Insolventierecht
Verzoek dwangakkoord afgewezen. Tijdens WSNP mogelijk hogere afloscapaciteit. Schuld niet te goede trouw.
Rechtbank Rotterdam, 31 mei 2023
ECLI:NL:RBROT:2023:4656 · Rechtbank Rotterdam · 31 mei 2023
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-rotterdam/civiel-recht/insolventierecht/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbrot-2023-4656
Zaakgegevens
Op 31 mei 2023 heeft de Rechtbank Rotterdam in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over insolventierecht.
- Instantie
- Rechtbank RotterdamRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Rotterdam
- Datum uitspraak
- 31 mei 2023
- Datum publicatie
- 6 juni 2023
- Zaaknummer
- FT EA 23/156
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Insolventierecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBROT:2023:4656
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Verzoek dwangakkoord afgewezen.
Tijdens WSNP mogelijk hogere afloscapaciteit. Schuld niet te goede trouw.
Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
Team insolventie
rekestnummer: [nummer01]
uitspraakdatum: 31 mei 2023
afwijzen gedwongen schuldregeling
in de zaak van:
[verzoeker01] ,
wonende te [adres01]
[postcode01] [woonplaats01] ,
verzoeker.
1 De procedure
Verzoeker heeft op 13 februari 2023, tezamen met een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling, een verzoek ingevolge artikel 287a lid 1 Faillissementswet ingediend om een schuldeiser, te weten:
- Stedin B.V., hierna te noemen: Stedin,
die weigert mee te werken aan een door verzoeker aangeboden schuldregeling, te bevelen in te stemmen met deze schuldregeling.
Stedin heeft voorafgaand aan de zitting geen verweerschrift ingediend.
Ter zitting van 17 mei 2023 zijn verschenen en gehoord:
-
verzoeker;
-
mevrouw [naam01] , werkzaam bij Kredietbank Rotterdam (hierna te noemen schuldhulpverlening);
-
de heer [naam02] , werkzaam bij Stedin;
-
mevrouw [naam03] , werkzaam bij Stedin.
De uitspraak is bepaald op heden.
2 Het verzoek
Verzoeker heeft volgens het ingediende verzoekschrift elf concurrente schuldeisers. Deze schuldeisers hebben in totaal een bedrag van € 37.757,70 van verzoeker te vorderen.
Verzoeker heeft bij brief van 12 oktober 2022 een schuldregeling aangeboden aan zijn schuldeisers, inhoudende een betaling van 3,12% tegen finale kwijting.
Het aangeboden akkoord heeft de volgende inhoud en achtergrond. De aangeboden regeling is gebaseerd op de NVVK-norm. De afloscapaciteit van verzoeker is gebaseerd op ongewijzigde voortzetting van zijn PW-uitkering. Volgens de aangeboden schuldregeling wordt het aangeboden percentage – door middel van een door schuldhulpverlening ter beschikking gesteld saneringskrediet – in één keer aan de schuldeisers uitgekeerd. Verzoeker heeft sinds de aanmelding bij schuldhulpverlening geen nieuwe schulden of achterstanden meer laten ontstaan en zijn vaste lasten worden inmiddels door zijn budgetbeheerder voldaan.
Tien schuldeisers stemmen met de aangeboden schuldregeling in. Stedin stemt hier niet mee in. Zij heeft een vordering van € 2.511,47 op verzoeker.
3 Het verweer
In de contacten met schuldhulpverlening heeft Stedin te kennen gegeven niet akkoord te kunnen gaan met het voorstel. De vordering is ontstaan door ontoelaatbaar handelen van verzoeker. Er is sprake geweest van een hennepkwekerij in de woning, waarvan Stedin aangifte heeft gedaan. Een fraude expert heeft de geleden schade van Stedin vastgesteld. Hierna heeft Stedin verzoeker aansprakelijk gesteld. Op dit moment loopt er een betalingsregeling. Doordat de schulden niet ter goede trouw zijn ontstaan, kan Stedin niet instemmen met het aangeboden akkoord.
4 De beoordeling
Uitgangspunt is dat het iedere schuldeiser in beginsel vrij staat om te verlangen dat 100% van zijn vordering, vermeerderd met rente, wordt voldaan. Nu de aangeboden regeling voorziet in een lagere uitkering dan de volledige vordering, staat het belang van Stedin bij haar weigering vast.
De rechtbank ziet zich gesteld voor het beantwoorden van de vraag of Stedin in redelijkheid niet tot weigering van instemming met de schuldregeling heeft kunnen komen, in aanmerking genomen de onevenredigheid tussen het belang dat zij heeft bij uitoefening van de bevoegdheid tot weigering en de belangen van verzoeker of de overige schuldeisers die door de weigering worden geschaad.
De rechtbank beantwoordt deze vraag ontkennend en overweegt daartoe als volgt.
Vooropgesteld wordt dat de vordering van Stedin een aandeel vormt in de totale schuldenlast van 6,7%. Gelet daarop zal niet snel kunnen worden geoordeeld dat Stedin in redelijkheid niet kon weigeren om met de schuldregeling in te stemmen.
De rechtbank is daarnaast van oordeel dat onvoldoende aannemelijk is dat het voorstel het uiterste is waartoe verzoeker in staat moet worden geacht. Het aanbod betreft een saneringskrediet gebaseerd op de huidige PW-uitkering. De mogelijkheid bestaat dat er tijdens de wettelijke schuldsaneringsregeling een hogere afloscapaciteit zal ontstaan, doordat verzoeker gaat werken. De rechtbank kan dus niet zonder meer vaststellen dat de huidige afloscapaciteit van verzoeker blijvend is.
Tot slot is de rechtbank van mening dat de vordering van Stedin een schuld betreft die niet te goede trouw is ontstaan.
Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de belangen van Stedin als weigerende schuldeiser zwaarder wegen dan die van verzoeker of de overige schuldeisers. Het verzoek om Stedin te bevelen in te stemmen met de door verzoeker aangeboden schuldregeling wordt daarom afgewezen.
De rechtbank zal bij afzonderlijke beslissing op het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling beslissen.
5 De beslissing
De rechtbank:
- wijst af het verzoek om een gedwongen schuldregeling te bevelen.
Dit vonnis is gewezen door mr. B.J. Tideman, rechter, en in aanwezigheid van S.R.L.T. Peek, griffier, in het openbaar uitgesproken op 31 mei 2023.