Insolventierecht
Verzoek toelating schuldsaneringsregeling afgewezen. De schulden die voortkomen uit de onderneming die…
Rechtbank Rotterdam, 28 november 2016
ECLI:NL:RBROT:2016:10332 · Rechtbank Rotterdam · 28 november 2016
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-rotterdam/civiel-recht/insolventierecht/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbrot-2016-10332
Zaakgegevens
Op 28 november 2016 heeft de Rechtbank Rotterdam in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over insolventierecht.
- Instantie
- Rechtbank RotterdamRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Rotterdam
- Datum uitspraak
- 28 november 2016
- Datum publicatie
- 21 april 2017
- Zaaknummer
- C/10/507958 / FT EA 16/1972
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Insolventierecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBROT:2016:10332
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Verzoek toelating schuldsaneringsregeling afgewezen. De schulden die voortkomen uit de onderneming die verzoeker heeft gehad, zijn niet te goeder trouw omdat verzoeker de onderneming lichtzinnig is gestart en omdat bovendien geen boekhouding beschikbaar is.
Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
Team insolventie
afwijzing toepassing schuldsaneringsregeling
rekestnummer: [nummer]
uitspraakdatum: 28 november 2016
[naam] ,
[adres]
[woonplaats] ,
verzoeker.
1 De procedure
Verzoeker heeft op 9 augustus 2016 een verzoekschrift met bijlagen ingediend tot toepassing van de schuldsaneringsregeling. Verzoeker is gehoord ter terechtzitting van
21 november 2016.
2 De feiten
Verzoeker ontvangt inkomsten uit arbeid. De schuldenlast bedraagt volgens de verklaring als bedoeld in artikel 285 Faillissementswet € 26.454,69.
3 De beoordeling
Het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling wordt slechts toegewezen als, onder andere, voldoende aannemelijk is dat verzoeker ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend, te goeder trouw is geweest. De rechtbank oordeelt dat dit in het voorliggende geval niet aannemelijk is.
De goede trouw is een gedragsmaatstaf waaraan een verzoeker dient te voldoen. Bij de beoordeling daarvan kan de rechter rekening houden met alle omstandigheden, zoals de aard en de omvang van de vorderingen, het tijdstip waarop de schulden zijn ontstaan, de mate waarin de verzoeker kan worden verweten dat de schulden zijn ontstaan en/of onbetaald gelaten, het gedrag van verzoeker voor wat betreft zijn inspanningen de schulden te voldoen of acties zijnerzijds om verhaal door de schuldeisers juist te frustreren en dergelijke.
Om te beginnen heeft verzoeker schulden bij het CJIB van in totaal € 1.048,-. Uit een overzicht van het CJIB, ingekomen bij de rechtbank op 7 november 2016, blijkt dat deze schulden betrekking hebben op verkeersboetes, ontstaan met diverse voertuigen in de periode 2013-2014. Deze schulden zijn naar hun aard niet te goeder trouw ontstaan.
Ter terechtzitting is door verzoeker voorts verklaard dat een deel van de schulden voortkomt uit de onderneming die verzoeker als eenmanszaak heeft gevoerd. In de verklaring van verzoeker zelf, die zich in het dossier bevindt, schrijft verzoeker dat hij in 2013 een onderneming is begonnen maar dat hij daarvoor niet zelf een ondernemingsplan kon schrijven. Hij heeft dit uitbesteed voor een bedrag van € 1.200,00. Hierdoor konden andere rekeningen niet worden betaald. Verzoeker heeft voorts verklaard dat de onderneming in 2014 niet van de grond kwam en dat hij daardoor in de schulden is geraakt.
Ter terechtzitting heeft verzoeker verklaard dat hij zichzelf wel capabel achtte om de onderneming te starten en dat hij daarvoor ook een ondernemerstest had gedaan, maar dat hij niet kan boekhouden. Verzoeker dacht erover om dat uit te besteden. Uit de schuldenlijst die bij het verzoek is gevoegd maakt de rechtbank op dat verzoeker bij aanvang van de onderneming in ieder geval 2 schulden had (Vodafone uit 2012 en Wehkamp uit 2011). Uit het voornoemde kan de rechtbank geen andere conclusie trekken dan dat het ervoor moet worden gehouden dat verzoeker – na een eerder faillissement - lichtzinnig een nieuwe onderneming is gestart. Er is bovendien geen boekhouding beschikbaar. In beginsel zijn de ondernemingsschulden daarom niet te goeder trouw ontstaan en/of onbetaald gelaten.
Feiten en omstandigheden die – ondanks het ontbreken van de goede trouw – toelating rechtvaardigen zijn niet voldoende aannemelijk geworden.
Het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling zal daarom worden afgewezen.
Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat dit niet betekent dat er geen andere feiten of omstandigheden zijn die eveneens tot afwijzing van het verzoek dienen te leiden.
4 De beslissing
De rechtbank:
- wijst het verzoek af.
Dit vonnis is gewezen door mr. W.J. Geurts-de Veld, rechter, en in aanwezigheid van
mr. E.C. Padberg-de Haan, griffier, in het openbaar uitgesproken op 28 november 2016.