Insolventierecht

Verzoeker heeft een verzoekschrift ingediend strekkende tot opheffing van zijn faillissement onder het…

Rechtbank Rotterdam, 15 september 1999

Zaakgegevens

Op 15 september 1999 heeft de Rechtbank Rotterdam in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over insolventierecht.

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
15 september 1999
Datum publicatie
4 april 2013
Zaaknummer
99/532
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBROT:1999:AF0442
E-mail

Samenvatting

Verzoeker heeft een verzoekschrift ingediend strekkende tot opheffing van zijn faillissement onder het gelijktijdig van toepassing verklaren van de schuldsaneringsregeling. De fiscus heeft naar aanleiding van uitgevoerde controles een tweetal naheffingsaanslagen aan verzoeker opgelegd. Het betreft hier aanslagen omzetbelasting op nihilaangiftes. Volgens verzoeker zijn de aanslagen het gevolg van onjuist uitgevoerde werkzaamheden van zijn accountants.

De rechtbank is van oordeel dat verzoeker niet als te goeder trouw kan worden aangemerkt ten aanzien van het ontstaan en onbetaald laten van de schuld aan de fiscus.

Uitspraak

Arrondissementsrechtbank Rotterdam

Enkelvoudige kamer

X.,

wonende te Y.,

verzoeker,

heeft een verzoekschrift ingediend strekkende tot opheffing van zijn faillissement onder het gelijktijdig van toepassing verklaren van de schuldsaneringsregeling.

Verzoeker en mr. B.K.A. van Rijsbergen, kantoorgenoot van de curator in het faillissement van verzoeker, zijn ter terechtzitting van 15 september 1999 gehoord.

Uit het faillissementsdossier van verzoeker, alsmede uit het verhandelde ter terechtzitting, waaronder de verklaring van verzoeker is het volgende gebleken.

Het totale schuldenpakket van verzoeker bedraagt circa fl. 297.000,00 waarvan circa fl. 278.000,00 aan preferente schuldeisers. Namens de curator is een schriftelijk negatief advies uitgebracht. Mr. Van Rijsbergen heeft ter zitting verklaard dat de fiscus naar aanleiding van uitgevoerde controles in 1995 en 1996 een tweetal naheffingsaanslagen aan verzoeker heeft opgelegd van in totaal circa fl. 100.000,00. Dit betreft hier aanslagen omzetbelasting op nihilaangiftes.

Verzoeker heeft de juistheid van deze aanslagen erkend en hij heeft ter terechtzitting aangevoerd dat deze aanslagen het gevolg waren van de onjuist uitgevoerde werkzaamheden van zijn accountants.

Mr. Van Rijsbergen heeft gesteld dat verzoeker verantwoordelijk is voor de nihilaangiftes en voorts dat de nihilaangiftes in strijd met de Wet op de Omzetbelasting zijn gedaan, aangezien inzake onderhanden werk niet tijdig is gefactureerd door verzoeker.

Verzoeker heeft zich verweerd met de stelling dat hij niet op de hoogte was van de desbetreffende bepalingen in genoemde wet.

De rechtbank is van oordeel dat verzoeker niet als te goeder trouw kan worden aangemerkt ten aanzien van het ontstaan en onbetaald laten van de schuld aan de fiscus van circa fl. 100.000,00.

Het verzoek dient daarom te worden afgewezen.

Beslissing

De rechtbank:

- wijst het verzoek af.

Gewezen door mr A.B.H.M. van Thiel, lid van genoemde kamer, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 15 september 1999 in tegenwoordigheid van de griffier.