Insolventierecht
WSNP afwijzen. De rechtbank heeft er onvoldoende vertrouwen in dat verzoeker zich gedurende de…
Rechtbank Rotterdam, 23 oktober 2024
ECLI:NL:RBROT:2024:10705 · Rechtbank Rotterdam · 23 oktober 2024
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-rotterdam/civiel-recht/insolventierecht/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbrot-2024-10705
Zaakgegevens
Op 23 oktober 2024 heeft de Rechtbank Rotterdam in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over insolventierecht.
- Instantie
- Rechtbank RotterdamRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Rotterdam
- Datum uitspraak
- 23 oktober 2024
- Datum publicatie
- 28 oktober 2024
- Zaaknummer
- FT RK 24/873
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Insolventierecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBROT:2024:10705
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
WSNP afwijzen. De rechtbank heeft er onvoldoende vertrouwen in dat verzoeker zich gedurende de schuldsaneringsregeling voldoende zal inspannen om zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven.
Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
Team insolventie
afwijzing toepassing schuldsaneringsregeling
rekestnummer: [nummer]
uitspraakdatum: 23 oktober 2024
[verzoeker] ,
[adres]
[woonplaats],
verzoeker.
1 De procedure
Verzoeker heeft op 2 juli 2024 een verzoekschrift met bijlagen ingediend tot toepassing van de schuldsaneringsregeling.
Ter terechtzitting van 16 oktober 2024 zijn verschenen en gehoord:
-
verzoeker;
-
mevrouw C. Borsten, werkzaam bij de gemeente Rotterdam.
2 De feiten
Verzoeker ontvangt inkomsten uit arbeid. De schuldenlast bedraagt volgens de verklaring als bedoeld in artikel 285 Faillissementswet € 74.232,02.
3 De beoordeling
Het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling wordt slechts toegewezen als, onder andere, voldoende aannemelijk is dat verzoeker de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zal nakomen en zich zal inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven. De rechtbank oordeelt dat dit in het voorliggende geval niet aannemelijk is. De rechtbank legt hierna uit waarom zij zo beslist.
Uit het dossier en het verhandelde ter zitting blijkt dat verzoeker op dit moment 10 dagen in de maand werkt. Verzoeker heeft aangegeven dat hij niet fulltime kan werken, gelet op zijn fysieke klachten. Hij heeft echter geen keuringsrapport overgelegd waaruit (de mate van) zijn arbeidsongeschiktheid blijkt. Verzoeker heeft slechts een verwijzingsbrief uit 2021 van zijn huisarts overgelegd. Uit die brief blijkt echter niet dat verzoeker op dit moment niet in staat zou zijn om te werken. Er zijn geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat aan hem een vrijstelling van de inspanningsverplichting is of moet worden verleend. Ook heeft hij, ondanks het uitdrukkelijk verzoek daartoe in de bijlage bij de oproepingsbrief voor de mondelinge behandeling van het verzoek, geen sollicitaties overgelegd. Hij heeft dus niet aangetoond dat hij op een andere manier wel aan de inspanningsverplichting zal gaan voldoen. De rechtbank heeft er daarom onvoldoende vertrouwen in dat verzoeker zich gedurende de schuldsaneringsregeling voldoende zal inspannen om zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven.
Feiten of omstandigheden die toelating rechtvaardigen zijn niet voldoende aannemelijk geworden. De rechtbank merkt nog op dat zodra verzoeker gekeurd is of bewijs heeft waaruit blijkt dat hij aan de inspanningsverplichting voldoet of daarvan moet worden vrij gesteld, hij een nieuw verzoek kan doen om te worden toegelaten tot de schuldsaneringsregeling. Een volgend verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling zal dan mogelijk meer kans van slagen hebben.
Het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling zal daarom worden afgewezen.
Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat dit niet betekent dat er geen andere feiten of omstandigheden zijn die eveneens tot afwijzing van het verzoek dienen te leiden.
4 De beslissing
De rechtbank:
- wijst het verzoek af.
Dit vonnis is gewezen door mr. M. Aukema, rechter, en in aanwezigheid van mr. T.M.M. de Laat, griffier, in het openbaar uitgesproken op 23 oktober 2024.