29 juni 2026.
2 De beoordeling
In de dagvaarding zijn de wettelijk voorgeschreven formaliteiten in acht genomen, zodat tegen gedaagde verstek wordt verleend.
Het voor toewijzing van een vordering in kort geding vereiste spoedeisend belang volgt uit de stellingen van eiseres.
De vordering komt de voorzieningenrechter niet onrechtmatig of ongegrond voor en wordt toegewezen, met dien verstande dat de ontruimingstermijn wordt bepaald op veertien dagen na betekening van dit vonnis. Omdat gedaagde met een minderjarig kind van zes jaar in de woning woont, moeten de belangen van het kind op grond van artikel 3 IVRK een eerste overweging vormen van die termijn. Gelet op de aanvang van de zomervakantie van de basisschool op 23 juli 2026, acht de voorzieningenrechter een ontruimingstermijn van drie weken na betekening daarom passend.
De voorzieningenrechter ziet aanleiding om af te wijken van het uitgangspunt dat de proceskosten tussen familieleden worden gecompenseerd. Gedaagde heeft, hoewel hij daartoe meermaals is aangeschreven, geen uitvoering gegeven aan het vonnis van 21 januari 2026 van deze rechtbank (710962 HA ZA 25-1037), waarin hij onder meer is veroordeeld om zijn medewerking te verlenen aan de overdracht en levering van de woning aan eiseres, dan wel – indien eiseres de woning niet kan overnemen – aan een derde. Als gevolg van het uitblijven van die medewerking was eiseres genoodzaakt om deze procedure aanhangig te maken en (nogmaals) ontruiming van de woning te vorderen. Gedaagde moet daarom de proceskosten van eiseres betalen.
De proceskosten (inclusief nakosten) van eiseres worden begroot op:
|
- kosten van de dagvaarding |
€ |
153,02 |
|
|
- griffierecht |
€ |
341,00 |
|
|
- salaris advocaat |
€ |
760,00 |
|
|
- nakosten |
€ |
189,00 |
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) |
|
Totaal |
€ |
1.443,02 |
3 De beslissing
De voorzieningenrechter
verleent verstek tegen de niet verschenen gedaagde;
veroordeelt gedaagde om de woning aan [adres] te ( [postcode] ) [plaats] binnen drie weken na betekening van dit vonnis te ontruimen, met medeneming van al zijn personen en zaken, en de woning in lege en behoorlijke staat ter beschikking te stellen aan eiseres;
veroordeelt gedaagde in de proceskosten van € 1.443,02, te vermeerderen met
€ 98,00 plus de kosten van betekening voor het geval het vonnis wordt betekend;
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. P. de Bruin en in het openbaar uitgesproken op 3 juli 2026.
[3894/2009]