Civiel recht overig

Proces-verbaal mondelinge uitspraak artikel 30p Rv inzake verzoek zorgregeling.

Rechtbank Rotterdam, 2 juni 2022

Zaakgegevens

Op 2 juni 2022 heeft de Rechtbank Rotterdam uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Zittingsplaats
Rotterdam
Datum uitspraak
2 juni 2022
Datum publicatie
17 juni 2022
Zaaknummer
C/10/630486 / FA RK 21-9426
Procedure
Proces-verbaal
ECLI
ECLI:NL:RBROT:2022:4832
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Proces-verbaal mondelinge uitspraak artikel 30p Rv inzake verzoek zorgregeling.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team familie

Zaaknummer / rekestnummer: C/10/630486 / FA RK 21-9426

Verkort proces-verbaal van de mondelinge behandeling met gesloten deuren door de enkelvoudige kamer van de rechtbank te Rotterdam, gehouden op 2 juni 2022.

Tegenwoordig:

mr. A. Lablans, rechter, tevens kinderrechter,

mr. L. Timmermans, griffier.

De rechtbank gaat over tot de behandeling van de zaak van:

[naam man] , hierna: de man,

wonende te [woonplaats] , gemeente [gemeente] ,

- t e g e n -

[naam vrouw] , hierna: de vrouw

wonende te [woonplaats] .

Deze zaak betreft de minderjarige:

- [naam minderjarige] geboren op [geboortedatum minderjarige] 2016 te [geboorteplaats minderjarige] ;

Na uitroeping van de zaak zijn verschenen:

  • de vrouw;

  • de raad voor de kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht (hierna: de raad), vertegenwoordigd door [persoon A] .

De man is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet ter zitting verschenen.

De vrouw en de raad zijn door de rechtbank gehoord.

De man verzoekt een regeling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (hierna: zorgregeling) vast te stellen, inhoudende dat hij elke week omgang met de minderjarige heeft van zaterdag 17:00 uur tot zondag 17:00 uur.

Op grond van artikel 1:253a BW kan de rechtbank op verzoek van de gezaghebbende ouders of een van hen een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken vaststellen alsmede, met overeenkomstige toepassing van artikel 1:377a lid 3 BW, een tijdelijk verbod aan een ouder opleggen om met het kind contact te hebben indien:

  1. dat omgang ernstig nadeel zou opleveren voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van het kind, of

  2. de ouder kennelijk ongeschikt of kennelijk niet in staat moet worden geacht tot omgang, of

  3. het kind dat twaalf jaren of ouder is, bij zijn verhoor van ernstige bezwaren tegen omgang met zijn ouder heeft doen blijken, of

  4. omgang anderszins in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind.

De vrouw verklaart dat zij het contact tussen de man en de minderjarige niet in de weg staat, maar dat de man de laatste twee afspraken niet is verschenen. De laatste twee afspraken dateren van drie of vier maanden geleden. De vrouw zou graag zien dat de man initiatief neemt voor omgang met de minderjarige. Verder heeft de vrouw verklaard dat uitoefening van het gezamenlijk gezag soms lastig is, maar dat ze zich tot op heden weet te redden.

De advocaat van de man heeft de rechtbank op 28 maart 2022 bericht niet langer voor de man op te treden. Nadien heeft zich geen nieuwe advocaat voor de man gesteld. De man is tweemaal niet verschenen ter zitting.

De beslissing

De rechtbank wijst het verzoek van de man af. De gang van zaken rond het ingediende verzoek en de verklaring van de vrouw roepen de vraag op of de man in staat is om afspraken na te komen. Een regeling vastleggen zonder dat besproken is of de man in staat is om deze na te komen, acht de rechtbank niet in het belang van het kind.

Tegen deze beslissing kan, voor zover er definitief is beslist, door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Den Haag. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen.