Insolventierecht

Verzoek tussentijdse beëindiging op grond van art. 350 Fw lid 1 sub d. Verzoeker/schuldeiser heeft een…

Rechtbank Rotterdam, 12 januari 2018

Zaakgegevens

Op 12 januari 2018 heeft de Rechtbank Rotterdam in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over insolventierecht.

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Zittingsplaats
Rotterdam
Datum uitspraak
12 januari 2018
Datum publicatie
6 februari 2018
Zaaknummer
16.706 FT EA
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBROT:2018:785
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Verzoek tussentijdse beëindiging op grond van art. 350 Fw lid 1 sub d.

Verzoeker/schuldeiser heeft een vordering op schuldenaar welke is ontstaan tijdens de WSNP. Deze schuldeiser heeft daarom geen bevoegdheid tot vragen TBE - zie ook ex art. 312 Fw.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team insolventie

verzoek tussentijdse beëindiging schuldsaneringsregeling: niet-ontvankelijk

insolventienummer: [nummer]

uitspraakdatum: 12 januari 2018

Bij vonnis van deze rechtbank van 26 mei 2016 is de toepassing van de schuldsaneringsregeling uitgesproken ten aanzien van:

[naam 1] ,

wonende te [adres] ,

[woonplaats]

schuldenaar,

bewindvoerder: I.M. Thomason.

1 De procedure

Op 3 januari 2018 heeft mr. R.P.R. Nolten namens zijn cliënte, [naam 2] (hierna: verzoekster) een verzoekschrift ex artikel 350 lid 3 sub d Faillissementswet (Fw) ingediend, om de schuldsaneringsregeling tussentijds te beëindigen.

De uitspraak is bepaald op heden.

1 De beoordeling

In het verzoekschrift is gesteld dat verzoekster op 15 augustus 2016 een bedrag van € 1.500,-- aan schuldenaar heeft uitgeleend. Thans heeft verzoekster nog een bedrag van

€ 1.250,-- exclusief rente en incassokosten van schuldenaar te vorderen.

De rechtbank kan - voor zover hier van belang - op grond van artikel 350, lid 1 Fw, de toepassing van de schuldsaneringsregeling beëindigen op voordracht van de rechter-commissaris of op verzoek van de bewindvoerder, van de schuldenaar dan wel van een of meer schuldeisers.

De rechtbank stelt vast dat de vordering van verzoekster is ontstaan nadat de wettelijke schuldsaneringsregeling op schuldenaar toepasselijk is geworden. De vordering kan dan ook niet worden aangemerkt als een vordering ten aanzien waarvan de schuldsaneringsregeling werkt.

Uit de tekst en totstandkomingsgeschiedenis van de wettelijke schuldsaneringsregeling, in het bijzonder de artikelen 312 en 350 Fw, valt af te leiden dat een nieuwe schuldeiser, dat wil zeggen een schuldeiser die gedurende de looptijd van de schuldsaneringsregeling een vordering op schuldenaar heeft verkregen (een vordering derhalve ten aanzien waarvan de schuldsaneringsregeling niet werkt), niet bevoegd is om op grond van artikel 350 Fw tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling te vragen. Zie in dit verband onder meer de toelichting bij artikel 312 Fw in de Memorie van Toelichting bij wetsvoorstel 22969 (Kamerstukken II 1992/93, 22969, 3, p. 51).

Tegen deze achtergrond is de rechtbank van oordeel dat verzoekster niet als schuldeiser in de zin van artikel 350 Fw kan worden aangemerkt. Zij is derhalve niet bevoegd om op grond van artikel 350 Fw de tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling te verzoeken.

Verzoekster zal niet-ontvankelijk worden verklaard in haar verzoek tot tussentijdse beëindiging van de toepassing van de schuldsaneringsregeling.

2 De beslissing

De rechtbank:

- verklaart verzoekster niet-ontvankelijk in haar verzoek tot tussentijdse beëindiging van de toepassing van de schuldsaneringsregeling.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.C.A.M. Los, rechter, en in aanwezigheid van A. Mergen, griffier, in het openbaar uitgesproken op 12 januari 2018.

Tegen deze uitspraak kan degene aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak, hoger beroep instellen. Het hoger beroep kan uitsluitend door een advocaat worden ingesteld bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof dat van deze zaak kennis moet nemen.