Insolventierecht
Verzoek dwangakkoord en wsnp afgewezen. Gebleken is dat er diverse schulden zijn ontstaan tijdens…
Rechtbank Rotterdam, 25 september 2018
ECLI:NL:RBROT:2018:9412 · Rechtbank Rotterdam · 25 september 2018
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-rotterdam/civiel-recht/insolventierecht/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbrot-2018-9412
Zaakgegevens
Op 25 september 2018 heeft de Rechtbank Rotterdam in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over insolventierecht.
- Instantie
- Rechtbank RotterdamRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Rotterdam
- Datum uitspraak
- 25 september 2018
- Datum publicatie
- 16 november 2018
- Zaaknummer
- FT EA 18/1265
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Insolventierecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBROT:2018:9412
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Verzoek dwangakkoord en wsnp afgewezen. Gebleken is dat er diverse schulden zijn ontstaan tijdens beschermingsbewind. De beschermingsbewindvoerder heeft geen actie ondernomen ten aanzien van die schulden. Onvoldoende aannemelijk dat voorstel het uiterste is waartoe verzoekster in staat moet worden geacht. Onvoldoende gebleken van een wending ten goede.
Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
Team insolventie
rekestnummer: [nummer]
uitspraakdatum: 25 september 2018
afwijzen gedwongen schuldregeling
in de zaak van:
[naam 1] ,
[adres]
[woonplaats] ,
verzoekster.
1 De procedure
Verzoekster heeft op 2 augustus 2018, tezamen met een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling, een verzoek ingevolge artikel 287a lid 1 Faillissementswet ingediend om een schuldeiser, te weten [bedrijf] te [plaats] , die weigert mee te werken aan een door verzoekster aangeboden schuldregeling, te bevelen in te stemmen met deze schuldregeling.
[bedrijf] heeft voorafgaand aan de zitting een verweerschrift ingediend.
Ter zitting van 18 september 2018 zijn verschenen en gehoord:
-
mevrouw [naam 2] , werkzaam bij Avres (hierna te noemen schuldhulpverlening);
-
de heer [naam 3] , werkzaam bij Verkerk en Vos bewindvoeringen als beschermingsbewindvoerder;
-
mevrouw [naam 4] , eigenaresse van [bedrijf] ;
-
de heer [naam 5] , gemachtigde namens [bedrijf] .
Verzoekster is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.
De uitspraak is bepaald op heden.
2 Het verzoek
Verzoekster heeft volgens het ingediende verzoekschrift veertien concurrente schuldeisers. Deze schuldeisers hebben in totaal een bedrag van € 10.478,03 van verzoekster te vorderen.
Verzoekster heeft bij brief van 19 april 2018 een schuldregeling aangeboden aan haar schuldeisers, inhoudende een betaling van 14,29% tegen finale kwijting.
Het aangeboden akkoord heeft de volgende inhoud en achtergrond. De aangeboden regeling is gebaseerd op de NVVK-norm. De afloscapaciteit van verzoekster is gebaseerd op ongewijzigde voortzetting van haar PW-uitkering. Volgens de aangeboden schuldregeling wordt het aangeboden percentage – door middel van een door schuldhulpverlening beschikking gesteld saneringskrediet – in één keer aan de schuldeisers uitgekeerd.
Ter terechtzitting heeft schuldhulpverlening verklaard dat verzoekster niet werkt en vermoedelijk is vrijgesteld van de sollicitatieverplichting door de uitkerende instantie. Verzoekster heeft een beperking en een dagbesteding indicatie; zij woont 24 uur begeleid.
Hoewel behoorlijk opgeroepen heeft verzoekster geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid haar standpunt ter zitting toe te lichten.
Dertien schuldeisers hebben met de aangeboden schuldregeling ingestemd. [bedrijf] (hierna verweerster) stemt hier niet mee in. Zij heeft een vordering van € 645,95 op verzoekster.
3 Het verweer
Verweerster heeft zich op het standpunt gesteld dat zij het volledige bedrag van de vordering wenst te ontvangen. Verzoekster heeft in de periode 2013/2014 in totaal 39 autorijlessen gehad en heeft daarvan een bedrag van € 645,95 onbetaald gelaten. Verweerster is een eenmanszaak en heeft in het kader van de autorijlessen kosten gemaakt die niet worden gecompenseerd met het aangeboden bedrag. Dat andere schuldeisers met het voorstel hebben ingestemd, doet daar niet aan af. Verweerster heeft een eigen mening. Verweerster heeft er geen bezwaar tegen als verzoekster de volledige vordering in termijnen betaalt.
4 De beoordeling
Uitgangspunt is dat het iedere schuldeiser in beginsel vrij staat om te verlangen dat 100% van zijn vordering, vermeerderd met rente, wordt voldaan. Nu de aangeboden regeling voorziet in een lagere uitkering dan de volledige vordering, staat het belang van verweerster bij haar weigering vast.
De rechtbank ziet zich gesteld voor het beantwoorden van de vraag of verweerster in redelijkheid niet tot weigering van instemming met de schuldregeling heeft kunnen komen, in aanmerking genomen de onevenredigheid tussen het belang dat zij heeft bij uitoefening van de bevoegdheid tot weigering en de belangen van verzoekster of de overige schuldeisers die door de weigering worden geschaad.
De rechtbank beantwoordt deze vraag ontkennend en overweegt daartoe als volgt.
Op 9 februari 2015 zijn alle goederen van verzoekster onder beschermingsbewind gesteld. Uit de beschikking (per abuis gedateerd 9 februari 2014 in plaats van 2015) blijkt dat het beschermingsbewind is geregistreerd in het openbare curatele – en bewindregister. Op de schuldenlijst van verzoekster staan 10 schulden (van de 14) die ontstaan zijn na het uitspreken van het beschermingsbewind. Ingevolge artikel 1:440 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kunnen schulden, die voortspruiten uit een handeling, tijdens het bewind met of jegens de rechthebbende, anders dan in overeenstemming met artikel 1:438, tweede lid BW verricht door een schuldeiser die het bewind kende of had behoren te kennen, niet op de onder bewind staande goederen worden verhaald. De beschermingsbewindvoerder heeft jegens geen van de betreffende schuldeisers een beroep gedaan op deze bepaling. Zou de beschermingsbewindvoerder dit wel met succes hebben gedaan, dan hadden de betreffende schulden niet (allemaal) betrokken hoeven zijn in de minnelijke schuldregeling. In dat geval had – uitgaande van het ter beschikking gestelde saneringskrediet – het aanbod aan de overige schuldeisers dus hoger geweest kunnen zijn.
De vergelijking met de situatie dat verzoekster zou zijn toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling kan buiten beschouwing blijven, omdat de rechtbank heden bij afzonderlijke uitspraak zal beslissen dat verzoekster niet voldoet aan de vereisten voor toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling.
Het voorgaande leidt tot het oordeel dat onvoldoende aannemelijk is geworden dat het voorstel het uiterste is waartoe verzoekster in staat moet worden geacht.
Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de belangen van verweerster als weigerende schuldeiser zwaarder wegen dan die van verzoekster of de overige schuldeisers. Het verzoek om verweerster te bevelen in te stemmen met de door verzoekster aangeboden schuldregeling wordt daarom afgewezen.
5 De beslissing
De rechtbank:
- wijst af het verzoek om een gedwongen schuldregeling te bevelen.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.M. van Kalmthout rechter, en in aanwezigheid van
J. Hillen-Huizer, griffier, in het openbaar uitgesproken op 25 september 2018 .