Insolventierecht
Afwijzing verzoek schuldsanering. Niet aannemelijk dat alimentatieschuld te goeder trouw is.
Rechtbank Rotterdam, 11 maart 2014
ECLI:NL:RBROT:2014:3506 · Rechtbank Rotterdam · 11 maart 2014
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-rotterdam/civiel-recht/insolventierecht/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbrot-2014-3506
Zaakgegevens
Op 11 maart 2014 heeft de Rechtbank Rotterdam in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over insolventierecht.
- Instantie
- Rechtbank RotterdamRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Rotterdam
- Datum uitspraak
- 11 maart 2014
- Datum publicatie
- 7 mei 2014
- Zaaknummer
- C/10/436088 / FT EA 13/2486
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Insolventierecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBROT:2014:3506
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Afwijzing verzoek schuldsanering. Niet aannemelijk dat alimentatieschuld te goeder trouw is.
Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
Team Insolventie
afwijzing toepassing schuldsaneringsregeling
rekestnummer: [nummer]
uitspraakdatum: 11 maart 2014
[naam],
[adres]
[woonplaats],
verzoeker.
1 De procedure
Verzoeker heeft op 14 oktober 2013 een verzoekschrift met bijlagen ingediend tot toepassing van de schuldsaneringsregeling. Verzoeker is, in bijzijn van mevrouw [naam] en de heer [naam], gehoord ter terechtzitting van 5 februari 2014. De uitspraak is bepaald op heden.
2 De feiten
Verzoeker is alleenstaand. Het inkomen van verzoeker bestaat uit een WIA-uitkering. De schuldenlast bedraagt volgens de verklaring op grond van artikel 285 van de Faillissementswet € 132.049,79.
3 De beoordeling
Het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling wordt slechts toegewezen als, onder andere, voldoende aannemelijk is dat verzoeker ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden, in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend, te goeder trouw is geweest. De rechtbank oordeelt dat dit in het voorliggende geval niet aannemelijk is.
Verzoeker is sinds de beschikking van de rechtbank Rotterdam d.d. 23 oktober 2002 verplicht om alimentatie te betalen aan zijn ex-partner ten behoeve van de verzorging en opvoeding van zijn toen minderjarige kinderen. Vaststaat dat verzoeker dit sinds 2002 heeft verzuimd. In de procedure over de nihilstelling heeft de rechtbank Rotterdam in haar beschikking d.d. 27 november 2012, zaak-/rekestnummer [nummer] overwogen dat verzoeker in die procedure volstrekt onvoldoende inzicht heeft gegeven in het ontstaan van de schulden na 202 en de significante toename ervan in de jaren daarna. Volgens de beslissing van de rechtbank van 27 november 2012 kan niet worden vastgesteld dat het de man niet kan worden verweten dat hij schulden heeft gemaakt.
Ook in deze procedure is niet aannemelijk geworden dat de alimentatieschuld te goeder trouw onbetaald is gelaten. Een groot deel van de periode waarin de alimentatieverplichting bestond, heeft verzoeker gewerkt. Pas vanaf 2010 is er sprake van inkomstendaling. Ter terechtzitting heeft verzoeker verklaard dat hij veel geld heeft uitgegeven om aan de wensen van nieuwe partners tegemoet te komen. Verzoeker heeft aldus prioriteiten gelegd bij nieuwe partners, en niet bij het voldoen van de in rechte vastgestelde onderhoudsverplichting. Verzoeker heeft aldus niet aannemelijk gemaakt dat de alimentatieschuld te goeder trouw onbetaald is gelaten. De alimentatieschuld betreft een aanzienlijk deel van de schuldenlast, te weten € 49.538,98 van het totale bedrag van € 132.049,79.
Feiten en omstandigheden die – ondanks het ontbreken van de goede trouw – toelating rechtvaardigen zijn niet voldoende aannemelijk geworden.
De rechtbank merkt overigens nog op dat bij de beoordeling van de goede trouw wordt gekeken naar een periode vijf jaar voorafgaande aan het indienen van het verzoekschrift. Bij verzoeker is er sinds 17 augustus 2010 sprake van een inkomstendaling. Verzoeker heeft in 2012 hulp gezocht en gevonden bij het oplossen van zijn schulden. Dit acht de rechtbank zeer positief. Dit weegt echter nog niet op tegen de verwijtbaarheid ten aanzien van het onbetaald laten van de schulden maar in ieder geval zou, als dit positieve gedrag zich voortzet, een nieuw verzoek vanaf 18 augustus 2015 kans van slagen kunnen hebben.
Het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling wordt daarom afgewezen.
4 De beslissing
De rechtbank:
- wijst het verzoek af.
Dit vonnis is gewezen door mr. A. Lablans, rechter, en in aanwezigheid van N. Roos, griffier in het openbaar uitgesproken op 11 maart 2014.
De griffier is buiten staat dit vonnis te ondertekenen.