Insolventierecht
Toewijzing WSNP-verzoek, eerdere tussentijdse beëindiging, fysieke en geestelijke mishandeling, budgetbeheer…
Rechtbank Rotterdam, 24 augustus 2018
ECLI:NL:RBROT:2018:8174 · Rechtbank Rotterdam · 24 augustus 2018
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-rotterdam/civiel-recht/insolventierecht/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbrot-2018-8174
Zaakgegevens
Op 24 augustus 2018 heeft de Rechtbank Rotterdam in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over insolventierecht.
- Instantie
- Rechtbank RotterdamRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Rotterdam
- Datum uitspraak
- 24 augustus 2018
- Datum publicatie
- 3 oktober 2018
- Zaaknummer
- 18.1038 ea
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Insolventierecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBROT:2018:8174
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Toewijzing WSNP-verzoek, eerdere tussentijdse beëindiging, fysieke en geestelijke mishandeling, budgetbeheer, wending ten goede.
Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
Team insolventie
toepassing schuldsaneringsregeling
insolventienummer: [nummer]
uitspraakdatum: 24 augustus 2018
[naam]
[adres]
[woonplaats] ,
verzoekster.
1 De procedure
Verzoekster heeft een verzoekschrift met bijlagen ingediend tot toepassing van de schuldsaneringsregeling. Verzoekster is gehoord ter terechtzitting van 24 augustus 2018.
De uitspraak is bepaald op heden.
2 De beoordeling
Het verzoekschrift voldoet aan de daaraan gestelde eisen. Verzoekster verkeert in de toestand dat zij heeft opgehouden te betalen, dan wel dat redelijkerwijs is te voorzien dat zij niet zal kunnen voortgaan met betaling van haar schulden. In beginsel is voldoende grond gebleken voor afwijzing van het verzoek.
In het bijzonder heeft de rechtbank gekeken naar het feit dat verzoekster nieuwe schulden is aangegaan, terwijl zij al in een problematische schuldensituatie verkeerde. Zo heeft zij abonnementen afgesloten bij de sportschool en bij telefoonmaatschappijen, en heeft zij vakanties geboekt. Deze schulden zijn niet te goeder trouw ontstaan en staan in beginsel aan toelating in de weg. De rechtbank rekent dit verzoekster met name aan omdat zij eerder in de schuldsaneringsregeling heeft gezeten en deze regeling tussentijds is beëindigd omdat verzoekster verwijtbaar nieuwe schulden had gemaakt.
Het verzoek kan ingevolge artikel 288, derde lid Fw, ondanks het ontbreken van goede trouw, wel worden toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat verzoekster de omstandigheden, die bepalend zijn geweest voor het ontstaan of onbetaald laten van de schulden, onder controle heeft gekregen. De rechtbank is van oordeel dat van een dergelijke situatie sprake is. Verzoekster heeft een nare periode van (geestelijke en lichamelijke) mishandeling door haar toenmalige partner achter de rug. Sinds 2009 zijn zij uit elkaar en heeft verzoekster geprobeerd haar leven op de rails te krijgen. Zij heeft enige tijd budgetbeheer gehad. Dit is enige tijd gestopt omdat verzoekster daar toen niet meer voor in aanmerking kwam. Sinds september 2016 heeft verzoekster weer budgetbeheer en maakt zij geen nieuwe schulden meer. Het voorgaande heeft er mede voor gezorgd dat voldoende stabiliteit is ontstaan in de situatie van verzoekster om een toelating tot de schuldsaneringsregeling te rechtvaardigen. Naar het oordeel van de rechtbank is gelet op hetgeen hiervoor is overwogen wel noodzakelijk dat verzoekster tijdens de toepassing van de schuldsaneringsregeling gedurende minimaal een jaar onder budgetbeheer blijft staan. Na verloop van een jaar zal de bewindvoerder met verzoekster kunnen bezien of budgetbeheer ook gedurende de resterende termijn van de regeling noodzakelijk is.
De rechtbank is, gelet op het bepaalde in artikel 3 lid 1 Verordening (EU) 2015/848 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie, bevoegd deze insolventieprocedure als hoofdprocedure te openen nu het centrum van voornaamste belangen van verzoekster in Nederland ligt.
3 De beslissing
De rechtbank:
- spreekt de toepassing van de schuldsaneringsregeling uit ten aanzien van:
[naam] ,
geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,
wonende te [adres] , [woonplaats] ;
- bepaalt dat de schuldenares zich tijdens de schuldsaneringsregeling gedurende minimaal 1 jaar onder budgetbeheer houdt. Na 1 jaar dient schuldenares te overleggen met de bewindvoerder of verlenging van budgetbeheer noodzakelijk is;
- benoemt tot rechter-commissaris mr. F. Damsteegt-Molier
en tot bewindvoerder J.F. Stobbe,
gevestigd te Postbus 181,
2640 AD Pijnacker;
- kent toe, voor zover de boedel dit toelaat, een voorschot op de vergoeding van de bewindvoerder van een telkens aan het eind van de maand opeisbaar bedrag. Dit bedrag is gelijk aan 1/37e deel van de overeenkomstig artikel 2 van het Besluit vergoeding bewindvoerder schuldsanering (Staatsblad 2013, 308) te berekenen vergoeding, verhoogd met de verschuldigde omzetbelasting;
- geeft last aan de bewindvoerder tot het openen van aan de schuldenares gerichte brieven en telegrammen.
Dit vonnis is gewezen door mr. F. Damsteegt-Molier, rechter, en in aanwezigheid van
E.J.C. Korbee, griffier, in het openbaar uitgesproken op 24 augustus 2018.