Insolventierecht

afwijzing toepassing schuldsaneringsregeling

Rechtbank Rotterdam, 15 augustus 2024

Zaakgegevens

Op 15 augustus 2024 heeft de Rechtbank Rotterdam in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over insolventierecht.

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Zittingsplaats
Rotterdam
Datum uitspraak
15 augustus 2024
Datum publicatie
12 december 2024
Zaaknummer
FT RK 24/601
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBROT:2024:12578
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

afwijzing toepassing schuldsaneringsregeling

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team insolventie

afwijzing toepassing schuldsaneringsregeling

rekestnummer: [nummer]

uitspraakdatum: 15 augustus 2024

[verzoeker] ,

[adres]

[postcode] [woonplaats] ,

verzoeker.

1 De procedure

Verzoeker heeft op 17 mei 2024 een verzoekschrift met bijlagen ingediend tot toepassing van de schuldsaneringsregeling. Verzoeker is gehoord ter terechtzitting van
8 augustus 2024.

2 De feiten

Verzoeker ontvangt inkomsten uit WIA-uitkering nu door het UWV is vastgesteld dat hij 100% arbeidsongeschikt is. De schuldenlast bedraagt volgens de verklaring als bedoeld in artikel 285 Faillissementswet € 90.623,01.

3 De beoordeling

Het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling wordt slechts toegewezen als, onder andere, voldoende aannemelijk is dat verzoeker de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zal nakomen en zich zal inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven. De rechtbank oordeelt dat dit in het voorliggende geval niet aannemelijk is.

Verzoeker is in juni 2023, zonder medeweten van zijn beschermingsbewindvoerder, een aannemingsovereenkomst aangegaan met een particulier. Verzoeker zou het toilet en de badkamer van de wederpartij verbouwen en heeft hiervoor een bedrag van ruim € 10.000,00 gekregen. Bij het aangaan van deze overeenkomst heeft verzoeker zich onterecht voorgedaan als een bij de Kamer van Koophandel ingeschreven bedrijf onder de naam [naam] . Verzoeker heeft vervolgens volgens zijn opdrachtgevers wanprestatie gepleegd waardoor de opdrachtgevers de kosten op verzoeker wensen te verhalen en inmiddels een gerechtelijke procedure tegen verzoeker zijn gestart.

Verzoeker heeft geen verantwoording kunnen afleggen over de besteding van het ontvangen geld. Er zijn geen aanwijzingen dat verzoeker het ontvangen bedrag heeft gereserveerd voor de aflossing van zijn schulden. Het feit dat verzoeker het ontvangen geld buiten het medeweten van zijn beschermingsbewindvoerder om heeft besteed, ondersteunt de conclusie dat hij niet van plan was om dit geld aan te wenden voor de voldoening aan zijn schuldeisers.

Daarnaast heeft verzoeker werkzaamheden verricht terwijl hij, conform een medisch rapport van oktober 2021, voor 100% arbeidsongeschikt is verklaard en verzoeker bij het verzoek heeft verklaard zichzelf niet in staat te achten betalende werkzaamheden te verrichten. Tenslotte moet er rekening mee worden gehouden dat verzoeker een deel van de door hem ontvangen WIA uitkering zal moeten terug betalen.

Gelet op het voorgaande, acht de rechtbank de saneringsgezindheid van verzoeker niet aannemelijk. De hiervoor genoemde omstandigheden en recente handelwijze van verzoeker geven onvoldoende vertrouwen dat verzoeker in staat is om de verplichtingen voortvloeiende uit de wettelijke schuldsaneringsregeling na te komen. De door verzoeker aangevoerde omstandigheden bieden onvoldoende grond voor het oordeel dat zijn persoonlijke situatie zodanig is gewijzigd dat hij wel in staat is om aan de verplichtingen te voldoen.

Het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling zal daarom worden afgewezen.

Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat dit niet betekent dat er geen andere feiten of omstandigheden zijn die eveneens tot afwijzing van het verzoek dienen te leiden.

4 De beslissing

De rechtbank:

- wijst het verzoek af.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. Aukema, rechter, en in aanwezigheid van
A.B.T. Fernandes Pedra, griffier, in het openbaar uitgesproken op 15 augustus 2024.

Tegen deze uitspraak kan degene aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak, hoger beroep instellen. Het hoger beroep kan uitsluitend door een advocaat worden ingesteld bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof dat van deze zaak kennis moet nemen.