Insolventierecht

Verzoek dwangakkoord afgewezen. Onverschuldigde betalingen. Niet ter goede trouw.

Rechtbank Rotterdam, 31 augustus 2023

Zaakgegevens

Op 31 augustus 2023 heeft de Rechtbank Rotterdam in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over insolventierecht.

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Zittingsplaats
Rotterdam
Datum uitspraak
31 augustus 2023
Datum publicatie
27 september 2023
Zaaknummer
FT EA 23/617
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBROT:2023:8982
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Verzoek dwangakkoord afgewezen. Onverschuldigde betalingen. Niet ter goede trouw.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team insolventie

afwijzing toepassing schuldsaneringsregeling

rekestnummer: [nummer01]

uitspraakdatum: 31 augustus 2023

[verzoekster01] ,

[adres01]

[postcode01] [plaats01] ,

verzoekster.

1 De procedure

Verzoekster heeft op 26 juni 2023 een verzoekschrift met bijlagen ingediend tot toepassing van de schuldsaneringsregeling. Verzoekster is gehoord ter zitting van 23 augustus 2023.

2 De feiten

Verzoekster ontvangt inkomsten uit een Wajong-uitkering. De schuldenlast bedraagt volgens de verklaring als bedoeld in artikel 285 Faillissementswet € 76.448,21.

3 De beoordeling

Het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling wordt slechts toegewezen als, onder andere, voldoende aannemelijk is dat verzoekster ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van haar schulden in de drie jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend, te goeder trouw is geweest. De rechtbank oordeelt dat dit in het voorliggende geval niet aannemelijk is.

De goede trouw is een gedragsmaatstaf waaraan een verzoeker dient te voldoen. Bij de beoordeling daarvan kan de rechter rekening houden met alle omstandigheden, zoals de aard en de omvang van de vorderingen, het tijdstip waarop de schulden zijn ontstaan, de mate waarin de verzoeker kan worden verweten dat de schulden zijn ontstaan en/of onbetaald gelaten, het gedrag van verzoeker voor wat betreft zijn inspanningen de schulden te voldoen of acties zijnerzijds om verhaal door de schuldeisers juist te frustreren en dergelijke.

Op de schuldenlijst van verzoekster staat een schuld aan Achmea van € 54.378,34. Deze schuld is ontstaan omdat verzoekster in de periode tussen juni 2019 en december 2020 onverschuldigde betalingen heeft ontvangen terwijl zij daar geen recht op had. Het is verzoekster te verwijten dat zij het bedrag waarop geen recht bestond na ontvangst niet heeft terugbetaald of heeft gereserveerd zodat dit terugbetaald had kunnen worden. Aldus is deze schuld niet te goeder trouw ontstaan althans onbetaald gelaten. Ook nadat verzoekster bij vonnis van 21 juli 2021 is veroordeeld tot het terugbetalen van het bedrag aan Achmea heeft zij de schuld onbetaald gelaten.

Het verzoek kan ingevolge artikel 288, derde lid, van de Faillissementswet, ondanks het ontbreken van de goede trouw, wel worden toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat verzoekster de omstandigheden, die bepalend zijn geweest voor het ontstaan of onbetaald laten van de schulden, onder controle heeft gekregen. De rechtbank is van oordeel dat van een dergelijke situatie geen sprake is. Zo heeft verzoekster geen duidelijkheid kunnen geven waaraan het geld is uitgegeven en heeft zij zich niet saneringsgezind getoond. Feiten en omstandigheden die – ondanks het ontbreken van de goede trouw – toelating rechtvaardigen zijn niet voldoende aannemelijk geworden.

Het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling zal daarom worden afgewezen.

4 De beslissing

De rechtbank:

- wijst het verzoek af.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.C. Snel-van den Hout, rechter, en in aanwezigheid van S.R.L.T. Peek, griffier, in het openbaar uitgesproken op 31 augustus 2023.

Tegen deze uitspraak kan degene aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak, hoger beroep instellen. Het hoger beroep kan uitsluitend door een advocaat worden ingesteld bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof dat van deze zaak kennis moet nemen.