Insolventierecht

Afwijzing WSNP. Schulden niet te goeder trouw. Bestuurdersaansprakelijkheden.

Rechtbank Rotterdam, 13 maart 2024

Zaakgegevens

Op 13 maart 2024 heeft de Rechtbank Rotterdam in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over insolventierecht.

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Zittingsplaats
Rotterdam
Datum uitspraak
13 maart 2024
Datum publicatie
26 maart 2024
Zaaknummer
FT EA 24/63
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBROT:2024:2456
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Afwijzing WSNP. Schulden niet te goeder trouw. Bestuurdersaansprakelijkheden.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team insolventie

afwijzing toepassing schuldsaneringsregeling

rekestnummer: [nummer]

uitspraakdatum: 13 maart 2024

[verzoeker] ,

[adres]

[woonplaats],

verzoeker.

1 De procedure

Verzoeker heeft op 15 januari 2024 een verzoekschrift met bijlagen ingediend tot toepassing van de schuldsaneringsregeling. Verzoeker is gehoord ter terechtzitting van 6 maart 2024.

2 De feiten

Verzoeker ontvangt inkomsten uit arbeid. De schuldenlast bedraagt volgens de verklaring als bedoeld in artikel 285 Faillissementswet € 218.530,67.

3 De beoordeling

Het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling wordt slechts toegewezen als, onder andere, voldoende aannemelijk is dat verzoeker ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden in de drie jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend, te goeder trouw is geweest. De rechtbank oordeelt dat dit in het voorliggende geval niet aannemelijk is.

De goede trouw is een gedragsmaatstaf waaraan een verzoeker dient te voldoen. Bij de beoordeling daarvan kan de rechter rekening houden met alle omstandigheden, zoals de aard en de omvang van de vorderingen, het tijdstip waarop de schulden zijn ontstaan, de mate waarin de verzoeker kan worden verweten dat de schulden zijn ontstaan en/of onbetaald gelaten, het gedrag van verzoeker voor wat betreft zijn inspanningen de schulden te voldoen of acties zijnerzijds om verhaal door de schuldeisers juist te frustreren en dergelijke.

Verder heeft de rechtbank vastgesteld dat verzoeker tegen een maandsalaris van iets meer dan het wettelijk minimumloon als, in zijn eigen woorden, meewerkend voorman in dienst is bij een vennootschap waarvan de indruk wordt gewekt dat hij zelf de zeggenschapshouder is, nu de aandelen worden gehouden door een persoon die blijkens een brief die zich in het dossier bevindt stelt dat voor rekening en risico van en onder leiding van verzoeker te doen. Deze persoon schrijft verzoeker te hebben verzocht de aandelen om niet of terug over te nemen. Verzoeker slaagt er niet in aannemelijk te maken dat de zeggenschap over de vennootschap bij een andere persoon behoort dan bij hemzelf. Het overeengekomen salaris dat lager is dan het minimale salaris zoals in de cao Afbouw is bepaald, geeft eerder steun aan de stelling dat het verzoeker zelf is die zeggenschapshouder is.

Ook het volgende duidt hier op: verzoeker heeft een schuld van € 21.000,- aan [bedrijf 1] heeft op of rond 6 september 2022 een bedrag van in totaal € 21.000,- betaald om schulden van verzoeker aan de curatoren van [bedrijf 2] en [bedrijf 3] te betalen. De betalingen betreffen minnelijke schikkingen met de betreffende curator in verband met bestuurdersaansprakelijkheden. [bedrijf 1] is door verzoeker zelf bewogen deze betalingen te doen en daarmee een vordering verkregen op verzoeker.

Naar het oordeel van de rechtbank zijn de schulden aan de curatoren niet te goeder trouw ontstaan. Nu deze schulden feitelijk zijn ingewisseld tegen die aan [bedrijf 1] is de laatste daarmee evenmin te goeder trouw ontstaan.

Door de constructie (aandelen op naam van een derde en een salaris lager dan de cao Afbouw) benadeelt verzoeker zijn schuldeisers en gedraagt hij zich niet saneringsgezind.

Feiten en omstandigheden die – ondanks het ontbreken van de goede trouw – toelating rechtvaardigen zijn niet voldoende aannemelijk geworden.

Het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling zal daarom worden afgewezen.

Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat dit niet betekent dat er geen andere feiten of omstandigheden zijn die eveneens tot afwijzing van het verzoek dienen te leiden.

4 De beslissing

De rechtbank:

- wijst het verzoek af.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. Aukema, rechter, en in aanwezigheid van S.R.L.T. Peek, griffier, in het openbaar uitgesproken op 13 maart 2024.

Tegen deze uitspraak kan degene aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak, hoger beroep instellen. Het hoger beroep kan uitsluitend door een advocaat worden ingesteld bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof dat van deze zaak kennis moet nemen.