Insolventierecht
afwijzing WSNP-verzoek, kinderopvangtoeslag ontvangen tijdens verblijf buitenland.
Rechtbank Rotterdam, 16 maart 2018
ECLI:NL:RBROT:2018:3010 · Rechtbank Rotterdam · 16 maart 2018
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-rotterdam/civiel-recht/insolventierecht/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbrot-2018-3010
Zaakgegevens
Op 16 maart 2018 heeft de Rechtbank Rotterdam in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over insolventierecht.
- Instantie
- Rechtbank RotterdamRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Rotterdam
- Datum uitspraak
- 16 maart 2018
- Datum publicatie
- 16 april 2018
- Zaaknummer
- C/10/543351 / FT EA 18/135
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Insolventierecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBROT:2018:3010
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
afwijzing WSNP-verzoek, kinderopvangtoeslag ontvangen tijdens verblijf buitenland.
Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
Team insolventie
afwijzing toepassing schuldsaneringsregeling
rekestnummer: [nummer]
uitspraakdatum: 16 maart 2018
[naam] ,
[adres]
[woonplaats] ,
verzoekster.
1 De procedure
Verzoekster heeft op 18 januari 2018 een verzoekschrift met bijlagen ingediend tot toepassing van de schuldsaneringsregeling. Verzoekster is gehoord ter terechtzitting van
9 maart 2018.
2 De feiten
Verzoekster ontvangt inkomsten uit Participatiewet-uitkering. De schuldenlast bedraagt volgens de verklaring als bedoeld in artikel 285 Faillissementswet € 31.043,85.
3 De beoordeling
Het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling wordt slechts toegewezen als, onder andere, voldoende aannemelijk is dat verzoekster ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van haar schulden in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend, te goeder trouw is geweest. De rechtbank oordeelt dat dit in het voorliggende geval niet aannemelijk is.
De goede trouw is een gedragsmaatstaf waaraan een verzoeker dient te voldoen. Bij de beoordeling daarvan kan de rechter rekening houden met alle omstandigheden, zoals de aard en de omvang van de vorderingen, het tijdstip waarop de schulden zijn ontstaan, de mate waarin de verzoeker kan worden verweten dat de schulden zijn ontstaan en/of onbetaald gelaten, het gedrag van verzoeker voor wat betreft zijn inspanningen de schulden te voldoen of acties zijnerzijds om verhaal door de schuldeisers juist te frustreren en dergelijke.
Verzoekster heeft een schuld aan de Belastingdienst van in totaal € 29.947,00. Volgens het overzicht van de Belastingdienst van 6 september 2017 heeft deze schuld voor het overgrote deel, namelijk voor een bedrag van € 28.019,00, betrekking op ten onrechte ontvangen kinderopvangtoeslag in de jaren 2012 tot en met 2014. Verzoekster heeft verklaard dat deze schuld is ontstaan omdat zij, toen zij in Nederland kwam wonen, op aanraden van een kennis kinderopvangtoeslag heeft aangevraagd, terwijl haar kind geen gebruik maakte van de kinderopvang. Het is de verantwoordelijkheid van verzoekster geen toeslagen aan te vragen waar zij geen recht op heeft en om zich in dat kader goed te informeren en niet af te gaan op wat een kennis daarover zegt. Dat geldt ook in het geval, zoals hier, verzoekster de Nederlandse taal niet machtig is. Daar komt bij dat de Belastingdienst herhaaldelijk heeft verzocht om informatie met betrekking tot de kinderopvang, en verzoekster die informatie niet heeft verstrekt. Aldus heeft zij de situatie waarin zij ten onrechte kinderopvangtoeslag ontving onnodig lang laten voortduren. De toeslag is zelfs nog voor een groot gedeelte betaald in de periode dat verzoekster weer in de Dominicaanse Republiek woonde (van mei 2013 tot en met juli 2014). Aldus is deze schuld niet te goeder trouw ontstaan althans onbetaald gelaten.
Datzelfde geldt voor de schuld aan de Belastingdienst wegens inkomstenbelasting 2014 en ten onrechte ontvangen zorgtoeslag in 2014. Het is de verantwoordelijkheid van verzoekster om ervoor te zorgen dat de Belastingdienst juist en volledig is geïnformeerd; verzoekster heeft dat niet gedaan.
Feiten of omstandigheden die – ondanks het ontbreken van de goede trouw – toelating rechtvaardigen zijn niet voldoende aannemelijk geworden. Verzoekster heeft geen betaalde baan en ook in het verleden (sinds zij in Nederland woont) geen betaalde baan gehad. Het is positief dat verzoekster nu Nederlandse les heeft en een traject volgt bij de gemeente Rotterdam om haar arbeidsmogelijkheden te vergroten, maar dat is onvoldoende om toelating tot de schuldsaneringsregeling te rechtvaardigen. Het feit dat, zoals verzoekster heeft verklaard, zij in 2016 korte tijd € 100 per maand aan de Belastingdienst heeft betaald is eveneens onvoldoende.
Het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling zal daarom worden afgewezen.
Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat dit niet betekent dat er geen andere feiten of omstandigheden zijn die eveneens tot afwijzing van het verzoek dienen te leiden.
4 De beslissing
De rechtbank:
- wijst het verzoek af.
Dit vonnis is gewezen door mr. F. Damsteegt-Molier, rechter, en in aanwezigheid van
A. Timmer, griffier, in het openbaar uitgesproken op 16 maart 2018.
De griffier is buiten staat dit
vonnis mede te ondertekenen.